id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051122.9 Rolnummer: P.05.0944.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2006-09-21 Raadplegingen: 605 - laatst gezien 2026-07-04 10:17 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer een partij de beslissende eed aan de andere partij opdraagt of deze laatste de eed aan eerstgenoemde terugwijst, neemt de civielrechtelijke betwisting omtrent het rechtsfeit waarvan het bestaan ontkend werd, definitief en onherroepelijk een einde en de tegenpartij van deze die de eed heeft afgelegd kan dat feit om welke redenen ook niet meer opnieuw voor welk gerecht ook ter sprake brengen; hieruit volgt dat geen schadevergoeding wegens valse gedingbeslissende eed kan worden gevorderd en de strafvordering wegens dat feit, ongeacht het recht van het openbaar ministerie om die in te stellen, niet op initiatief van de burgerlijke partij kan worden ingesteld
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: EED Vrije woorden: EED Beslissende eed Valse gedingbeslissende eed Vordering tot schadevergoeding Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1867 - Art.226 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Valse gedingbeslissende eed Vordering tot schadevergoeding Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1867 - Art.226 Fiches 3 - 4 Concl. proc.-gen. DE SWAEF, Cass., 22 nov. 2005, AR P.05.0944.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: EED Vrije woorden: EED Beslissende eed Valse gedingbeslissende eed Vordering tot schadevergoeding Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Valse gedingbeslissende eed Vordering tot schadevergoeding Nota: P.05.0944.N Conclusie van de Procureur-generaal M. De Swaef.
- In deze zaak is de vraag aan de orde naar de mogelijkheid van de tegenpartij die een gedingbeslissende eed heeft opgedragen, om zich al dan niet op ontvankelijke wijze burgerlijke partij te stellen tegen de persoon die beschuldigd is van het afleggen van een valse gedingbeslissende eed. De eisers hadden zich voor de onderzoeksrechter burgerlijke partij gesteld nadat zij een geding voor de vrederechter hadden verloren ingevolge een gedingbeslissende eed. Het ging meer bepaald om de gedingbeslissende eed waarin is voorzien door artikel 1715, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek en die kan worden opgedragen aan een partij die het bestaan van een huur uiteraard zonder geschrift ontkent. Nadat de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen had beslist dat de burgerlijke partijstelling omwille van artikel 1363 van het Burgerlijk Wetboek onontvankelijk was, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling eveneens het hoger beroep van eisers onontvankelijk verklaard om reden dat de oorspronkelijke burgerlijke partijstelling niet ontvankelijk was. Tegen deze beslissing voeren de eisers één cassatiemiddel aan waarin schending wordt aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet, de artikelen 1357 en 1363 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 215 tot en met 226 van het Strafwetboek, de artikelen 3 en 4 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, de artikelen 63 en 66 van het Wetboek van Strafvordering en tenslotte ook de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. In de veronderstelling dat ingevolge de rechtspraak van het Hof van Cassatie de civielrechtelijke vordering van de tegenpartij van een persoon die ervan wordt beschuldigd een valse gedingbeslissende eed te hebben afgelegd, niet ontvankelijk is, vragen de eisers dat daaromtrent twee prejudiciële vragen zouden worden gesteld aan het Arbitragehof.
- Overeenkomstig artikel 1357, 1°, van het Burgerlijk Wetboek is de beslissende eed de eed die door de ene partij aan de andere wordt opgedragen om de beslissing van de zaak daarvan te doen afhangen. Artikel 1363 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat wanneer de opgedragen of teruggewezen eed is afgelegd, de tegenpartij niet ontvankelijk is om de valsheid daarvan te bewijzen. Op grond daarvan is een civielrechtelijke vordering dan ook uitgesloten tegen de persoon die de valse eed heeft afgelegd, maar deze laatste kan wél overeenkomstig artikel 226 van het Strafwetboek worden gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een geldboete van 26 tot 10.000 Euro en hij kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33 van hetzelfde wetboek. Indien een beslissende eed is afgelegd desgevallend nadat deze werd teruggewezen is het civielrechtelijk geschil daardoor definitief beslecht, ook indien de eed naderhand vals bleek te zijn ingevolge een strafvervolging of ingevolge de ontdekking van nieuwe stukken (H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, Brussel, Bruylant, 1967, III, nr 1060). Aan de basis van de