id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051122.6 Rolnummer: P.05.0717.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-21 Raadplegingen: 695 - laatst gezien 2026-07-04 06:57 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Belangenneming houdt in dat de persoon die een openbaar ambt uitoefent, een belang neemt in verrichtingen, aanbestedingen, aannemingen of werken die behoren tot zijn ambtsbevoegdheid, door zich te mengen in aangelegenheden die vreemd zijn aan die bevoegdheid en die daarmee onverenigbaar zijn
(1).
(1)Zie concl. van het O.M. Thesaurus CAS: AMBTENAAR - ALLERLEI Vrije woorden: AMBTENAAR - ALLERLEI Belangenneming Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1867 - Art.245 Fiche 2 Concl. proc.-gen. DE SWAEF, Cass., 22 nov. 2005, AR P.05.0717.N, A.C. 2005, nr ... Thesaurus CAS: AMBTENAAR - ALLERLEI Vrije woorden: AMBTENAAR - ALLERLEI Belangenneming Nota: P.05.0717.N Procureur-generaal M. De Swaef heeft in substantie gezegd:
- H.D. komt in cassatie tegen zijn veroordeling hoofdens belangenneming (art. 245, Sw.). De appelrechters stellen vast dat eiser in cassatie een persoonlijk belang had bij het in zijn hoedanigheid van burgemeester o.a. onbewoonbaar verklaren van een woning, aangekocht door eisers broer voor diens dochter, doordat eiser hierdoor zijn positie versterkte in de onenigheid met zijn broer Volgens de appelrechters putte eiser alzo ook voordeel m.b.t. een te verlenen recht van uitweg ten gunste van het gewraakte goed over een erf waarvan eiser mede-eigenaar was. De appelrechters komen tot het besluit dat eiser door zijn betrekking zijn private belangen kon bevorderen: de onbewoonbaarverklaring maakte de kans dat eisers broer in zijn nabijheid een vaste stek kreeg, wat hij node zag gebeuren, kleiner. En het gegeven dat eiser openlijk heeft gehandeld neemt, aldus het bestreden arrest, de strafbaarheid niet weg.
- Namens eiser wordt in een memorie één middel bestaande uit twee onderdelen aangevoerd. In het eerste onderdeel wordt schending aangevoerd van artikel 245, Sw. In essentie wordt betoogd dat eiser niet wettig kon worden veroordeeld omdat uit de bewezen verklaarde feitelijke gegevens niet kon worden afgeleid dat hij enig belang zou hebben genomen of aanvaard in verrichtingen, aanbestedingen, aannemingen of werken in regie waarover hij ten tijde van de handeling geheel of ten dele het beheer of toezicht had. Die stelling wordt onderbouwd door het gegeven dat eiser geen verrichting of handeling buiten zijn ambtsdaden heeft gesteld en hierin dus geen belang kan hebben genomen of aanvaard, terwijl artikel 245, Sw. precies betrekking heeft op verrichtingen en handelingen buiten het ambt, waarvan de betrokken ambtsdrager zich dient te onthouden omdat hij deze verrichtingen en handelingen dient te beheren of te controleren. De loutere omstandigheid dat een persoon die een openbaar ambt uitoefent, een moreel of materieel belang kan ondervinden ingevolge het uitvaardigen van een overheidsbeslissing die tot zijn ambt behoort, is, aldus eiser, niet te beschouwen als het in artikel 245, Sw. bedoelde misdrijf. In het tweede onderdeel van het middel wordt schending van artikel 149, Grondwet aangevoerd. Er zou geen antwoord zijn verstrekt op de conclusies van eiser waarin de in het eerste onderdeel bedoelde argumentatie werd ontwikkeld.
