← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051124.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051124.4 Rolnummer: C.04.0319.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2006-03-24 Raadplegingen: 188 - laatst gezien 2026-07-03 10:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De verkoopprijs die de curator van het faillissement ontvangt van de goederen die verbonden zijn voor het bijzonder voorrecht, pand of hypotheek, blijft bezwaard met de gewaarborgde schuldvordering, zowel wat de hoofdsom als wat de interesten ervan betreft, tot op de dag van de betaling

(1).
(1)Cass., 18 dec. 1970, A.C., 1971, 401 (art. 451, Faillissementswet 1851). Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEVOORRECHTE EN HYPOTHECAIRE SCHULDEISERS Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEVOORRECHTE EN HYPOTHECAIRE SCHULDEISERS Goederen Verkoop Gevolg Interesten Looptijd Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - Art.23,tweede Fiche 2 De beperking van het recht van de bevoorrechte of hypothecaire schuldeiser die ingeschreven is voor een kapitaal dat interesten of rentetermijnen opbrengt, om ten hoogste voor drie jaren in dezelfde rang te worden geplaatst als voor zijn kapitaal, geldt slechts voor de rente die verschuldigd is tot aan het tijdstip van de verkoop van de goederen; de rente die aan de hypothecaire schuldeiser verschuldigd is en die vervalt na het tijdstip van de verkoop, kan onbeperkt worden verhaald op de verkoopprijs van de gehypothekeerde goederen
(1).
(1)Zie Cass., 9 dec. 1892; Pas., 1893, I, 51; zie ook M. MARTOU, Privilèges et hypothèques, III, 1857, 197-198, nr 1125; LAURENT, Principes de droit civil, XXXI, 1878, 63, nr 73; H. DE PAGE, Traité, VII, 1957, 423-424, nr 504. Thesaurus CAS: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - HYPOTHEKEN Vrije woorden: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - HYPOTHEKEN Goederen Interesten Beperking Verkoop Wettelijke bepalingen: Wet - 16-12-1851 - Art.87 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0319.N ING BELGIË, naamloze vennootschap, met vennootschapszetel te 1000 Brussel, Marnixlaan 24, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. V.E.S, 2. V.A.V., verweerders, beiden handelende in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Supercaro in vereffening, met zetel te 9890 Gavere, Lege Heirweg 7. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ; &§9472; de artikelen 8, 9, 41, 80 en 87 van de Hypotheekwet ; &§9472; de artikelen 1, 4 en 9, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 8 augustus 1997, van de wet van 5 mei 1872 houdende herziening van de bepalingen van het Wetboek van Koophandel betreffende het pand en de commissie, vormende boek I, titel VI ; &§9472; de artikelen 1, 4, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 9 februari 1995, 6, 8, 9, 11 en 12 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen ; &§9472; de artikelen 451, 454, 528, 542, 543, 544, 547, 550 en 561 van de Faillissementswet van 18 april 1851 ; &§9472; de artikelen 23, 26, 75, ,§1, deze laatste bepaling zoals van toepassing vóór de wijziging door de wet van 4 september 2002, 88, 89, 93 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 ; &§9472; artikel 2073 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest van 2 juni 2003 verklaart het Hof van Beroep te Gent, recht doende op eiseres' hoger beroep, haar vordering ontvankelijk en deels gegrond, doet het vonnis a quo teniet in zijn beschikkingen en, opnieuw wijzende, verklaart haar vordering ontvankelijk en in de volgende mate gegrond, zegt voor recht dat eiseres' schuldvorderingen dient opgenomen te worden in het bevoorrecht passief voor een bedrag van 47.111,89 euro in hoofdsom, te vermeerderen met 12,27 euro rente per dag vanaf 21 oktober 1998 tot 13 oktober 2000, en in het gewoon passief van het faillissement voor 12,27 euro rente per dag vanaf 14 oktober 2000 en dit tot de dag der algehele betaling en veroordeelt elk der partijen tot de helft der gedingkosten, gevallen in beide aanleggen. Deze beslissing is gestoeld op volgende gronden : "8. De tekst van artikel 23 van de Faillissementswet impliceert dat op een bijzonder voorrecht, pand of hypotheek de rente doorloopt na het faillissement, doch dat deze enkel kan worden gevorderd van de opbrengst van de goederen die verbonden zijn voor het voorrecht, het pand of de hypotheek. De loop van de rente is niet beperkt tot het tijdstip van de tegeldemaking van het onderpand door de curator. De rente blijft lopen tot aan het tijdstip van de effectieve