gedingbeslissende eed ligt immers een gedachte van overeenkomst ten grondslag; het gevolg is dat indien een partij aan de ander de beslissende eed opdraagt, zij daar niet meer op kan terugkomen: "(...) dès que l'une des parties a choisi cette voie, il se conçoit tout aussi qu'elle-même ne puisse modifier son attitude lorsque l'autre partie l'y a suivie, et a accepté de prêter serment, ou l'a référé" (H. DE PAGE, o.c., nr 1058). In artikel 1364 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de partij die de eed heeft opgedragen of teruggewezen, daarop niet meer kan terugkomen, wanneer de tegenpartij zich heeft bereid verklaard die eed af te leggen. Men zou kunnen zeggen dat de partij die zijn toevlucht heeft genomen tot de gedingbeslissende eed "het risico" dient te dragen dat de andere partij die de beslissende eed aflegt, een valse eed aflegt (Cfr. R. DEKKERS, Handboek burgerlijk recht, Antwerpen, Standaard, 1971, II, nr 752). "Si on choisit le terrain de la conscience, celui qui en prend la responsabilité doit être également prêt à l'affronter. C'est, en un certain sens, la rançon du droit que la loi lui reconnaît" (H. DE PAGE, o.c., nr 1039 B). Conform die gedachte valt het te begrijpen dat niet enkel overeenkomstig artikel 1363 van het Burgerlijk Wetboek een civielrechtelijke vordering is uitgesloten, doch ook dat de uitslag van het geding van de eed afhangt en eventueel hoger beroep in beginsel niet ontvankelijk zal zijn (zie daarover: H. DE PAGE, o.c., nr 1060). DE PAGE stelt over deze gevolgen: "Les différentes conséquences de la prestation du serment litisdécisoire que nous venons de préciser, ne résultent, au fond, que de l'application pure et simple de l'article 1134 du Code civil. En déférant le serment ou en le référant, la partie s'engage à s'en remettre irrévocablement à la parole de son adversaire. Elle doit respecter cet engagement" (H. DE PAGE, o.c., nr 1060).
- Gelet op het voorgaande, en in het bijzonder op artikel 1363 van het Burgerlijk Wetboek, werd geoordeeld dat een burgerlijke rechtsvordering van de partij die ingevolge een valse gedingbeslissende eed het geding heeft verloren, niet ontvankelijk is. De rechtsleer is op dit punt unaniem (zie o.m.: G. BELTJENS, Encyclopédie du droit criminel belge, Brussel, Bruylant, 1901, I, p. 296, nr 3; A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2002, nr 50; J. GOEDSEELS, Commentaire du Code pénal belge, Brussel, Bruylant, 1948, II, nr 1483; J. NYPELS en J. SERVAIS; Le Code pénal belge interprété principalement au point de vue de la pratique, Brussel, Bruylant 1897, II, 44-45; J.M. PIRET, in Les Novelles. Droit pénal, Brussel, Larcier, 1967, II, nr 2829; M. RIGAUX en P.E. TROUSSE, Les crimes et les délits du Code pénal, Brussel Bruylant, 1963, IV, 88; R.P.D.B. tw. Faux témoignage et faux serment, nr 155). Dit alles verhindert uiteraard niet dat het openbaar ministerie de persoon die zich aan meineed ook een gedingbeslissende eed heeft schuldig gemaakt, vervolgt; alleen een burgerlijke rechtsvordering van de wederpartij is in dat geval uitgesloten (A. VANDEPLAS, "Over de gedingbeslissende eed", R.W. 1977-78, 2495). Artikel 226 van het Strafwetboek slaat immers ook op de gedingbeslissende eed, doch daarnaast ook op onder meer de ambtshalve opgelegde eed (J. GOEDSEELS, o.c., nr 1474; J. NYPELS en J. SERVAIS, o.c., 40; R.P.D.B. tw. Faux témoignage et faux serment, nr 147), terwijl artikel 1363 van het Burgerlijk Wetboek enkel betrekking heeft op de beslissende eed (G. BELTJENS, o.c., p. 296, nr 3 enp. 297, nr 9; M. RIGAUX en P.E. TROUSSE, o.c., 88-89; J. NYPELS en J. SERVAIS, o.c., 45; R.P.D.B. tw. Faux témoignage et faux serment, nr 156). Dat artikel 1363 van het Burgerlijk Wetboek enkel betrekking heeft op de gedingbeslissende eed en niet op de ambtshalve door de rechter opgedragen eed, volgt uit het feit dat het artikel deel uitmaakt van de paragraaf die betrekking heeft op de gedingbeslissende eed en niet op deze die betrekking heeft op de door de rechter opgedragen eed (cfr. conclusie advocaat-generaal Janssens voor Cass., 22 april 1901, Pas. 1901, I, 200). Om die reden kan een valse gedingbeslissende eed uiteraard wel vervolgd worden, doch zoals gezegd is het instellen van een civielrechtelijke vordering door de andere partij niet mogelijk; het bewijs van meineed heeft dan ook niet tot gevolg dat de rechtsgevolgen van de gedingbeslissende eed worden aangetast (A. VANDEPLAS, l.c., 2497). In het kader van die vervolging door het openbaar ministerie zal zo neemt men aan artikel 16 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering overigens niet spelen wanneer het bewijs dient te worden geleverd van een valse gedingbeslissende eed (R.P.D.B., tw. Faux témoignage et faux serment, nr 153, Cfr. Cass., 14 januari 1895, Pas. 1895, I, 74).
