id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art.584
Thesaurus CAS: KORT GEDING Vrije woorden: KORT GEDING Bevoegdheid Bestuur Discretionaire bevoegdheid Subjectief recht Aantasting Wettelijke bepalingen:
Art.584Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.
100 TOT EINDE) - Artikel 144 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 144 Burgerlijke rechten Subjectief recht Aantasting Bestuur Discretionaire bevoegdheid Rechterlijke macht Kort geding Bevoegdheid Wettelijke bepalingen:
Art.584Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTEN.
POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: BURGERLIJKE RECHTEN. POLITIEKE RECHTEN Subjectief recht Aantasting Bestuur Discretionaire bevoegdheid Rechterlijke macht Kort geding Bevoegdheid Wettelijke bepalingen:
Art.584Tekst van de beslissing Nr.
C.04.0317.N GLAXOSMITHKLINE, naamloze vennootschap, met zetel te 1332 Genval, rue du Tilleul 13, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1210 Brussel, Kunstlaan 7, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 december 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 10, 11, 144, 145, 149, 159, en 160 van de Grondwet ; &§9472; artikel 14, inzonderheid ,§1, 17, inzonderheid ,§1, eerste lid? en 18, inzonderheid eerste lid, van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State ; &§9472; de artikelen 584 en 602, 2é, van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 1319, 1320, 1322, 1382, en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het Hof van Beroep te Brussel verklaart in het aangevochten arrest van 22 december 2003 het door eiseres tegen de beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 26 mei 2003, waarbij deze zich zonder rechtsmacht verklaarde om kennis te nemen van eiseres' vordering, aangetekende hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Het hof van beroep stoelt deze beslissing op volgende motieven : "III. Over de rechtsmacht van het kort geding rechter :
- (Eiseres) maakte haar vordering aanhangig voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelende in kort geding, die naar luid van artikel 584, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bij voorraad en in de gevallen die hij spoedeisend acht, uitspraak doet in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt. Geschillen over burgerlijke rechten behoren bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken ; geschillen over politieke rechten behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen (de artikelen 144 en 145 van de Grondwet). Er bestaat voor geheel België een Raad van State waarvan de bevoegdheid door de wet wordt bepaald (artikel 160 van de Grondwet). De afdeling administratie van de Raad van State doet uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens een overtreding van, hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheidene administratieve overheden of tegen de administratieve beslissingen in betwiste zaken (artikel 14 R.v.St.-Wet). Wanneer een akte of een reglement van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 14, eerste lid, R.v.St.-Wet, kan de Raad van State als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bevelen (artikel 17 R.v.St.-Wet).
- Deze in artikel 17 R.v.St.-Wet aan de Raad van State toegewezen bevoegdheid laat de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken onverlet om een door de administratieve overheid bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatigheid vast te stellen, telkens wanneer de bij deze hoven en rechtbanken aangebrachte vordering de vaststelling of het doen eerbiedigen van een subjectief recht betreft. De beweerde aantasting van een subjectief recht door de overheid moet evenwel het werkelijk en rechtstreeks onderwerp zijn van de vordering voor de burgerlijke kortgedingrechter. Om te bepalen of, in de juridische relatie tussen de overheid en de bestuurden, deze laatsten titularis zijn van subjectieve rechten tegenover de overheid, moet er worden onderzocht of er een rechtsregel bestaat die aan de bestuurden een rechtstreeks recht verleent om van de overheid een bepaalde gedraging te eisen ; alles zal afhangen van de al dan niet 100 pct. gebonden bevoegdheid van de overheid.
