← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051122.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051122.10 Rolnummer: P.05.0963.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-03-28 Raadplegingen: 740 - laatst gezien 2026-07-04 03:24 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De door de onrechtmatige daad veroorzaakte schade moet worden begroot naar het tijdstip dat dit van het effectieve herstel ervan zo dicht mogelijk benadert, d.i. praktisch naar het tijdstip van de uitspraak, in voorkomend geval na het hoger beroep

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Beoordelingsbevoegdheid. Raming. Peildatum Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Beoordelingsbevoegdheid. Raming. Peildatum Tijdstip van effectieve herstel Tijdstip van de uitspraak Fiche 2 Concl. proc.-gen. DE SWAEF, Cass., 22 nov. 2005, AR P.05.0963.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Beoordelingsbevoegdheid. Raming. Peildatum Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Beoordelingsbevoegdheid. Raming. Peildatum Tijdstip van effectieve herstel Tijdstip van de uitspraak Nota: P.05.0963.N Conclusie van de Procureur-generaal M. De Swaef.
  1. De eerste rechter heeft te dezen de schade "wegens het verlies van de economische waarde van de huisvrouw" begroot op basis van een bedrag van 2.456,22 EUR per jaar. Voor de periode tussen de datum van het ongeval (14 oktober 2003) en de datum van de uitspraak in eerste aanleg (9 december 2004), dit is 14 maanden, werd een vergoeding toegekend ten bedrage van (2.456,22 EUR: 12 x 14, vermeerderd met de compensatoire interest vanaf de gemiddelde datum (12 mei 2004). Voor de periode na het vonnis wordt een gekapitaliseerde vergoeding toegekend door kapitalisatie van een zekere rente over de overlevingsduur van de burgerlijke partij (10,43 jaar). Op dat bedrag is vanaf de datum van het vonnis gerechtelijke (moratoire) interest verschuldigd. De rechters in hoger beroep hebben in het vonnis van 8 juni 2005 de beslissing van de eerste rechter bevestigd, zonder zelf de schade te begroten.
  2. De burgerlijke partij voert aan dat de appelrechters, door het vonnis van de eerste rechter zonder meer te bevestigen, nagelaten hebben het onderscheid tussen de reeds geleden schade en de toekomstige schade te maken. De burgerlijke partij had voor de appelrechters aangevoerd dat dit onderscheid tussen reeds geleden schade en toekomstige schade moet worden gemaakt (zie conclusie neergelegd ter zitting van 27 april 2005, p. 15, in dossier hoger beroep genummerde p. 57) en de schade begroot op de vermoedelijke datum van uitspraak in hoger beroep.
  3. De rechter dient de schade te begroten op het ogenblik van de uitspraak. Voor door kapitalisatie berekende schade brengt dit mee dat de op die wijze berekende vergoeding alleen op toekomstige schade betrekking kan hebben. Kan op deze regel een uitzondering worden aanvaard indien de rechter in hoger beroep de beslissing van de eerste rechter zonder meer bevestigt en aldus aan dat vonnis volkomen uitwerking verleent, alsof er geen beroepsprocedure was?