uitbetaling aan de schuldeiser. De bijzonder bevoorrechte schuldeiser kan zijn schuldvordering behalve op de opbrengst van de verkoop, ook laten gelden op de rente die deze opbrengst voortbrengt (vgl. : Cass. 18 december 1970, R.W. 1970-71, 1756). De intresten van schuldvorderingen die gewaarborgd zijn door een hypotheek of pand volgen het lot van de verschuldigde hoofdsom en vallen eveneens onder het bevoorrecht passief. De wettelijke basis voor deze regeling is terug te vinden in artikel 87 der Hypotheekwet en in artikel 6 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak dat artikel 87 der Hypotheekwet van toepassing verklaart. Onder partijen wordt geen betwisting meer gevoerd nopens het feit dat (eiseres) gerechtigd was rente aan te rekenen ook nu deze niet in de aangifte schuldvordering gevorderd was. Op dit punt hebben (de verweerders
  1. qq)geen incidenteel beroep ingesteld. (Eiseres) heeft de op 20 oktober 1998 ontvangen betaling van 695.126,80 euro terecht eerst geïmputeerd op de sinds de afsluiting van de rekening (op datum van de faillietverklaring) opengevallen rente en pas naderhand op de openstaande hoofdsom, zodat volgens haar afrekening van 27 oktober 1998 op 20 oktober 1998 in hoofdsom 47.111,89 euro (1.900.489 BEF) bleef openstaan, die vanaf 21 oktober 1998 een rente zou genereren van 12,27 euro (495 BEF) per dag. Deze afrekening wordt op zichzelf door (de verweerders
  2. qq)niet betwist. Evenwel wordt bij artikel 87 der Hypotheekwet een beperking ingebouwd, die in casu toepassing vindt. De bevoorrechte of hypothecaire schuldeiser die ingeschreven is voor een kapitaal dat intresten of rentetermijnen opbrengt, heeft het recht om ten hoogste voor drie jaren in dezelfde rang te worden geplaatst als voor zijn kapitaal. De akte van hypotheek en de akten van pandvestiging voorzien in de zekerheid van drie jaar intresten waarvan de rang door de wet gewaarborgd is. De regel van artikel 87 der Hypotheekwet toepassend op onderhavige casus dient de loop van de rente die een bevoorrecht karakter heeft, te worden beperkt tot 13 oktober 2000. De schuldvordering van (eiseres) is dan ook op te nemen in het bevoorrecht passief voor een bedrag van 47.111,89 euro (1.900.489 BEF) in hoofdsom, te vermeerderen met 12,27 euro (495 BEF) per dag vanaf 21 oktober 1998 tot 13 oktober 2000. Er is geen wettelijke basis voorhanden om aan de rente die de termijn zoals beperkt in artikel 87 van de Hypotheekwet overschrijdt, een bevoorrecht karakter toe te kennen". Grieven Blijkens de artikelen 451 van de Faillissementswet van 18 april 1851, zoals van toepassing vóór haar opheffing bij wet van 8 augustus 1997, en 23 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 zet de toestand van faillissement van de schuldenaar, zelfs ten opzichte van de boedel, de loop van de intresten van de door een voorrecht, een pand of een hypotheek gewaarborgde schuldvorderingen niet stop en laat deze het recht van de hypothecaire of bijzonder bevoorrechte schuldeisers om te worden betaald bij voorkeur op de sommen die voortkomen uit de tegeldemaking van de met het voorrecht, het pand of de hypotheek bezwaarde goederen, zowel wat betreft de hoofdsom als wat betreft de intresten van hun schuldvordering, vervallen tot op datum van betaling van die schuldvordering, onaangeroerd. In geval van tegeldemaking van het met een zekerheid bezwaarde goed, het weze door een derde, zoals in casu de curator van het faillissement, wordt de schuldvordering overgedragen op de prijs, daaronder begrepen de intresten, die deze som zal opbrengen tot op het tijdstip waarop zij zal worden uitgekeerd aan de schuldeisers die over een zekerheid op het verkocht goed beschikken. Die prijs blijft bezwaard met het recht van voorrang, dat de bevoorrechte of hypothecaire schuldeiser kan laten gelden, zowel wat betreft de hoofdsom als wat betreft de intresten ervan, tot op de dag van de aanwending van de volledige opbrengst van de verwezenlijking van het bezwaarde goed ter aanzuivering van de bevoorrechte schuldvordering, zowel in hoofdsom als in intresten, zonder dat met betrekking tot de intresten, vervallen na het tijdstip van verwezenlijking van het bezwaarde goed en vóór de volledige uitbetaling van de opbrengst, rekening moet worden gehouden met de in artikel 87 van de Hypotheekwet opgenomen beperking van het bevoorrecht karakter der intresten, opgebracht door de hypothecaire schuldvordering of door de schuldvordering, gewaarborgd door een pand op handelszaak, tot drie jaar. Voornoemde wetsbepaling houdt immers op uitwerking te hebben zodra de schuldvordering op