- De oorzaak van de vordering van (eiseres) is de beslissing van 11 maart 2003 van (verweerster). Bij deze beslissing werd het verzoek van (eiseres) tot verhoging van de prijs en/of de vergoedingsbasis van het geneesmiddel Seretide afgewezen. Deze afwijking werd gemotiveerd : - door een gebrek aan enig positief voorstel vanwege de bevoegde commissie, in antwoord op de vraag van (eiseres) die gesteund was op het gebrek aan overeenstemming tussen de terugbetalingprijs van het geneesmiddel Seretide en deze van het geneesmiddel Symbicort ; - door een verwijzing naar het dossier Symbicort, naar de evaluatie van de beschikbare studies, naar het advies van specialisten in de pneumologie en naar de verkoopcijfers van Seretide, waarna het dossier dat werd voorgelegd aan de bevoegde commissie vermeldde dat het resultaat van Symbicort 160/4.5 zich situeert tussen de resultaten van Seretide 250 mcg en Seretide 500 mcg. - door de relatie tussen de prijzen per dag van Symbicort en Seretide, relatie die de therapeutische effecten van de respectieve geneesmiddelen weerspiegelt. (Eiseres) noemt deze beslissing onwettig en vraagt bijgevolg en dit is dus het voorwerp van haar vordering dat zij buiten toepassing zou worden verklaard en dat aan (verweerster) de verplichting zou worden opgelegd over te gaan tot de toekenning van een hogere basis van tegemoetkoming in afwachting van een uitspraak van de Raad van State, met verplichting tot bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, dit alles op straffe van een dwangsom. Zij onderstreept dat haar vordering steunt op de regel dat gelijkaardige producten een gelijkaardige basis van terugbetaling moeten krijgen, dat de minister discriminatoir handelde en aldus een fout maakte in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijke Wetboek, waardoor (eiseres) schade lijdt. (Eiseres) wil haar subjectieve rechten gehonoreerd zien, met name haar recht op een niet-discriminatoire behandeling (de artikelen 10 en 11 van de Grondwet) en haar recht op herstel van schade door het foutief optreden van (verweerster) (de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).
- Artikel 3 van het koninklijk besluit 21 december 2001 voorziet in de mogelijkheid voor de minister, 'op voorstel van de Commissie, en dit op vraag van de aanvrager, van de minister of van de Commissie', de lijst van de vergoedbare specialiteiten te wijzigen, onder meer door het wijzigen van de prijs en de vergoedingsbasis. Deze bepaling verleent aan de bestuurden geen rechtstreeks recht om van de overheid een gunstige beslissing te eisen ; er is helemaal geen gebonden bevoegdheid van de overheid.
- Naar luid van artikel 8 van hetzelfde koninklijk besluit moet de vergoedingsbasis van een specialiteit aan de volgende voorwaarden voldoen : 2é) Voor de specialiteit gerangschikt in klasse 2, die, op grond van een vergelijking ermee, een therapeutische werking heeft die gelijkaardig is met die van andere, reeds vergoedbare door de Commissie vastgestelde referentiespecialiteiten, mag de vergoedingsbasis ervan niet hoger liggen dan deze van die referentiespecialiteiten. Hierbij wordt rekening gehouden met de farmaceutische vorm, het gehalte aan een werkzaam bestanddeel of werkzame bestanddelen en met het aantal gebruikseenheden in de verpakking'. De inhoud van deze bepaling is vergelijkbaar met artikel 5b van het voorafgaand koninklijk besluit van 2 september
- Uit deze bepalingen kan niet worden afgeleid dat een geneesmiddel, met een gelijkaardige therapeutische werking als een ander geneesmiddel, geen hogere vergoedingsbasis mag hebben, nu de beslissing op dit punt van de overheid ook afhangt van de farmaceutische vorm, het gehalte aan werkzaam bestanddeel of werkzame bestanddelen en van het aantal gebruikseenheden in de verpakking. Ook deze bepalingen houden geen 100 pct. gebonden bevoegdheid in van de overheid, die, zoals dat ter zake werd uitgevoerd, op basis van ingewonnen adviezen en inlichtingen een gemotiveerde beslissing moet nemen. De door (eiseres) ingeroepen rechten op non-discriminatie en op vergoeding of voorkoming van schade veroorzaakt door de overheid, zijn bijgevolg geen rechten die kunnen voortspruiten uit voor 100 pct. gebonden bevoegdheid van die overheid. De rechtsmacht om, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak te doen over de door (eiseres) ingestelde vordering, behoort dus niet aan de justitiële kortgedingrechter. Het hoger beroep is ongegrond" (arrest, pp. 3-6). Grieven
- Overeenkomstig artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke subjectieve rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Geschillen over politieke rechten behoren, overeenkomstig artikel 145 van de Grondwet, tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Overeenkomstig artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek doet de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt. Het hof van beroep neemt kennis van het hoger beroep tegen uitspraken in eerste aanleg gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg bij toepassing van artikel 602, 2é, van het Gerechtelijk Wetboek.