- Belangenneming is het misdrijf dat erin bestaat dat een ambtenaar of daarmee gelijk te stellen persoon een handeling stelt of een toestand gedoogt waardoor hij een voordeel kan behalen uit zijn ambt; bestraft wordt aldus het vermengen van het algemeen belang met het particulier belang (F. VAN VOLSEM en D. VAN HEUVEN, "Belangenneming", in Commentaar Strafrecht, Mechelen, Kluwer, 1997, nr 3). Eisers kritiek op het arrest richt zich op een element van het misdrijf dat er zou in bestaan dat geen belang werd genomen in zaken die vreemd zijn aan het ambt van burgemeester en er derhalve geen belang werd genomen in met het ambt of de bediening onverenigbare zaken. Dit element van "onverenigbare zaken met het ambt of de bediening" wordt teruggevonden in de doctrine. Men kan verwijzen naar DE NAUW (Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2002, nr 67), GOEDSEELS (Commentaire du Code pénal belge, Brussel, Bruylant, 1948, nr 1596: "Le seul fait, posé avec connaissance et volonté, de l'immixtion des fonctionnaires publics dans les affaires ou commerces incompatibles avec leurs fonctions, constitue le délit prévu par l'article 245 (...)") en RIGAUX en TROUSSE: "L'article 245 du Code pénal vise uniquement l'immixtion intéressée du fonctionnaire dans les affaires étrangères à ses fonctions et qui lui sont interdites (...)", Les crimes et les délits du Code pénal, Brussel, Bruylant, 1963, IV, 274). Bij de opsomming van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf vinden we bij GOEDSEELS en RIGAUX en TROUSSE dit element echter niet uitdrukkelijk terug. Het klassieke domein waar belangenneming toepassing kan vinden, is veelal de sector van de overheidsopdrachten, als personen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken zijn bij een onderneming die een overheidsopdracht voor werken, leveringen of diensten uitvoert, tegelijkertijd binnen de overheid een beheers- of toezichtsfunctie hebben (voor een overzicht: F. VAN VOLSEM en D. VAN HEUVEN, l.c., nr 18), bv. een schepen die zelf of via een tussenpersoon werken uitvoert voor de gemeente (J. CONSTANT, Manuel de droit pénal, Luik, 1953, nr 510). Ander voorbeeld is evenwel de notaris die betrokken is bij een akte waarvoor zijn tussenkomst wordt bevolen door de rechter of goederen zou verwerven uit een openbare verkoop waarmee hij is belast (Cfr. J. GOEDSEELS, o.c., nr 1604).
- Het element van "onverenigbare zaken" wordt ook teruggevonden in rechtspraak van het Hof van cassatie. In zijn memorie verwijst eiser naar die rechtspraak. In het arrest van 16 december 1920 werd geoordeeld: "que le délit existe par le seul fait de l'immixtion du fonctionnaire dans des affaires incompatibles avec ses fonctions, sans qu'il y ait lieu de s'enquérir des suites de l'immixtion" (Cass., 16 dec. 1920, Pas. 1921, I, 180). In het arrest van 28 februari 1955 wordt herhaald dat het bij artikel 245 van het Strafwetboek voorziene misdrijf door het enkele feit van de inmenging van de ambtenaar in de met zijn bediening onverenigbare zaken ontstaat (Cass., 28 feb. 1955, A.C. 1955, 551). Uit het arrest van 24 oktober 1974 volgt eveneens dat het bij artikel 245 Strafwetboek voorziene misdrijf bestaat door het enkele feit van de inmenging van de ambtenaar in de met zijn bediening onverenigbare zaken, zonder dat daartoe bedrieglijk opzet is vereist (Cass., 24 okt. 1974, A.C. 1975, 255). Dit element van "onverenigbaarheid" komt tenslotte nog terug in een arrest van 10 juni 1998 (Cass., 10 juni 1998, A.C. 1998, nr 297). In het arrest van 1 februari 1978 werd geoordeeld dat de termen "beheer" en "toezicht" betrekking hebben op activiteiten die uitgeoefend worden door een ambtenaar, een openbaar officier, of ieder met een openbare dienst belast persoon, niet als particulier, maar uit plicht van zijn bediening; daarvan was sprake voor een persoon die lid was van de bestendige deputatie van de provincieraad en die een belang had genomen in een door een gemeente georganiseerd bedrijf vermits hij de mogelijkheid had zijn belangen te bevorderen uit hoofde van zijn officiële bediening (Cass., 1 feb. 1978, A.C. 1978, 656). In dezelfde lijn ligt de rechtspraak van het Hof waarbij de toepassing van artikel 245, Sw. eveneens aan de orde is ten aanzien van een schepen van openbare werken die meedoet aan een openbare aanbesteding waarover hij toezicht uitoefende (Cass., 8 dec. 1965, Pas. 1966, I, 486) en ten aanzien van een inspecteur die zich akkoord had verklaard om dierenartsen over wie hij controle dient uit te oefenen, te vervangen (Cass., 27 mei 1963, Pas. 1963, I, 1029).