  4. Deze vraag is blijkbaar nog niet in de rechtspraak aan bod gekomen. Er is mij wel één arrest bekend (zie hierna) waarin het Hof over een soortgelijk probleem diende te oordelen, namelijk de vraag of voor de toekenning van de interest de appelrechter de beslissing van de eerste rechter kan bevestigen, waardoor vanaf de uitspraak van de eerste rechter op het bedrag van de door die eerste rechter uitgesproken veroordeling moratoire interest verschuldigd is. Ook in dat geval rijst de vraag of de bevestiging van de beslissing van de eerste rechter een uitzondering rechtvaardigt op de regel dat de rechter de schade moet begroten op de dag van de uitspraak. Inzake interest impliceert deze regel dat slechts op die dag de vordering tot schadevergoeding (die op een waardeschuld betrekking heeft) wordt omgezet in een geldschuld, zodat vóór de uitspraak nooit moratoire interest (interest wegens niet-tijdige betaling van een geldschuld krachtens art. 1153 B.W.) verschuldigd kan zijn maar alleen compensatoire interest (interest tot vergoeding van schade wegens het uitstel van betaling van schadevergoeding krachtens art. 1382 B.W.). Als wordt aanvaard dat de appelrechters kunnen oordelen dat de eerste rechter de schade volledig correct heeft begroot, zodat zijn beslissing in al zijn aspecten kan worden bevestigd, is krachtens het door de appelrechters bevestigde vonnis van de eerste rechter, vanaf dat vonnis moratoire interest verschuldigd. In het zojuist vermelde arrest, van 22 juni 1983 (AR 2842, A.C., 1982-83, nr 587), oordeelde het Hof: "dat de rechter de moratoire interesten, die verschuldigd zijn op een aquiliaanse schadevergoeding, niet mag doen ingaan vóór de rechterlijke beslissing waarbij die vergoeding wordt toegekend; dat, wanneer het appelgerecht, zoals ten deze, een door de eerste rechter uitgesproken veroordeling tot schadevergoeding wijzigt, het de moratoire interesten niet mag berekenen met ingang van de datum van het beroepen vonnis". Uit het arrest zou a contrario kunnen worden afgeleid dat wanneer de appelrechter de beslissing van de eerste rechter bevestigt, de moratoire interest wel vanaf de datum van het beroepen vonnis verschuldigd is.
  5. Dit was overigens de oplossing die het Franse Hof van cassatie heeft aangenomen, o.a. in een arrest van 24 februari 1970 waarnaar de noot onder het besproken arrest in A.C. verwijst. In dat arrest (Cass. crim., 24 februari 1970, Bull. crim. 1970, nr 73) oordeelde het Franse Hof dat de appelrechters de aansprakelijke naar recht veroordelen tot moratoire interest, vanaf de datum van het beroepen vonnis, op de door de eerste rechter toegekende schadevergoedingen waarvan de appelrechters het bedrag hadden bevestigd: "Qu'en effet une créance délictuelle prenant naissance du jour où elle est allouée judiciairement et pouvant produire des intérêts à partir dudit jour, c'est à bon droit que les juges du fond ont décidé que les intérêts afférents à ces créances seraient dus dans les limites où elles ont été confirmées par la Cour (d'appel), à compter du jugement". Het Franse Hof van cassatie oordeelde al vroeger in dezelfde zin (b.v. Cass. crim., 14 oktober 1958, Bull. crim. 1958, nr 617; Cass. 2e civ., 26 april 1967, Bull. civ. 1967, II, nr 157). Nadien koppelde de strafkamer van het Hof de aanvang van moratoire interest aan de uitvoerbaarheid van de rechterlijke beslissing (Cass. crim., 26 juli 1972, Bull. crim. 1972, nr 261; Cass. crim., 15 maart 1973, Bull. crim. 1973, nr 132), zo bijvoorbeeld aan een definitieve (en bijgevolg uitvoerbare) uitspraak in hoger beroep (Cass. crim., 20 juli 1972, Bull. crim., 1972, nr 250). Interest die werd toegekend vóór de definitieve (en uitvoerbare) rechterlijke beslissing, bijvoorbeeld vanaf het vonnis van de eerste rechter, was dan noodzakelijkerwijze een compensatoire interest (Cass. crim., 26 april 1979, Bull. crim. 1979, nr 150). Van eenduidigheid en transparantie getuigde deze rechtspraak niet echt (zie ook besprekingen van deze rechtspraak noot Puech onder Cass. crim, 27 maart 1979 en 26 april 1979, D. 1979, IR, 528; Y. Chartier, La réparation du préjudice dans la responsabilité civile, Parijs, Dalloz, 1983, nr 437). De wetgever heeft in Frankrijk een einde gemaakt aan de onzekerheid door een wijziging in 1985, door de wet Badinter, van de Code civil. Een nieuw art. 1153-1 Code civil heeft betrekking op de verschuldigdheid van wettelijke interest van rechtswege, in de regel vanaf de uitspraak. Wat het hoger beroep betreft, bepaalt art. 1153-1, tweede lid, Code civil: "En cas de confirmation pure et simple par le juge d'appel d'une décision allouant une indemnité en réparation d'un dommage, celle-ci porte de plein droit intérêt au taux légal à compter du jugement de première instance. Dans les autres cas, l'indemnité allouée en appel porte intérêt à compter de la décision d'appel. Le juge d'appel peut toujours déroger aux dispositions du présent alinéa" (zie hierover G. Viney en P. Jourdain, Les effets de la responsabilité in J. Ghestin (ed.), Traité de droit civil, Parijs, L.G.D.J., nr 346, p. 620-621).