- Krachtens artikel 160 van de Grondwet bestaat er voor geheel België een Raad van State, waarvan de bevoegdheid door de wet wordt bepaald. Luidens artikel 14, ,§1, van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, doet de afdeling administratie van de Raad van State uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, alsook tegen de administratieve handelingen van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad van de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel. Krachtens artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan de Raad van State, wanneer een akte of een reglement van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 14, ,§1, als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bevelen. Artikel 18 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat wanneer bij de Raad van State overeenkomstig artikel 17 een vordering tot schorsing van een akte of een reglement aanhangig wordt gemaakt, hij als enige bij voorraad en onder de in artikel 17, ,§2, eerste lid, bepaalde voorwaarden, alle nodige maatregelen kan bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten.
- De artikelen 14, 17, en 18 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de rechtbanken van de rechterlijke macht om uitspraak te doen over geschillen betreffende subjectieve rechten. Inzonderheid de aan de Raad van State toegekende bevoegdheid om onder bepaalde voorwaarden de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van een akte of reglement van een administratieve overheid, perkt de bevoegdheid van de voorzitter in kort geding om bij voorraad uitspraak te doen betreffende subjectieve rechten niet in.
- De justitiële rechter neemt aldus kennis van de door een partij ingestelde vordering die gegrond is op een precieze juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij wier uitvoering de eiser een eigen belang heeft. Dit slaat ook op een verplichting uit een gebonden bevoegdheid van het bestuur. De bevoegdheid van de overheid is "gebonden" wanneer alle voorwaarden waaraan de uitoefening van de bevoegdheid onderworpen is, objectief door de rechtsregel zijn vastgelegd, zodat de overheid over geen enkele beoordelingsbevoegdheid beschikt ; de Grondwet, de wet of het reglement hebben al de voorwaarden vastgelegd op grond waarvan, door degenen die bedoelde voorwaarden vervullen, een subjectief recht ontstaat om een welbepaald voordeel te verkrijgen. In zodanig geval kan de administratieve overheid enkel vaststellen, verklaren, erkennen dat die voorwaarden bestaan, zonder te hunnen opzichte een beoordelingsmacht te kunnen uitoefenen. De rechterlijke macht is evenwel tevens bevoegd om de door de overheid bij de uitoefening van haar discretionaire (en dus niet gebonden) bevoegdheid begane onrechtmatig geachte aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden. De rechterlijke macht is met andere woorden bevoegd om, zonder de opportuniteit van een maatregel van de bestuursoverheid te beoordelen, de nodige maatregelen te bevelen om een ogenschijnlijk foutieve krenking van een subjectief recht te doen beëindigen of voorkomen. Om de bevoegdheid (of onbevoegdheid) van de justitiële rechter te bepalen dient te worden uitgemaakt wat het rechtstreeks en werkelijk voorwerp is van de vordering die voor deze rechter wordt gebracht.
- Luidens artikel 10 van de Grondwet is er in de Staat geen onderscheid van standen ; de Belgen zijn gelijk voor de wet. Artikel 11 van de Grondwet bepaalt dat het genot van rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend zonder discriminatie verzekerd moet worden. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan. Uit deze grondwetsbepalingen put ieder rechtssubject een subjectief recht om door de overheid op niet-discriminatoire wijze te worden behandeld.
- Luidens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek verplicht elke daad, nalatigheid of onvoorzichtigheid van de mens, waardoor aan een ander schade wordt berokkend, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden. Wanneer de overheid door foutief optreden, bijvoorbeeld door het treffen van een onwettige beslissing, aan een derde schade berokkent, of kan berokkenen, put deze derde uit de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek het subjectief recht om vanwege de overheid vergoeding van de door deze fout berokkende schade te bekomen, of het subjectief recht op maatregelen teneinde de nakende schade te voorkomen.