- Voor het misdrijf van belangenneming of belangenvermenging van artikel 245, Sw. is derhalve vereist dat een openbaar ambtenaar een belang heeft genomen in een verrichting, aanbesteding, aanneming of werk waarover hij het beheer of het toezicht had. Dat belang kan een louter moreel belang zijn (F. VAN VOLSEM en D. VAN HEUVEN, l.c., nr 15 en de verwijzingen aldaar en "(...) l'infraction existe-t-elle du moment qu'a existé pour le fonctionnaire la simple possibilité de favoriser ses intérêts personnels à la faveur de sa position officielle, peu importe qu'il l'ait fait ou non, voire même qu'il en ait eu l'intention ou non. L'infraction est établie dès que l'incompatibilité entre l'intérêt privé et l'exercice de la mission officielle a existé, qu'il ait eu, en fait, abus ou non, préjudice ou non, intention doleuse ou non" (M. RIGAUX en P.E. TROUSSE, o.c., 268). De onverenigbaarheid moet dus bestaan tussen het privaat belang wat dat ook moge weze, materieel of moreel, of zelfs toekomstig en de uitoefening van de openbare functie oftewel het openbaar belang. Is dit het geval, dan bestaat de "vermenging" van belangen, private en publieke: dit is nu precies hetgeen de wetgever heeft willen bestraffen.
- Zoals reeds gezegd moet volgens eiser de belangenneming betrekking hebben op verrichtingen en handelingen buiten het ambt waarvan de ambtenaar zich dient te onthouden omdat hij deze verrichtingen en handelingen dient te beheren of controleren. Gelet op het feit dat te dezen de betrokken handelingen zoals het besluit tot onbewoonbaarverklaring precies werden genomen in de hoedanigheid van openbaar ambtenaar, zou dit derhalve verhinderen dat er van het misdrijf van artikel 245, Sw. sprake kan zijn. M.a.w., volgens eiser zijn er bij belangenneming twee niveau's: er is vooreerst een ambtsniveau dat bestaat uit het verrichten binnen de openbare functie van het beheer of het toezicht; daaronder zijn er de verrichtingen, aanbestedingen, aannemingen of werken in regie waarop het beheer of het toezicht betrekking heeft. Maar houdt de tekst van artikel 245, Sw. wel de vereiste in dat steeds belang wordt genomen in verrichtingen die als zodanig buiten de uitoefening van het ambt staan? Niettegenstaande het merendeel van de zaken aan die vereiste voldoen, valt hieraan te twijfelen. Immers waar eiser betoogt dat de verboden belangenneming precies betrekking heeft op de verrichtingen en handelingen buiten het ambt, waarvan de betrokken ambtsdrager zich moet onthouden omdat hij deze dient te beheren en te controleren, gaat hij voorbij aan het feit dat de handelingen die in artikel 245, Sw. bedoeld zijn ook handelingen kunnen zijn die behoren tot het ambt en die derhalve kunnen worden gesteld door de ambtenaar die er het beheer over heeft. Dit blijkt uit de kwalificatie van de feiten zelf en volgt overigens ook uit het aangehaalde arrest van het Hof van 1 februari
- Het voorbeeld dat eiser geeft om deze stelling te ontkrachten overtuigt niet. Hij verwijst hierbij naar gemeenteraadsleden die dan geen verlaging van de gemeentelijke belastingen zouden kunnen goedkeuren, aangezien ook de gemeenteraadsleden hierdoor minder belastingen moeten betalen. Die casus is echter totaal verschillend met deze die de appèlrechters hier te beoordelen hadden en waarbij eiser in cassatie de enige belanghebbende was van de door hem gestelde ambtsdaad. De door de appèlrechters gedane lezing van artikel 245, Sw. vindt ten andere ook aansluiting bij een arrest van het Hof van 4 mei
- In dat arrest werd beslist: "que l'article 245 du Code pénal a en vue tous les actes dont une personne chargée d'un service public a l'administration ou la surveillance et dans lesquels elle prend un intérêt quelconque; Que le mot acte y est l'équivalent d'affaire, et qu'il a, dès lors, la portée la plus large (...)" (Cass., 4 mei 1896, Pas. 1896, I, 178). Het ging in casu om een ontvanger die belast was met het verrichten van betalingen in het kader van de uitvoering van zijn ambt. In de zaak waarover het Hof thans dient te oordelen nam eiser als burgemeester een belang (het versterken van zijn positie ten opzichte van zijn broer) in de onbewoonbaarverklaring van de kwestieuze woning (de handeling waarover hij als burgemeester toezicht had of waarover hij het beheer had). Artikel 245, Sw. sluit zulke situatie niet uit, zodat het bestreden arrest geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het eerste onderdeel kan m.i. aldus niet tot cassatie leiden.