- Ook de rechtspraak is dienaangaande vaststaand (zie de referenties bij: A. VANDEPLAS, l.c., 2498). In het hoger aangehaalde arrest van het Hof van 14 januari 1895 werd aldus gesteld dat "la condamnation prononcée de ce chef par la justice répressive, à la différence de ce qui existe pour le faux serment supplétoire comme pour tous autres délits, reste absolument inopérante au point de vue des intérêts civils"; bij de valse gedingbeslissende eed zijn de private belangen "irrévocablement réglés et à l'abri de toute atteinte et qu'il ne s'agit plus que de dévoiler le parjure au grand jour de la justice criminelle". Advocaat-generaal Janssens betoogde in zijn conclusie voor het arrest van het Hof van 22 april 1901 dat "celui qui a déféré le serment a voulu courir la chance de s'en rapporter à la loyauté de son adversaire; s'il est trompé, si son adversaire a abusé de la situation qui lui a été faite, il ne peut revenir sur la résolution qu'il a prise. C'est à raison donc du caractère transactionnel du serment litisdécisoire que la situation qu'il crée est définitive. Le serment supplétoire n'a pas ce caractère (...)" (Pas.1901, I, 200, i.h.b. 201) terwijl in het arrest zélf onder meer werd geoordeeld "l'article 1363 du code civil s'applique exclusivement au serment décisoire qui a les effets d'une transaction". Uit het arrest van 19 oktober 1977 volgt eveneens dat de tegenpartij die de beslissende eed heeft opgedragen niet ontvankelijk is in haar civielrechtelijke vordering tegen een wegens valse, gedingbeslissende eed veroordeelde persoon (Cass., 19 oktober 1977, R.W. 1977-78, 2507, noot. In dezelfde zin: Gent 23 april 2002, T. Strafr. 2003, 124).
- Nochtans drukt VANDEPLAS zijn twijfels uit of de enkele bepaling van artikel 1363 van het Burgerlijk Wetboek de niet-ontvankelijkheid van een burgerlijke partijstelling kan verantwoorden. Indien men immers, zoals soms wordt gedaan, een gedingbeslissende eed aanziet als een dading, is er volgens hem geen reden om deze anders te benaderen dan een dading waarvoor overeenkomstig artikel 2053 van het Burgerlijk Wetboek wél een nietigverklaring mogelijk is (A. VANDEPLAS, l.c., 2499-2500). Op grond van de autonomie van het strafrecht opteert hij er voor om, in weerwil van de beperkingen opgelegd door artikel 1363 van het Burgerlijk Wetboek, de benadeelde alsnog recht te laten wedervaren via de strafvordering (A. VANDEPLAS, l.c., 2501). Ook al zou men enige twijfel koesteren of de enkele bepaling van artikel 1363 van het Burgerlijk Wetboek de niet-ontvankelijkheid van de civiele vordering voor de strafrechter kan verantwoorden, dan nóg blijft er het gegeven dat een partij zelf zijn toevlucht heeft genomen tot de gedingbeslissende eed en aldus als het ware het risico heeft aanvaard om de uitslag van het geding daarvan te laten afhangen en het geding te laten beslechten door de eed. Te dezen zijn de eisers zich van dit laatste bewust en vechten zij deze uitgangspunten kennelijk niet aan, maar zij menen een dubbele discriminatie te ontwaren en vragen dat het Hof twee prejudiciële vragen zou stellen aan het Arbitragehof.