- Eiseres stelde in haar inleidende dagvaarding van 26 maart 2003, alsmede in haar verzoekschrift in hoger beroep en haar op 1 september 2003 ter griffie van het hof van beroep neergelegde beroepsbesluiten, dat de justitiële (kort geding) rechter bevoegd was om kennis te nemen van haar vordering nu deze vordering strekt tot het doen naleven en het veilig stellen van haar subjectieve rechten. Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van eiseres' vordering is immers niet het herstel van een objectief recht, maar wel het veilig stellen van de subjectieve rechten van eiseres, met name het recht op een niet-discriminatoire behandeling (de artikelen 10 en 11 van de Grondwet) en het recht op herstel (of voorkoming) van de schade die verweerster door haar foutieve optreden ten aanzien van eiseres veroorzaakt (de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). Eiseres stelde dat een geneesmiddel dat vanwege de minister van Volksgezondheid een vergunning heeft verkregen om op de markt te worden toegelaten, een prijs dient te verkrijgen van de minister van Economische Zaken. Wil de vergunninghouder dat het product op de lijst van terugbetaalbare geneesmiddelen wordt geplaatst, moet een "vergoedingsbasis" of "basis van tegemoetkoming" bij de minister van Sociale Zaken worden bekomen. Procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van de farmaceutische specialiteiten, worden bepaald in het koninklijk besluit van 21 december
- Uit artikel 8 van dit koninklijk besluit vloeit voort dat voor gelijkaardige geneesmiddelen de vergoedingsbasis niet hoger mag liggen dan deze van de referentiespecialiteiten. Een gelijkaardig principe is terug te vinden in het koninklijk besluit van 2 september 1980, dat het koninklijk besluit van 21 december 2001 voorafging. Door aan de Seretide-producten niet een gelijkaardige basis van terugbetaling toe te kennen als deze verleend aan het gelijkaardige product Symbicort, heeft de minister van Sociale Zaken ten aanzien van eiseres discriminatoir, in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gehandeld, met andere woorden haar subjectief recht op niet-discriminatie geschonden. Door deze discriminatoire beslissing heeft de minister een fout begaan in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek waardoor eiseres schade heeft geleden en lijdt. Door de mindere inkomsten van hetgeen de concurrent voor een gelijkaardig product ontvangt kan zij immers minder geld in distributie, fabricage, productie en promotie van het product stoppen. Voor het herstel van deze schade verzocht eiseres aan de justitiële rechter niet de bestreden beslissing te vernietigen, doch enkel de onwettige beslissing conform artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te verklaren en, in afwachting van de beslissing van de Raad van State, verweerster te verplichten tot het doen ophouden van de discriminatie door de bekendmaking van een voorlopige opname van het geneesmiddel op de lijst van terugbetaalbare geneesmiddelen met een niet-discriminatoire vergoedingsbasis. 8.
- Het hof van beroep stelt in het aangevochten arrest vast dat de in artikel 17 van de gecoördineerde wetten op Raad van State aan de Raad van State toegekende bevoegdheid, de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken onverlet laat "om een door de administratieve overheid bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatigheid vast te stellen, telkens wanneer de bij deze hoven en rechtbanken aangebrachte vordering de vaststelling of het doen eerbiedigen van een subjectief recht betreft". De beweerde aantasting van een subjectief recht door de overheid moet, aldus het hof van beroep, het werkelijk en rechtstreeks onderwerp van de vordering voor de burgerlijke kortgedingrechter zijn. Het hof van beroep vervolgt dat, om te bepalen of, in de juridische relatie tussen de overheid en de bestuurden, deze laatsten titularis zijn van subjectieve rechten tegenover de overheid, moet worden onderzocht of er een rechtsregel bestaat die aan de bestuurden een rechtstreeks recht verleent om van de overheid een bepaalde gedraging te eisen ; alles zal afhangen van de al dan niet 100 pct. gebonden bevoegdheid van de overheid (arrest, pagina 4, nummer 5). Het voorwerp van de vordering van eiseres is, aldus het hof van beroep "dat (de beslissing van 11 maart 2003) buiten toepassing zou worden verklaard en dat aan (verweerster) de verplichting zou worden opgelegd over te gaan tot de toekenning van een hogere basis van tegemoetkoming in afwachting van een uitspraak van de Raad van State, met verplichting tot bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, dit alles op straffe van een dwangsom". Het hof van beroep stelt hierbij vast dat eiseres "haar vordering steunt op de regel dat gelijkaardige producten een gelijkaardige basis van terugbetaling moeten krijgen, dat de minister discriminatoir handelde en aldus een fout maakte in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, waardoor (eiseres) schade lijdt" en eiseres "haar subjectieve rechten gehonoreerd (wil) zien, met name haar recht op een niet-discriminatoire behandeling (de artikelen 10 en 11 van het Gerechtelijk Wetboek) en haar recht op herstel van schade door het foutief optreden van (verweerster) (de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek)" (arrest, pp. 4-5, nummer 6). 8.