  6. Hoe kan vanuit het schadevergoedingsrecht de gestelde vraag worden beantwoord? Het tijdsverloop heeft een weerslag op de begroting van de schade of kan daarop een weerslag hebben, zodat het in het algemeen te verkiezen is dat de rechter de schade begroot op het ogenblik van de uitspraak: - Kapitalisatie vanaf de uitspraak kan ertoe bijdragen dat de basis voor kapitalisatie preciezer wordt bepaald. Het heeft geen zin te kapitaliseren op basis van een inkomen uit het verleden dat op het ogenblik van de uitspraak niet meer actueel blijkt te zijn. - Wanneer de rechter een lijfrente kapitaliseert (dit is rekening houdende met het overlijdensrisico tijdens de periode waarover wordt gekapitaliseerd; de tafels voor kapitalisatie van een lijfrente worden doorgaans "tafels Levie" genoemd), is het evident te kapitaliseren op het ogenblik van de uitspraak. Kapitalisatie op een vroeger ogenblik zou meebrengen dat een overlijdensrisico werd verdisconteerd terwijl op het ogenblik van de uitspraak vaststaat dat dit risico zich niet heeft gerealiseerd. - Wanneer de rechter een zekere rente kapitaliseert over de vermoedelijke levensduur van de benadeelde, is het eveneens van belang de vermoedelijke levensduur te bepalen op het ogenblik van de uitspraak. Zeker voor oudere personen kan dit een (relatief) belangrijk verschil uitmaken. - Wanneer de rechter een zekere rente over een vaste periode kapitaliseert, is kapitalisatie op een vroeger tijdstip dan de uitspraak tegen dezelfde rente als die waartegen compensatoire interest wordt berekend (met toekenning van compensatoire interest tegen dezelfde rentevoet op het aldus berekende kapitaal) nadeliger dan toekenning van een schadevergoeding die bestaat in enerzijds een vergoeding over het verleden op basis van hetzelfde basisbedrag als datgene dat wordt gekapitaliseerd, met toekenning vanaf een gemiddelde datum van compensatoire interest (tegen dezelfde rentevoet als de rekenrente voor kapitalisatie) en anderzijds een gekapitaliseerde vergoeding die alleen op de toekomstige schade betrekking heeft (zie rekenvoorbeeld bij B. De Temmerman, "Interest bij schadevergoeding uit wanprestatie en onrechtmatige daad. Een stand van zaken, tevens aanleiding tot een kritische beschouwing over de grondslagen van het Belgisch schadevergoedingsrecht", T.P.R. 1999, 1429-1431, voetnoot 483). De regel dat de rechter, wanneer hij de vergoeding door kapitalisatie berekent, een onderscheid moet maken tussen de in het verleden geleden schade en de toekomstige schade, is dan ook een goede regel.
  7. Is het een regel waaraan steeds moet worden vastgehouden, ongeacht of één van de partijen daarom heeft verzocht, en waarop beide partijen zich moeten kunnen beroepen om cassatie te verkrijgen van een beslissing die deze regel niet heeft toegepast? Kapitalisatie is een wijze van berekening van schadevergoeding. Door kapitalisatie wordt berekend met welk bedrag een toekomstige schade op een bepaald tijdstip overeenstemt. Uitgangspunt voor de begroting is dat het slachtoffer een blijvende schade lijdt die kan worden begroot op een per tijdseenheid (maand, jaar) verschuldigd bedrag (periodieke rente, b.v. annuïteit). Door kapitalisatie wordt de contante waarde van dit bedrag op de kapitalisatiedatum bepaald. Om de in nr 6 vermelde reden is het te verkiezen als kapitalisatiedatum de datum van uitspraak te nemen. De partijen zouden evenwel anders kunnen overeenkomen. Het valt niet meteen in te zien welke dwingende reden eraan in de weg zou staan dat de rechter door zo een overeenkomst gebonden zou zijn. Kapitalisatie op een vroeger tijdstip dan de uitspraak kan in het nadeel van de benadeelde zijn wanneer de rekenrente voor kapitalisatie en de compensatoire rentevoet dezelfde zijn. Kapitalisatie op een vroeger tijdstip dan de uitspraak kan echter ook in het voordeel van de benadeelde zijn bijvoorbeeld indien de gekapitaliseerde vergoeding wordt berekend tegen een rekenrente (b.v. 3%) die lager is dan die waartegen compensatoire interest wordt toegekend (b.v. 5%) en indien op de aldus berekende vergoeding wettelijke interest (tegen b.v. 7%) wordt toegekend. De vraag wie belang heeft bij de toepasselijkheid van de regel dat de rechter de schade moet begroten op het tijdstip van de uitspraak zodat hij op dat ogenblik het onderscheid moet maken tussen de in het verleden geleden schade en de toekomstige schade, hangt af van de gegevens van de zaak.
