← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051121.16

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051121.16 Rolnummer: S.05.0076.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-04-03 Raadplegingen: 561 - laatst gezien 2026-07-04 11:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer de onverschuldigde betaling van pensioenen haar oorsprong vindt in de toekenning of de verhoging van een buitenlands voordeel, begint de verjaringstermijn te lopen vanaf de kennisgeving van de beslissing aan het betalend organisme

(1).
(1)Cass., 3 nov. 2003, AR S.03.0045.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031103.15, nr
  1. Thesaurus CAS: PENSIOEN - WERKNEMERS Vrije woorden: PENSIOEN - WERKNEMERS Buitenlands voordeel Cumulatie Onverschuldigde betaling Terugvordering Verjaring Vertrekpunt Wettelijke bepalingen: Wet - 13-06-1966 - Art. 23, §§ 1 en 3, tweede lid - 36 Link Justel databank 19660613-36 Fiche 2 Bij toekenning of verhoging van een buitenlands voordeel aan de betrokkene, kan het betalend organisme het onverschuldigd karakter van de reeds verleende prestaties pas vaststellen nadat de buitenlandse beslissing aan het betalend organisme ter kennis is gebracht; hieruit volgt dat de wetgever deze bijzondere aanvangsdatum van de verjaringstermijn uitsluitend bepaald heeft ten aanzien van onverschuldigde betalingen daterend van vóór de voormelde kennisgeving van de bedoelde beslissing aan het betalend organisme; voor latere onverschuldigde betalingen blijft de algemene regel van toepassing. Thesaurus CAS: PENSIOEN - WERKNEMERS Vrije woorden: PENSIOEN - WERKNEMERS Buitenlands voordeel Cumulatie Onverschuldigde betaling Vaststelling Betalend organisme Verjaringstermijnen Vertrekpunten Bijzondere verjaringstermijn Algemene regel Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 13-06-1966 - Art. 21, § 3, eerste en tweede lid - 36 Link Justel databank 19660613-36 Tekst van de beslissing Nr. S.05.0076.N.- RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Zuidertoren, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen G.L., verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 maart 2005 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 21, ,§3, eerste en tweede lid, van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest vernietigt de administratieve beslissing van eiser van 3 augustus 2000 in zoverre zij ertoe strekt een bedrag van 1.138,33 euro terug te vorderen, op de volgende gronden : "In betwisting tussen partijen is het tijdstip van aanvang van de verjaringstermijn van 6 maanden voor de terugvordering van de ten onrechte betaalde prestaties, zoals bepaald in artikel 21, ,§3, tweede lid, van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden. Volgens eiser begint de verjaringstermijn in casu te lopen vanaf 3 augustus 2000 zijnde de datum waarop eiser zijn administratieve beslissing van 26 april 2000 betekend heeft aan verweerder, beslissing waarbij de Nederlandse beschikking tot toekenning met ingang van 1 augustus 1999 van een toeslag op het AOW-pensioen wordt betekend, verder wordt meegedeeld dat ingevolge deze toekenning het pensioensupplement voor de prestaties als grenswerknemer vanaf 1 augustus 1999 verminderd dient te worden en dienen de ten onrechte genoten bedragen tot beloop van 45.920 BEF te worden teruggevorderd. Volgens verweerder echter begint de verjaringstermijn te lopen vanaf 25 november 1999 zijnde de datum waarop de Sociale Verzekeringsbank Utrecht, zijnde het buitenlands orgaan, zijn beschikking toeslag AOW-pensioen betekende zowel aan eiser als aan verweerder. Artikel 21, ,§3, tweede lid, van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden bepaalt het volgende : 'Wanneer de onverschuldigde uitbetaling haar oorsprong vindt in de toekenning of de verhoging van een buitenlands voordeel of een voordeel in een andere regeling dan deze beoogd in paragraaf 1, verjaart de terug-vordering door verloop van zes maanden te rekenen vanaf de datum van de beslissing die de voornoemde voordelen toekent of verhoogt'. Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 14 december 1998 A.R. S.98.0002.