- Vervolgens beslist het hof van beroep dat : - artikel 3 van het koninklijk besluit van 21 december 2001, dat voorziet in de mogelijkheid van de minister om de lijst van de vergoedbare specialiteiten (o.m. prijs en vergoedingsbasis) te wijzigen, aan de bestuurden geen rechtstreeks recht verleent om van de overheid een gunstige beslissing te eisen en er geen gebonden bevoegdheid van de overheid is. - uit artikel 8 van het koninklijk besluit van 21 december 2001 en artikel 5b van het koninklijk besluit van 2 september 1980 niet kan worden afgeleid dat een geneesmiddel met een gelijkaardige therapeutische werking als een ander geneesmiddel, geen hogere vergoedingsbasis mag hebben, nu de beslissing op dit punt van de overheid ook afhangt van de farmaceutische vorm, van het gehalte aan werkzaam bestanddeel of werkzame bestanddelen en van het aantal gebruikseenheden in de verpakking, zodat ook deze bepalingen geen 100 pct. gebonden bevoegdheid van de overheid inhouden (arrest, pp. 5-6, nummer 8). Het hof van beroep leidt uit deze vaststellingen af dat "de door (eiseres) ingeroepen rechten op non-discriminatie en op vergoeding of voorkoming van schade veroorzaakt door de overheid, (bijgevolg) geen rechten (zijn) die kunnen voortspruiten uit voor 100 pct. gebonden bevoegdheid van die overheid" (arrest, pagina 6, tweede alinea).
- Eerste onderdeel 9.
- Overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet is elk vonnis en arrest met redenen omkleed. Ingevolge deze grondwettelijke motiveringsverplichting is de rechter ertoe gehouden te antwoorden op alle relevante, precieze en regelmatig aangevoerde middelen in besluiten van partijen. 9.
- Uit de aanvoeringen van eiseres zowel in de inleidende dagvaarding van 26 maart 2003, als in het verzoekschrift in hoger beroep (meer in het bijzonder pagina 14 en volgende sub D, nummers 47-63) en haar beroepsbesluiten (meer in het bijzonder pp. 14-15, nummers 42-47, pp. 20-25, nummers 71-88), aanvoeringen, die hier als uitdrukkelijk overgenomen worden aangezien, blijkt, zoals overigens door het hof van beroep zelf uitdrukkelijk vastgesteld (arrest, pagina 5, eerste alinea) dat eiseres haar subjectieve rechten gehonoreerd wenst te zien, met name haar uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voortvloeiende recht op een niet-discriminatoire behandeling en haar uit de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek voortvloeiende recht op herstel van de schade veroorzaakt door het foutief optreden van verweerster. Op grond van deze subjectieve rechten vorderde eiseres dat voor recht zou worden gezegd dat de beslissing van verweerster van 11 maart 2003 onwettig is, dat deze beslissing bijgevolg conform artikel 159 van Grondwet buiten toepassing zou worden verklaard en dat verweerster de verplichting zou worden opgelegd om, in afwachting van de beslissing van de Raad van State omtrent het verzoek tot vernietiging van de beslissing van 11 maart 2003, over te gaan tot toekenning van de gevraagde hogere basis voor de Seretide Diskus en Seretide MDI-producten. Het hof van beroep wijst de vordering van eiseres af om reden dat de rechtsmacht om over deze vordering uitspraak te doen niet aan de justitiële kort gedingrechter zou toebehoren, daar noch artikel 3 van koninklijk besluit van 21 december 2001, noch artikelen 8 van dit koninklijk besluit en 5b van het koninklijk besluit van 2 september 1980 aan de overheid voor 100 pct. gebonden bevoegdheid verlenen en bijgevolg "de door (eiseres) ingeroepen rechten op non-discriminatie en op vergoeding of voorkoming van schade veroorzaakt door de overheid (...) geen rechten (zijn) die kunnen voortspruiten uit voor 100 pct. gebonden bevoegdheid van die overheid", zonder evenwel, in antwoord op de precieze en terzake dienende middelen in besluiten van eiseres, te onderzoeken of eiseres uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek een subjectief recht put op grond waarvan zij vanwege verweerster aanspraak kan maken op een niet-discriminatoire behandeling en op een vergoeding, of maatregelen ter voorkoming, van de schade uit foutief overheidsoptreden. 9.