  8. Eiser heeft voor de appelrechters een nieuwe begroting van de schadevergoeding gevorderd. Hij voert in zijn middel aan dat de rechter op verzoek van partijen een onderscheid moet maken tussen de reeds geleden schade en de toekomstige schade en hij wijst erop dat de appelrechters de berekening van de eerste rechter overnemen. Eiser leidt hieruit af dat de appelrechters "aldus bij de begroting van de aan eiser verschuldigde vergoeding voor de materiële schade uit het verlies van huishoudelijke arbeid van zijn echtgenote, een gedeelte van de op datum van de uitspraak reeds geleden schade, nl. de schade geleden van 9 december 2004 (beroepen vonnis) tot 8 juni 2005 (vonnis in hoger beroep) begroten door toepassing van de kapitalisatiemethode". Het middel dat schending aanvoert van de artikelen 1382 en 1383 B.W. is aldus gegrond. Conclusie: cassatie in zoverre uitspraak wordt gedaan over de materiële schade die eiser lijdt door het verlies van de economische waarde van de huishoudelijke arbeid van zijn echtgenote. Tekst van de beslissing Nr. P.05.0963.N P J, eiser, burgerlijke partij, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
  9. B A C L, beklaagde,
  10. ING INSURANCE ANTWERPEN nv, met zetel te Antwerpen, Desguinlei 92, vrijwillig tussengekomen partij, verweersters. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 8 juni 2005 in hoger beroep gewezen door de Correctionele Rechtbank te Mechelen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade moet worden begroot naar het tijdstip dat dit van het effectieve herstel ervan zo dicht mogelijk benadert, dit is praktisch naar het tijdstip van de uitspraak, in voorkomend geval na het hoger beroep; Dat, wanneer de rechter de raming van de schade grondt op een kapitalisatieberekening, hij ertoe gehouden is, wanneer één van de partijen dit verzoekt, de reeds geleden schade te onderscheiden van de toekomstige schade; Overwegende dat eiser voor de appelrechters vergoeding vorderde van de schade die hij lijdt door het verlies van de economische waarde van de huishoudelijke arbeid van zijn door een dodelijk ongeval getroffen echtgenote; Dat hij daarbij een onderscheid maakte tussen de reeds tot de uitspraak in hoger beroep geleden schade en de toekomstige schade; Overwegende dat de appelrechters de berekening door de eerste rechter van de vergoeding van deze schade overnemen; Dat de eerste rechter, in het vonnis van 9 december 2004, voor de berekening van de schade het onderscheid maakt tussen de reeds op het ogenblik van dat vonnis geleden schade en de toekomstige schade; Dat de appelrechters zodoende niet het onderscheid maken, op het ogenblik van hun uitspraak, tussen de reeds geleden schade en de toekomstige schade; Dat zij aldus de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek schenden; Dat het middel gegrond is; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de materiële schade die eiser lijdt door het verlies van de economische waarde van de huishoudelijke arbeid van zijn echtgenote; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis; Veroordeelt de eiser in de helft en de verweersters in de overige helft van de kosten; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Correctionele Rechtbank te Antwerpen, zitting houdende in hoger beroep. Gezegde kosten begroot op de som van honderd eenentwintig euro een cent, waarvan eenennegentig euro een cent verschuldigd en dertig euro door eiser betaald. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Paul Maffei, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van tweeëntwintig november tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051122.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091023.2 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240422.3F.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100304.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.