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981214.7 (R.W. 1999-2000, p. 47) geoordeeld dat de wetgever met de termen 'vanaf datum van de beslissing' heeft bedoeld dat de verjaringstermijn begint te lopen 'vanaf de kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene en aan het uitbetalend organisme'. Het is duidelijk dat het hier de kennisgeving betreft door het organisme dat de buitenlandse beslissing nam en niet door eiser, dat het gaat om de kennisgeving van de buitenlandse beslissing gezien het deze beslissing is die het buitenlands voordeel toekent en tenslotte dat het de kennisgeving betreft aan de betrokkene en aan het uitbetalend organisme gezien het blijft gaan om deze beslissing die 'voornoemde voordelen toekent of verhoogt' en met deze 'voornoemde voordelen' het 'buitenlands voordeel' wordt bedoeld. In casu blijkt enerzijds uit de stukken van eiser, meer bepaald stuk 11 van het administratief dossier, dat het buitenlands orgaan, de Sociale Verzekeringsbank Utrecht, zijn 'beschikking toeslag AOW-pensioen' met brief van 25 november 1999 ter kennis bracht van eiser en anderzijds uit de stukken van verweerder, meer bepaald stuk 2 bundel verweerder dat deze kennisgeving op dezelfde datum (25 november 1999) eveneens aan verweerder gebeurde. (...) De aanvangsdatum van de verjaringstermijn van 6 maanden begint derhalve te lopen vanaf 25 november 1999 zijnde datum waarop de Nederlandse beschikking toeslag AOW-pensioen, beschikking die met zich meebracht dat verweerder vanaf augustus 1999 een teveel aan pensioen ontving, ter kennis gebracht werd zowel aan eiser (= uitbetalend organisme) als aan verweerder (= betrokkene). De beslissing tot terugvordering wordt echter door eiser slechts op 3 augustus 2000 betekend aan verweerder (stuk 1 administratief dossier eiser) zodat de termijn van zes maanden zoals voorzien in artikel 21, ,§3, tweede lid en in de interpretatie van het Hof van Cassatie, ruimschoots overschreden werd. De terugvordering is dan ook verjaard. Wat betreft de in ondergeschikte orde ingestelde vordering van eiser tot terugvordering van de bedragen die teveel zouden zijn uitbetaald gedurende de 6 maanden vóór de betekening van de terugvordering op 3 augustus 2000, is het (arbeidshof) van oordeel dat eiser ten onrechte de teveel betaalde bedragen die zouden zijn uitbetaald tussen 3 februari 2000 en 3 augustus 2000 terugvordert. Verkeerdelijk stelt eiser dat de bepalingen van het eerste en het tweede lid van artikel 21, ,§3, naast elkaar bestaan. Zowel uit de tekst van de wet als uit de bewoordingen van het arrest van het Hof van Cassatie van 3 november 2003 blijkt dat dit geenszins het geval is; het eerste lid van het betreffende artikel behandelt de gewone situatie waar eiser door een vergissing van zijnentwege of door het feit van aan hem verzwegen omstandigheden terugvordering moet doen. Het tweede lid van het betreffende artikel stelt dat wanneer de onverschuldigde betaling haar oorsprong vindt in de toekenning of verhoging van een buitenlands voordeel of een voordeel lastens een andere wetgeving, de terugvordering verjaart door verloop van 6 maanden vanaf de datum van de beslissing die de voornoemde voordelen toekent of verhoogt. Artikel 21, ,§3, tweede lid, is duidelijk een bepaling die afwijkt van de bepaling van het eerste lid In tegenstelling tot hetgeen eiser voorhoudt gaat het niet om twee bepalingen die naast mekaar bestaan maar wel om twee bepalingen die totaal andere situaties behandelen. Dit was trouwens ook de mening van het Hof van Cassatie in zijn arrest van 3 november 2003 waar het Hof in zijn motivering stelt dat het tweede lid van het betreffende artikel een bijzondere aanvangsdatum van de verjaringstermijn bepaalt wanneer de onverschuldigde betaling haar oorsprong vindt in de toepassing of de verhoging van een buitenlands voordeel. Even verder op hetzelfde bladzijde stelt het arrest nog : 'overwegende dat de wetgever, door te voorzien in deze bijzondere aanvangsdatum ...'. Het gaat dus onbetwistbaar om een bijzondere verjaringstermijn, die afwijkt van de gewone verjaringstermijnen. Overigens waar in de gewone situatie vanaf de betekening van een beslissing moet teruggegaan worden in de tijd om de verjaringstermijn te berekenen, wordt voor de bepaling in het tweede lid waar gehandeld wordt over voordelen tot gevolge van een buitenlandse beslissing, gesteld dat eiser vanaf een bepaalde datum (de kennisgeving van de buitenlandse beslissing) naar de toekomst toe 6 maanden heeft om de terugvordering van het teveel betaalde te betekenen. Het gaat dan ook duidelijk om de verjaring, niet van bedragen, maar van het vorderingsrecht zelf. Op pagina 9 van haar arrest van 3 november 2003 stelt het Hof trouwens : 'overwegende dat de wetgever, door te voorzien in deze bijzondere aanvangsdatum, heeft willen voorkomen dat de vordering