- Het bestreden arrest, dat niet antwoordt op deze precieze, relevante en regelmatig aangevoerde middelen in besluiten van eiseres is derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).
- Tweede onderdeel
- De omstandigheid dat uit de artikelen 3 en 8 van het koninklijk besluit van 21 december 2001 en artikel 5b van het koninklijk besluit van 2 september 1980 geen 100 pct. gebonden bevoegdheid van de overheid voortvloeit en de overheid met andere woorden een discretionaire bevoegdheid zou hebben in verband met de wijziging van de vergoedingsbasis van geneesmiddelen, en eiseres uit deze bepalingen geen subjectief recht zou putten, sluit de rechtsmacht van de justitiële kortgedingrechter niet uit. Zoals het hof van beroep zelf vaststelt (arrest, pagina 4, eerste alinea), en hiervoren sub 1 tot 4 uiteengezet, uiteenzetting die hier als uitdrukkelijk hernomen dient te worden aangezien, zijn rechtbanken en hoven bevoegd om een door een administratieve overheid, bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid, begane onrechtmatigheid vast te stellen telkens wanneer de bij deze hoven en rechtbanken aangebrachte vordering de vaststelling of het doen eerbiedigen van subjectieve rechten betreft. Nu eiseres haar subjectieve rechten op niet-discriminatoire behandeling, afgeleid uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en op herstel van schade door het foutief optreden van verweerster, afgeleid uit de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, wenste gehonoreerd te zien ingevolge het onrechtmatig optreden van verweerster bij de uitoefening van haar uit het koninklijk besluit van 21 december 2001 (en het koninklijk besluit van 2 september 1980) voortvloeiende bevoegdheid betreffende de wijziging van de vergoedingsbasis van vergoedbare geneesmiddelen, met andere woorden de bescherming van subjectieve rechten vorderde, kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat de justitiële kortgedingrechter geen rechtsmacht heeft om van de vordering van eiseres kennis te nemen om reden dat de bevoegdheid van verweerster in verband met de wijziging van de vergoedingsbasis van geneesmiddelen geen 100 pct. gebonden bevoegdheid is. De beslissing van het hof van beroep luidens welke "de rechtsmacht om, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak te doen over de door (eiseres) ingestelde vordering (...) niet aan de justitiële kortgedingrechter (behoort)" schendt derhalve artikel 144 van de Grondwet en, voor zoveel als nodig, de artikelen 10, 11, 145, 149, 159 en 160 van de Grondwet, 14, inzonderheid ,§1, 17, inzonderheid ,§1, eerste lid en 18, inzonderheid eerste lid, van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, 584, en 602, 2é, van het Gerechtelijk Wetboek, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.