de prijs werd overgedragen. Uit het voorgaande volgt dat, eenmaal het met de zekerheid bezwaarde goed wordt verwezenlijkt, alle intresten die de hoofdsom nog opbrengt het lot van de hoofdsom zullen volgen. Hieruit volgt dat het hof van beroep, dat na bij het bestreden arrest de opname in het bevoorrecht passief van het bedrag van 47.118,89 euro in hoofdsom bevolen te hebben, oordeelt dat het bevoorrecht karakter van de intresten van de hypothecaire en door een pand op handelszaak bevoorrechte schuldvorderingen van eiseres beperkt is tot drie jaar, derwijze dat de loop van de rente van eiseres' schuldvordering, die een bevoorrecht karakter heeft, diende te worden beperkt tot 13 oktober 2000, terwijl de intresten, vervallen vanaf 14 oktober 2000 en dit tot de dag der algehele betaling, in het gewoon passief dienden te worden opgenomen, daarbij voorbijgaande aan de hierboven aangehaalde gevolgen van de tegeldemaking van de met de hypotheek of pand bezwaarde goederen, waardoor de schuldvordering met al haar toebehoren wordt overgedragen op de opbrengst, waarop eiseres in haar conclusie op pagina 6 onder punt 2 wees, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 8, 9, 41, 80 en 87 van de Hypotheekwet, 1, 4 en 9, zoals van toepassing vóór de wijziging bij de wet van 8 augustus 1997, van de wet van 5 mei 1872 houdende herziening van de bepalingen van het Wetboek van Koophandel betreffende het pand en de commissie, vormende boek I, titel VI, 1, 4, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 9 februari 1995, 6, 8, 9, 11 en 12 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen, 451, 454, 528, 542, 543, 544, 547, 550 en 561 van de Faillissementswet van 18 april 1851, 23, 26 en 75, ,§1, deze laatste bepaling zoals van toepassing voor de wijziging door de wet van 4 september 2002, 88, 89, 93 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 en 2073 van het Burgerlijk Wetboek). Minstens is het bestreden arrest, dat in het ongewisse laat of de met de hypotheek en het pand op handelszaak bezwaarde goederen reeds werden verzilverd evenals het tijdstip waarop zulks gebeurde, waardoor het het Hof in de onmogelijkheid plaatst om zijn wettigheidscontrole uit te oefenen, niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de geco ördineerde Grondwet van 17 februari 1994). In ieder geval is de beslissing, die op algemene wijze stelt dat alle intresten, die vanaf 14 oktober 2000 zijn vervallen en nog zullen vervallen tot de dag der algehele betaling, in het gewoon passief dienen te worden opgenomen, vaststelling die ook de intresten omvat die zijn of zullen vervallen tussen het tijdstip van de verzilvering der bezwaarde goederen en dat van de betaling, niet naar recht verantwoord (schending van alle bepalingen aangehaald in de aanhef van het middel, met uitzondering van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 23, tweede lid, van de Faillissementswet, de rente die vervalt vanaf het vonnis van faillietverklaring voor schuldvorderingen die gewaarborgd zijn door een bijzonder voorrecht, pand of hypotheek, kan worden ingevorderd op de opbrengst van de goederen die verbonden zijn voor het voorrecht, het pand of de hypotheek ; Dat dit recht van voorrang op de verkoopprijs van de goederen wordt overgedragen, zodat het bedrag dat de curator heeft ontvangen hiermee bezwaard blijft, zowel wat de hoofdsom van de schuldvordering als wat de interesten ervan betreft, tot op de dag van de betaling ; Overwegende dat, krachtens artikel 87 van de Hypotheekwet, de bevoorrechte of hypothecaire schuldeiser die ingeschreven is voor een kapitaal dat interesten of rentetermijnen opbrengt, het recht heeft om ten hoogste voor drie jaren in dezelfde rang te worden geplaatst als voor zijn kapitaal, onverminderd de bijzondere inschrijvingen ; Dat deze beperking slechts geldt voor de rente die verschuldigd is tot aan het tijdstip van de verkoop van de goederen ; dat het recht van voorrang overgedragen wordt op de verkoopprijs ; dat de rente die aan de hypothecaire schuldeiser verschuldigd is en die vervalt na het tijdstip van de verkoop, derhalve onbeperkt kan worden verhaald op de verkoopprijs van de gehypothekeerde goederen ; Dat het arrest, door te oordelen dat de beperking van artikel 87 van de Hypotheekwet ook van toepassing is op de rente die is verschuldigd na de verkoop van de gehypothekeerde goederen, deze bepaling schendt ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vierentwintig november tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051124.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.