tot terugbetaling van de onverschuldigde prestaties ...' ; hieruit kan enkel opgemaakt worden dat het inderdaad om het vorderingsrecht zelf gaat dat in haar totaliteit verjaard is. Dat de twee verjaringstermijnen niet naast elkaar bestaan blijkt ook uit de houding van eiser zelf. Indien de termijnen naast mekaar zouden bestaan zou verweerder alleszins wegens de goede trouw die in casu op geen enkel ogenblik in vraag werd gesteld, kunnen genieten van de verjaringstermijn van 6 maanden, zoals gebruikelijk, namelijk vanaf het ogenblik dat de beslissing hem door eiser werd betekend. Dit is niet het geval : eiser is ondanks deze goede trouw overgegaan tot de terugvordering van de totaliteit van het door hem teveel betaalde, zonder rekening te houden met een verjaringstermijn van 6 maanden. Dit gegeven bevestigt voormelde stelling: wanneer de onverschuldigde betaling haar oorsprong vindt in de toepassing of de verhoging van een buitenlands voordeel kan eiser alles terugvorderen wat hij teveel betaald heeft, tenminste indien hij deze terugvordering betekent binnen 6 maanden nadat hij op de hoogte werd gebracht van de buitenlandse beslissing. De terugvordering kan in dat geval verder in de tijd teruggaan dan de gebruikelijke 6 maanden in geval van goede trouw. Indien de vordering tot terugvordering van het teveel betaalde niet binnen de 6 maanden wordt betekend, vervalt het vorderingsrecht zelf". Grieven Enig onderdeel Het tweede lid van artikel 21, ,§3, van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden bepaalt : "Wanneer de onverschuldigde uitbetaling haar oorsprong vindt in de toekenning of de verhoging van een buitenlands voordeel of van een voordeel in een andere regeling dan deze bedoeld in paragraaf 1, verjaart de terugvordering door verloop van zes maanden te rekenen vanaf de datum van de beslissing die de voornoemde voordelen toekent of verhoogt". Door in deze bijzondere aanvangsdatum te voorzien, heeft de wetgever willen voorkomen dat de vordering tot terugbetaling van de onverschuldigde prestaties verjaard zou zijn vooraleer het betalend organisme het onverschuldigd karakter heeft kunnen vaststellen. Het betalend organisme kan dit immers pas vaststellen nadat de buitenlandse beslissing die de voordelen toekent of verhoogt, aan het betalend organisme ter kennis gebracht is. Vandaar dat de verjaringstermijn in geval van toekenning of verhoging van een buitenlands voordeel pas begint te lopen vanaf de kennisgeving van de buitenlandse beslissing aan het betalend organisme (Cass. 3 november 2003, J.T.T. 2004, 80 ; Cass. 14 december 1998, A.C. 98, 1123). Het tweede lid van artikel 21, ,§3, van de wet van 13 juni 1966 doet echter geen afbreuk aan het eerste lid van dit artikel dat bepaalt : "De terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde prestaties verjaart door verloop van zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is gebeurd". Deze bepaling vormt de algemene regel die steeds van toepassing is indien er aanleiding bestaat tot terugvordering, om welke reden ook. Het is immers niet de bedoeling geweest van de wetgever om door het tweede lid van artikel 21, ,§3, van de wet van 13 juni 1966 elke terugvordering uit te sluiten wanneer deze volgens het eerste lid van dit artikel niet verjaard is. Het eerste en tweede lid van artikel 21, ,§3, van de wet van 13 juni 1966 bestaan immers naast elkaar zodat elk van die twee leden dienen toegepast voor zover aan hun onderscheiden voorwaarden voldaan is. De Nederlandse beschikking toeslag AOW-pensioen, die met zich meebracht dat verweerder vanaf augustus 1999 een teveel aan pensioen ontving, werd volgens het bestreden arrest zowel aan eiser (uitbetalend organisme) als aan verweerder (betrokkene) ter kennis gebracht op 25 november 1999 zodat de verjaringstermijn van 6 maanden van artikel 21, ,§3, tweede lid, van de wet van 13 juni 1966 begon te lopen vanaf die kennisgeving en zodat de beslissing tot terugvordering van 3 augustus 2000 volgens het bestreden arrest genomen werd na het verstrijken van de termijn voorzien in het tweede lid van artikel 21, ,§
  2. Eiser vorderde, in ondergeschikte orde, overeenkomstig het eerste lid van artikel 21, ,§3, terugbetaling van de bedragen die teveel werden uitbetaald gedurende de 6 maanden vóór de betekening van de terugvordering op 3 augustus