- Derde onderdeel 11.1 In de mate dat dient te worden aangenomen dat het hof van beroep, door te beslissen dat "de door (eiseres) ingeroepen rechten op non-discriminatie en op vergoeding of voorkoming van schade veroorzaakt door de overheid, (...) geen rechten (zijn) die kunnen voortspruiten uit voor 100 pct. gebonden bevoegdheid van de overheid" (arrest, pagina 6, tweede alinea), oordeelt dat eiseres niet beschikt over een uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voortvloeiend subjectief recht op een niet-discriminatoire behandeling door de overheid en op een uit de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek voortvloeiend subjectief recht op voorkoming en vergoeding van schade ontstaan ingevolge foutief overheidsoptreden, is de beslissing niet naar recht verantwoord. Uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vloeit voort dat ieder rechtssubject ten aanzien van de overheid aanspraak kan maken op een subjectief recht op gelijke, niet-discriminatoire behandeling. Tevens verlenen de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek aan het rechtssubject een subjectief recht op vergoeding van de schade of voorkoming van de schade voortvloeiend uit foutief overheidsoptreden en de naleving van deze subjectieve rechten kan, ingevolge artikel 144 van de Grondwet, voor de justitiële (kort geding) rechter worden afgedwongen. De beslissing luidens welke "de rechtsmacht om, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak te doen over de door (eiseres) ingestelde vordering (...) niet aan de justitiële kortgedingrechter (behoort)" schendt derhalve de artikelen 10, 11 en 144 van de Grondwet, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, de artikelen 145, 149, 159 en 160 van de Grondwet, 14, inzonderheid ,§1, 17, inzonderheid ,§1, eerste lid, en 18, inzonderheid eerste lid, van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State en 584 en 602, 2é, van het Gerechtelijk Wetboek. 11.2 In zoverre het bestreden arrest dient te worden gelezen als hebbende beslist dat eiseres zich slechts kan beroepen op het recht op niet discriminatie, voortspruitend uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en op het recht op vergoeding en voorkoming van de schade veroorzaakt door foutief overheidsoptreden, voortspruitend uit de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover eiseres zich tevens kan beroepen op een rechtsregel die een 100 pct. gebonden bevoegdheid aan de overheid oplegt, is het niet naar recht verantwoord. Zowel uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, als uit de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek vloeien, zoals hiervoren sub nummers 4, 5, 6, en 11.1 uiteengezet uiteenzettingen die hier als uitdrukkelijk hernomen dienen te worden aangezien subjectieve rechten voort die voor de justitiële (kort geding) rechter kunnen worden afgedwongen. Uit geen enkele wetsbepaling vloeit voort dat een rechtssubject zich slechts op deze subjectieve rechten zou kunnen beroepen voor de justitiële (kort geding) rechter, voor zover het zich tegelijkertijd kan beroepen op een (andere) rechtsregel die hem een rechtstreeks recht verleent om van de overheid een bepaalde gedraging te eisen. De vaststelling dat noch de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 december 2001, noch deze van het koninklijk besluit van 2 september 1980, aan de bestuurden een rechtstreeks recht verlenen om van de overheid een gunstige beslissing te eisen, zodat deze bepalingen geen gebonden bevoegdheid van het overheid inhouden (arrest, nummers 7-8, pp. 5-6), laat het hof van beroep derhalve niet toe wettig te besluiten dat "de door (eiseres) ingeroepen rechten op non-discriminatie en op vergoeding of voorkoming van schade veroorzaakt door de overheid, bijgevolg geen rechten zijn die kunnen voortspruiten uit voor 100 pct. gebonden bevoegdheid van de overheid (zodat) de rechtsmacht om, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak te doen over de door (eiseres) ingestelde vordering (...) niet aan de justitiële kortgedingrechter (behoort)" (schending van de artikelen 10, 11, en 144 van de Grondwet, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, de artikelen 145, 149, 159, en 160 van de Grondwet, 14, inzonderheid ,§1, 17, inzonderheid ,§1, eerste lid en 18, inzonderheid eerste lid, van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State en 584 en 602, 2é, van het Gerechtelijke Wetboek).