- In het tweede onderdeel wordt aangevoerd dat niet werd geantwoord op de argumentatie dat voor de toepassing van artikel 245, Sw. vereist is dat er sprake is van inmenging in zaken die vreemd en onverenigbaar zijn met de openbare bediening van de desbetreffende ambtsdrager en dat de loutere omstandigheid dat het uitvaardigen van een overheidsbeslissing een persoonlijk belang in hoofde van deze laatste met zich meebrengt op zichzelf niet impliceert dat er sprake zou zijn van belangenneming in de zin van artikel 245, Sw. Die grief mist feitelijke grondslag: er werd antwoord gegeven op deze argumentatie. Dit blijkt uit randnummer 8.1 van het bestreden arrest: "Evenmin relevant is te weten of de beslissingen vermeld in de telastelegging zich ook in het algemeen belang opdrongen en/of uiteindelijk ook het algemeen belang dienden, nu een antwoord in de ene of de andere zin niet van aard is de schuld aan belangenneming weg te nemen"; uit randnummer 9.2.2 in fine; uit randnummer 9.3: "Uit hetgeen hiervoor onder 9.2.2 wordt overwogen blijkt dat de beklaagde in de gegeven omstandigheden door zijn betrekking zijn private belangen kon bevorderen" en uit randnummer 10: "De beklaagde heeft tot vier maal toe als burgemeester wetens en willens, dit is bewust en buiten elke dwang, zijn persoonlijk belang vermengd met het belang van de gemeenschap, uitsluitend met het oog op het dienen van zijn persoonlijke belangen".
- Conclusie: verwerping. Tekst van de beslissing Nr. P.05.0717.N D D H J A F X M G, eiser, beklaagde, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
- D D H,
- D D P, verweerders, burgerlijke partijen, met als raadsman mr. Clive Van Aerde, advocaat bij de balie te Brugge. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 29 april 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Afstand Overwegende dat mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, namens eiser zonder berusting afstand van het cassatieberoep doet in zoverre dit gericht is tegen de beslissing waarbij het arrest uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering, met uitzondering evenwel van het beginsel van aansprakelijkheid; B. Onderzoek van het middel
- Eerste onderdeel Overwegende dat artikel 245, eerste lid, Strafwetboek strafbaar stelt iedere persoon die een openbaar ambt uitoefent en die hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenpersonen of door schijnhandelingen, enig belang, welk het ook zij, neemt of aanvaardt in de verrichtingen, aanbestedingen, aannemingen of werken in regie waarover hij ten tijde van de handeling geheel of ten dele het beheer of het toezicht had, of die, belast met de ordonnancering van de betaling of de vereffening van een zaak, daarin enig belang neemt; Dat die bepaling vóór haar wijziging bij de wet van 10 februari 1999, in werking getreden op 2 april 1999, dezelfde belangenneming door iedere openbaar officier of ambtenaar of iedere met een openbare dienst belastbare persoon, strafbaar stelde; Overwegende dat het misdrijf van belangenneming, bepaald in artikel 245 Strafwetboek, zoals van toepassing zowel vóór als na zijn wijziging door de wet van 10 februari 1999, erin bestaat dat een persoon die een openbaar ambt uitoefent, een handeling stelt of een toestand gedoogt waardoor hij een voordeel kan behalen uit zijn ambt; Dat aldus wordt bestraft het vermengen van het algemene belang met het particuliere belang; Overwegende dat de in artikel 245 Strafwetboek vermelde woorden "beheer" en "toezicht" betrekking hebben op handelingen die een persoon die een openbaar ambt uitoefent, niet stelt als particulier maar uit plicht van zijn bediening; Dat hieruit volgt dat belangenneming inhoudt dat de persoon die een openbaar ambt uitoefent, een belang neemt in verrichtingen, aanbestedingen, aannemingen of werken die behoren tot zijn ambtsbevoegdheid, door zich te mengen in aangelegenheden die vreemd zijn aan die bevoegdheid en die daarmee onverenigbaar zijn; Overwegende dat het middel, dat aanvoert dat de in artikel 245 Strafwetboek bedoelde belangenneming geen betrekking heeft op verrichtingen en handelingen die behoren tot de bevoegdheid van wie een openbaar ambt uitoefent maar enkel op handelingen en verrichtingen die daaraan vreemd zijn, faalt naar recht;
- Tweede onderdeel Overwegende dat het arrest oordeelt dat eiser in de handelingen van onbewoonbaar verklaren van de aangekochte woning, van intrekking van die beslissing en van het richten van een verzoek tot geschiktheidonderzoek aan het AHROM, waarover hij als burgemeester het beheer of de toezicht had, een belang nam door inmenging in het belangenconflict met zijn broer, conflict dat zijn ambtsbevoegdheden vreemd en ermee onverenigbaar is; dat het aldus het bedoelde verweer verwerpt en beantwoordt; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat, wat de strafvordering betreft, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verleent akte van de afstand; Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van tweeëntachtig euro drieëntwintig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Paul Maffei, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van tweeëntwintig november tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051122.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111026.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101026.7 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151124.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220126.2F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div