- Een eerste opgeworpen prejudiciële vraag strekt ertoe te weten of de artikelen 1357 en 1363 van het Burgerlijk Wetboek, samen gelezen met de artikelen 3 en 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, 63 en 66 van het Wetboek van Strafvordering en 215 tot en met 226 van het Strafwetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in de mate waarin artikel 1363 van het Burgerlijk Wetboek tot gevolg heeft dat de opdrager-schadelijder van de gedingbeslissende eed die er zijn proces door verloren heeft niet ontvankelijk is om schadevergoeding te bekomen voor de schade die de valse eed hem heeft berokkend, zoals elke andere derde-schadelijder wel gemachtigd is dat te doen, doordat enkel voor de in artikel 226 van het Strafwetboek gedingbeslissende meineed de opdrager-schadelijder ervan, die zijn proces erdoor verloren heeft, niet-ontvankelijk is zich burgerlijke partij te stellen, terwijl voor de andere meineden diegene die zijn proces of bepaalde aanspraken erdoor verloren heeft, wel ontvankelijk is dit te doen. Een tweede voorgestelde prejudiciële vraag strekt er vervolgens toe te weten of de artikelen 1357 en 1363 van het Burgerlijk Wetboek, samen gelezen met de artikelen 3 en 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, 63 en 66 van het Wetboek van Strafvorderingen 215 tot en met 226 van het Strafwetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in de mate waarin artikel 1363 van het Burgerlijk Wetboek tot gevolg heeft dat de opdrager-schadelijder van de gedingbeslissende eed die er zijn proces door verloren heeft niet-ontvankelijk is om schadevergoeding te bekomen voor de schade die de valse eed hem heeft berokkend, zoals elke andere derde-schadelijder wel gemachtigd is dat te doen, doordat de opdrager-schadelijder ervan, die zijn proces erdoor verloren heeft, niet-ontvankelijk is zich burgerlijke partij te stellen en de derde-schadelijder, die de eed niet opdroeg, wel ontvankelijk is dat te doen.
- Deze tweede prejudiciële vraag vergelijkt een persoon die de gedingbeslissende eed heeft opgedragen met een derde persoon die per hypothese vreemd is aan de procedure of het geding, die met andere woorden noch de persoon is die de eed heeft opgedragen noch de persoon is die de eed heeft afgelegd nadat ze door de wederpartij werd opgedragen. De gedingbeslissende eed heeft evenwel slechts gevolgen ten aanzien van de partijen (Cfr. R. DEKKERS, o.c., nr 754; H. DE PAGE, o.c., nr 1062). Ook KLUYSKENS schreef dat uit het principe dat de kracht van de gedingbeslissende eed voortvloeit uit de overeenkomst der partijen, volgt dat deze een derde noch baten noch schaden kan (A. KLUYSKENS, Beginselen van Burgerlijk Recht, I, De Verbintenissen, Antwerpen, Standaard, 1948, nr 340). Artikel 1365, eerste alinea, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt uitdrukkelijk dat de gedane eed en daarbij is uiteraard de gedingbeslissende eed bedoeld alleen bewijs oplevert ten voordele van hem die de eed heeft opgedragen of tegen hem, en ten voordele van zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden of tegen hen. De tweede prejudiciële vraag vertrekt vanuit een onjuiste rechtsopvatting, met name dat een gedingbeslissende eed ook gevolgen zou hebben ten opzichte van derden en niet enkel ten opzichte van de bij het geding betrokken partijen. In het verleden heeft het Hof reeds herhaaldelijk om dergelijke redenen geweigerd een prejudiciële vraag te stellen (bv.: Cass., 22 juni 2005, P.05.0646.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050622.9) zodat er thans ook aanleiding is om de voorgestelde prejudiciële vraag niet te moeten stellen aan het Arbitragehof.