- Vierde onderdeel 12.1 De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek verbieden de rechter de bewijskracht van een akte te miskennen door aan die akte een uitlegging te geven die volstrekt onverenigbaar is met de inhoud en de draagwijdte ervan. 12.2 In zoverre de beslissing van het hof van beroep aldus dient te worden uitgelegd dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering van eiseres niet bestaat in het feit dat zij haar subjectieve rechten, met name haar recht op een niet-discriminatoire behandeling en haar recht op herstel van schade door foutief overheidsoptreden gehonoreerd wenst te zien, doch het voorwerp van de vordering ertoe strekt vanwege verweerster toekenning van een hogere basis van tegemoetkoming voor het geneesmiddel Seretide te bekomen op grond van een uit het koninklijk besluit van 21 december 2001 (en het koninklijk besluit van 2 september 1980) voortvloeiend recht, geeft het hof van beroep aan de vordering van eiseres een inhoud en draagwijdte die onverenigbaar is met de inhoud en draagwijdte van deze vordering, zoals deze blijkt uit de inleidende dagvaarding van 26 maart 2003, het verzoekschrift in hoger beroep (meer in het bijzonder pagina 14 en volgende sub D, nummers 47-63) en de beroepsbesluiten (meer in het bijzonder pp. 14-15, nummers 42-47, pp. 20-26, nummers 71-88) van eiseres. Uit deze stukken blijkt immers, zoals hoger uiteengezet (sub nummers 7 en 9.2, uiteenzettingen die hier als uitdrukkelijk overgenomen dienen te worden aangezien), dat eiseres aanvoerde dat verweerster, door de litigieuze beslissing van 11 maart 2003 het recht op niet-discriminatoire behandeling van eiseres heeft geschonden en dat eiseres door de onwettige beslissing van 11 maart 2003 aanzienlijke schade lijdt, dat haar vordering strekt tot vrijwaring van haar recht op niet-discriminatoire behandeling en haar recht op het voorkomen van schade door de onwettige beslissing buiten toepassing te horen verklaren en verweerster de verplichting te horen opleggen om, in afwachting van de beslissing van de Raad van State nopens de vordering tot vernietiging van de beslissing van 11 maart 2003, de geneesmiddelen Seretide op te nemen op de lijst van vergoedbare specialiteiten tegen de gevraagde hogere vergoedingsbasis. Het hof van beroep geeft aldus, in zoverre het bestreden arrest dient te worden gelezen als hebbende beslist dat de vordering van eiseres ertoe strekt voor de Seretide-producten een hogere basis van tegemoetkoming te bekomen op grond van het koninklijk besluit van 21 december 2001 (en het koninklijk besluit van 2 september 1980), aan de inleidende dagvaarding, het verzoekschrift in hoger beroep en de beroepsbesluiten van eiseres een uitlegging die volstrekt onverenigbaar is met de inhoud en de draagwijdte ervan en miskent aldus de bewijskracht van deze stukken (schending van de artikelen 1319, 1320, en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Het hof van beroep vermocht derhalve niet te beslissen dat de rechtsmacht om, in de gevallen die hij spoedeisend acht bij voorraad uitspraak te doen over de door eiseres ingestelde vordering niet aan de justitiële kortgedingrechter behoort (schending van artikel 144 van de Grondwet en, voor zoveel als nodig, de artikelen 10, 11, 145, 149, 159, en 160 van de Grondwet, 14, inzonderheid ,§1, 17, inzonderheid ,§1, eerste lid en 18, inzonderheid eerste lid, van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, 584 en 602, 2é, van het Gerechtelijk Wetboek, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof Tweede onderdeel Overwegende dat de administratieve overheid die op grond van haar discretionaire bevoegdheid een beslissing neemt, over een beoordelingsvrijheid beschikt die haar de mogelijkheid biedt zelf te oordelen over de wijze waarop zij haar bevoegdheid uitoefent en de haar meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen ; Dat de Rechterlijke Macht bevoegd is om een door het bestuur bij de uitoefening van die discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatige geachte aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden ; Dat die bevoegdheid binnen de door de wet gestelde grenzen ook toekomt aan de rechter in kort geding ; Overwegende dat de appèlrechter ervan uitgaat dat alleen maatregelen waartoe de overheid volstrekt gebonden is, aanleiding kunnen zijn tot een maatregel in kort geding ; Dat het arrest aldus artikel 144 van de Grondwet schendt ; Dat het onderdeel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vierentwintig november tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051124.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090423.14 ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091119.5 ECLI:BE:CAMON:2016:ARR.20161213.4 ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100924.1 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141226.4 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150219.9 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240311.3F.6 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240311.3F.7 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240311.3F.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940114.19 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040304.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090326.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div