  3. De verjaringstermijn uit het eerste en het tweede lid van artikel 21, ,§3, van de wet van 13 juni 1966 bestaan immers naast elkaar voor zover aan hun onderscheiden voorwaarden voldaan is zodat het tweede lid de terugvordering niet uitsluit wanneer aan de voorwaarden van het eerste lid voldaan is. Het bestreden arrest heeft dan ook ten onrechte beslist dat eiser vervallen is van het recht om overeenkomstig het eerste lid van artikel 21, ,§3, van de wet van 13 juni 1966 over te gaan tot terugvordering van de bedragen die teveel werden uitbetaald tussen 3 februari 2000 en 3 augustus 2000 louter omdat die terugvordering niet ingesteld werd binnen 6 maanden nadat eiser op de hoogte werd gebracht van de buitenlandse beslissing overeenkomstig het tweede lid van artikel 21, ,§3, van de wet van 13 juni 1966 (schending van artikel 21, ,§3, eerste en tweede lid, van de wet van 13 juni 1966). IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat het tweede lid van artikel 21, ,§3, van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden, voor de terugvordering van de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde prestaties, die ten onrechte werden uitbetaald, een bijzondere aanvangsdatum van de verjaringstermijn bepaalt wanneer de onverschuldigde betaling haar oorsprong vindt in de toepassing of de verhoging van een buitenlands voordeel of een voordeel in een andere regeling dan die bedoeld in paragraaf 1 ; Dat, luidens deze wetsbepaling, de verjaringstermijn begint te lopen "vanaf de datum van de beslissing die de voornoemde voordelen toekent of verhoogt" ; Dat uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de wetgever met de termen "vanaf de datum van de beslissing", in geval van toekenning of verhoging van een buitenlands voordeel, bedoeld heeft dat de verjaringstermijn begint te lopen vanaf de kennisgeving van de beslissing aan het betalend organisme ; Overwegende dat de wetgever, door te voorzien in deze bijzondere aanvangsdatum, heeft willen voorkomen dat de vordering tot terugbetaling van de onverschuldigde prestaties verjaard zou zijn vooraleer het betalend organisme het onverschuldigd karakter van de verleende prestaties heeft kunnen vaststellen ; Dat bij toekenning of verhoging van een buitenlands voordeel aan de betrokkene, het betalend organisme het onverschuldigd karakter van de reeds verleende prestaties pas kan vaststellen nadat de buitenlandse beslissing aan het betalend organisme ter kennis is gebracht ; Dat hieruit volgt dat de wetgever deze bijzondere aanvangsdatum van de verjaringstermijn uitsluitend bepaald heeft ten aanzien van onverschuldigde betalingen daterend van voor de voormelde kennisgeving van de bedoelde beslissing aan het betalend organisme ; Dat voor latere onverschuldigde betalingen de algemene regel van het eerste lid van artikel 21, ,§3, van de wet van 13 juni 1966 van toepassing blijft, luidens welke de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde prestaties verjaart door verloop van zes maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied ; Overwegende dat het arrest voor de terugvordering van onverschul-digde betalingen van pensioen, die hun oorsprong zouden vinden in de toepassing of verhoging van een buitenlands voordeel, de verjaringstermijn van zes maanden doet aanvangen op 25 november 1999, zijnde de datum van de in het tweede lid van artikel 21, ,§3, van de wet van 13 juni 1966 bedoelde kennisgeving van de beslissing aan het betalend organisme, dit ten aanzien van betalingen die gedaan zijn na de voormelde kennisgeving, meer bepaald tussen 3 februari 2000 en 3 augustus 2000 ; Dat het arrest aldus het eerste en tweede lid van artikel 21, ,§ 3, van de wet van 13 juni 1966 schendt ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat de terugvordering door eiser van de onverschuldigde pensioenbetalingen aan verweerder in de periode van 3 februari 2000 tot 3 augustus 2000 verjaard is ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Veroordeelt eiser in toepassing van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. De kosten begroot op de som van honderd zevenenveertig euro zesentwintig cent jegens de eisende partij en op de som van zevenentachtig euro negenentwintig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van eenentwintig november tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051121.16 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981214.7 geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060608.3 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.022 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031103.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.