- Wat de eerste voorgestelde prejudiciële vraag betreft, lijkt het mij dat het Hof eveneens zou kunnen beslissen deze vraag niet te stellen. De voorgestelde prejudiciële vraag vergelijkt immers de opdrager-schadelijder van de gedingbeslissende eed die niet op ontvankelijke wijze schadevergoeding kan bekomen met de partij die ingevolge een andere meineed zijn proces of bepaalde aanspraken erdoor verloren heeft. Die vergelijking loopt echter mank. Immers, waar het gevolg van de gedingbeslissende eed is dat het geschil daardoor definitief is geëindigd (Cfr. H. DE PAGE, o.c., nr 1060) en de feiten waarover de eed werd afgelegd ten gunste van de eedaflegger definitief zijn beslist (A. KLUYSKENS, o.c., nr 339), is dit precies niet zo voor de aanvullende eed. De aanvullende eed die de rechter ambtshalve kan opleggen, mag immers slechts opgelegd worden indien er een begin van bewijs bestaat; vandaar ook de naam (A. KLUYSKENS, o.c., nr 342). De rechter is in tegenstelling tot de gedingbeslissende eed die het geding uiteraard beslist en beëindigt niet gebonden door de aanvullende eed: deze eed heeft geen andere bewijskracht dan degene die de rechter er wil aan hechten en hij kan niettegenstaande de eedaflegging de eedaflegger in het ongelijk stellen (A. KLUYSKENS, o.c., nr
- Zie ook: R. DEKKERS, o.c., nr 755: "De ambtshalve opgelegde eed lost het proces niet op, zoals de beslissende eed doet, hij bindt de rechter niet") met als gevolg dat hoger beroep hier ook mogelijk is (A. KLUYSKENS, o.c., nr 343; H. DEPAGE, o.c., nr 1064). DE PAGE drukte het zo uit: "(...) le serment supplétoire ne décide pas nécessairement du jugement de la cause. La décision de la cause peut en dépendre; elle n'en dépend pas de droit" (H. DE PAGE, o.c., nr 1064). Aldus kan men wat de eerste prejudiciële vraag betreft, aansluiting vinden met de rechtspraak van het Hof waarin het oordeelt dat een voorgehouden ongelijkheid geen betrekking heeft op gelijke toestanden zodat er geen reden is om een terzake voorgestelde prejudiciële vraag voor te leggen aan het Arbitragehof (bv. Cass., 10 december 2002, P.01.1090.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021210.8). De eerste voorgestelde prejudiciële vraag heeft geen betrekking op gelijke toestanden en ze betreft geen onderscheid tussen personen of partijen die zich in een zelfde rechtstoestand bevinden, maar wel tussen personen die zich in een verschillende rechtstoestand bevinden, geldend zonder onderscheid voor alle partijen.
- Conclusie: verwerping. Tekst van de beslissing Nr. P.05.0944.N
- D N P, en zijn echtgenote
- V H G, eisers, burgerlijke partijen, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen V G A M C J, verweerder, inverdenkinggestelde, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 26 mei 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eisers stellen in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat overeenkomstig artikel 1357, 1°, Burgerlijk Wetboek, de beslissende eed deze is die door de ene partij aan de andere partij is opgedragen om de beslissing van de zaak daarvan te doen afhangen; Dat artikel 1363 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat "wanneer de opgedragen of teruggewezen eed is afgelegd, (...) de tegenpartij niet ontvankelijk (is) om de valsheid daarvan te bewijzen"; Overwegende dat deze bepalingen inhouden dat wanneer een partij de beslissende eed aan de andere partij opdraagt of deze laatste de eed aan eerstgenoemde terugwijst, de civielrechtelijke betwisting omtrent het rechtsfeit waarvan het bestaan ontkend werd, definitief en onherroepelijk een einde neemt en de tegenpartij van deze die de eed heeft afgelegd, dat feit om welke redenen ook niet meer opnieuw voor welk gerecht ook ter sprake kan brengen; Dat hieruit volgt dat geen schadevergoeding wegens valse gedingbeslissende eed kan worden gevorderd en de strafvordering wegens dat feit, ongeacht het recht van het openbaar ministerie om die in te stellen, niet op initiatief van de burgerlijke partij kan worden ingesteld; Dat het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht; Overwegende dat wanneer de gedingbeslissende eed door een partij aan de andere partij wordt opgedragen, de opdragende partij voor dat bewijsmiddel kiest wetende dat de beslissing van de zaak daarvan onherroepelijk afhangt en dat zij niet ontvankelijk is om de valsheid van de eed te bewijzen; dat de ambtshalve opgelegde eed daarentegen bevolen wordt door de rechter die daardoor geenszins gebonden is; Overwegende dat de partij die de gedingbeslissende eed opdraagt en de partij die de ambtshalve opgelegde eed ondergaat, zich derhalve in verschillende rechtstoestanden bevinden die met betrekking tot de gevolgen van de afgelegde eed verschillend worden behandeld; Dat er bijgevolg geen grond bestaat tot het stellen van de eerste prejudiciële vraag aan het Arbitragehof; Overwegende dat de gedingbeslissende eed met betrekking tot het rechtsfeit waarvan het bestaan ontkend wordt, enkel een einde stelt aan de betwisting tussen de partij die de eed opdraagt en deze aan wie hij opgedragen wordt; dat de beslissing die ingevolge die eed door de rechter wordt genomen enkel tussen de partijen gezag van gewijsde heeft en een derde derhalve geen schade kan lijden door de eed die hem niet aanbelangt; Dat de tweede prejudiciële vraag die uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting niet hoeft te worden gesteld; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Gezegde kosten begroot op de som van vierenvijftig euro twaalf cent, waarvan vierentwintig euro twaalf cent verschuldigd en dertig euro door de eisers betaald. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Paul Maffei, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van tweeëntwintig november tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051122.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021210.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050622.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070515.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div