← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051124.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051124.5 Rolnummer: C.04.0015.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2006-11-15 Raadplegingen: 687 - laatst gezien 2026-07-04 05:45 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Onder de door een onderneming van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg uitgeoefende werkzaamheden waaruit schulden voortspruiten die door de borgtocht gewaarborgd zijn, wordt elk vervoer van zaken voor rekening van derden tegen vergoeding bedoeld; de verbintenissen van de vervoerder jegens de ondervervoerder op wie hij een beroep doet zijn niet het gevolg van een door de vervoerder verricht vervoer

(1).
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Vrije woorden: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wegvervoer Borgtocht van de vervoerder Waarborg Schulden Werkzaamheden Begrip Ondervervoerder Verbintenissen van de vervoerder Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 18-03-1991 - Artt.21en22 Fiche 2 Aan de voorwaarde dat de borgtocht van de vervoercommissionair alleen kan worden aangesproken na overlegging, bij ter post aangetekende brief, van de uitdrukkelijke instemming van de vergunninghouder met betrekking tot het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering, ofwel van een ten laste van de vergunninghouder in België uitvoerbare rechterlijke beslissing, is voldaan wanneer in een aangetekende brief aan de borg wordt verwezen naar die instemming of naar die beslissing, die wordt meegedeeld met een andere aangetekende brief
(1).
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Vrije woorden: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wegvervoer Vervoercommissionair Borgtocht Aanspraak Aangetekende brief Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 18-07-1975 - Art.5,§5,twe Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. Dubrulle, Cass., 24 nov. 2005, AR C.04.0015.N, A.C., 2005, nr .... Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Vrije woorden: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wegvervoer Borgtocht van de vervoerder Waarborg Schulden Werkzaamheden Begrip Ondervervoerder Verbintenissen van de vervoerder VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wegvervoer Vervoercommissionair Borgtocht Aanspraak Aangetekende brief Nota: C.04.0015.N Conclusie van de Heer Advocaat-generaal Dubrulle Eiseres heeft aan de N.V. Transport Govaerts twee borgstellingen verleend, de eerste overeenkomstig artikel 18 van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg
(1), de tweede overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 18 juli 1975 tot instelling van de vergunning van vervoercommissionair. Beide borgstellingen werden op 12 februari 1998 opgezegd. De N.V. Transport Govaerts werd op 21 april 1998 failliet verklaard. Verweerster heeft, per fax van 11 februari 1998, aan de N.V. Transport Govaerts het - wegens voor haar verrichte vervoerprestaties - verschuldigd saldo medegedeeld. Een afdruk ervan werd dezelfde dag door een bestuurder van de N.V. Transport Govaerts "voor akkoord" ondertekend. Daags nadien deed verweersters' raadsman schriftelijk beroep op de borgstelling van de vervoerder en de volgende dag deed hij bij aangetekende brief beroep op de borgstelling van de vervoercommissionair. Het arrest veroordeelt eiseres, op grond van deze borgstellingen, om het verschuldigd saldo te betalen. Het eerste onderdeel van het cassatiemiddel voert schending aan van de artikelen 21 en 22, ,§ 1, eerste lid, 1° van het koninklijk besluit van 18 maart
  1. Artikel 21 bepaalde: "De borgtocht bedoeld in artikel 18 dient in zijn geheel, tot waarborg van de schulden van de onderneming ontstaan vanaf de datum dat het in artikel 19 bedoeld bewijs werd opgemaakt voor zover die schulden voortspruiten uit de uitoefening van het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg en voor zover de uitgeoefende werkzaamheden worden gedekt door (...) een algemene vergunning voor nationaal vervoer of een algemene vergunning voor internationaal vervoer". Artikel 22, ,§ 1, eerste lid, 1° bepaalde: "Op de borgtocht bedoeld in artikel 18 kan alleen een beroep worden gedaan door:1° de houders van schuldvorderingen bedoeld in artikel 21, door overlegging, bij ter post aangetekende brief geadresseerd aan de hoofdelijke borg bedoeld in artikel 19, ofwel van de uitdrukkelijke instemming van de onderneming met betrekking tot het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering, ofwel van een ten laste van deze onderneming in België uitvoerbare rechterlijke beslissing;" Volgens het onderdeel is de schuldvordering van de onderaannemer op de hoofdvervoerder in betaling van de vergoeding voor het in onderaanneming verrichte vervoer geen schuldvordering die in rechtstreeks verband staat met een vervoer van zaken verricht door de hoofdvervoerder voor wie borg is gesteld en is dergelijke schuldvordering dus niet gedekt door de borgtocht. De juiste draagwijdte van artikel 21 is in rechtsleer en rechtspraak zeer omstreden: men twist erover welke schuldeisers van de vervoerder de borg kunnen aanspreken. Deze spijtige verdeeldheid, toegeschreven aan die onduidelijkheid van een besluit, waardoor hoven en rechtbanken overmatig belast worden, bestond reeds onder vigeur van het K.B. van 5 september 1978 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer, opgeheven bij artikel 27/1° van het te dezen toepasselijk K.B. van 18 maart
  2. Het Hof heeft, bij arrest van 28 april 1995
(2), het pleit tussen de voorstanders van de ruime interpretatie van het oude besluit in de zin dat de meeste schuldeisers van de vervoerder de borg kunnen aanspreken en deze van de beperkte (of zgn. beperkende) uitlegging beslecht in het voordeel van de laatstgenoemden, die overigens in de meerderheid waren
(3). Dit arrest werd ook door de meeste feitenrechters gevolgd
(4). Het stelt als regel dat de in artikel 38, ,§1, eerste lid, K.B. van 5 september 1978 bedoelde borgtocht die tot waarborg dient van de schuldvorderingen voortspruitend uit de uitoefening van werkzaamheden gedekt door een vervoerbewijs, een algemene vergunning voor nationaal vervoer of een algemene vergunning voor internationaal vervoer "niet onbeperkt tot waarborg strekt van alle vorderingen van derden tegen een vervoersonderneming maar enkel tot zekerheid wordt gegeven voor de schuldvorderingen die in rechtstreeks verband staan hetzij met de uitoefening van een vervoer van zaken voor een tegenprestatie hetzij met een verhuurd voertuig". Het arrest werd ook positief onthaald in de doctrine
(5). De professoren S. Stijns en H. Vuye blijven zowat de enige voorstanders van de ruime interpretatie, zich steunend op de verklaringen van de bevoegde minister.
(6)Drie arresten van 18 september 1997
(7)hebben de schuldvorderingen van verhuurders van voertuigen de dekking van de borgtocht ook ontzegd. De zaak die thans aan de beoordeling van het Hof wordt onderworpen verschilt evenwel in twee opzichten van dat belangrijk precedent van 28 april 1995:
  1. thans is aan de orde de interpretatie van het jongere (doch ook reeds opgeheven) besluit d.i. art. 21 van het K.B. van 18 maart 1991 waarvan de bewoordingen ruimer lijken dan deze van de oude bepaling, het voormeld artikel 38, in zoverre dat de vraag gesteld werd of het niet de bedoeling was van de uitvoerende macht de rechtspraak van het Hof ongedaan te maken. Volgens de "nieuwe" bepaling dient de borgtocht in zijn geheel tot "waarborg van de schulden van de onderneming (...) voor zover die schulden voortspruiten uit de uitoefening van het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg en voor zover de uitgeoefende werkzaamheden worden gedekt door een algemene vergunning voor nationaal vervoer of een algemene vergunning voor internationaal vervoer".
  2. waar in het precedent de vraag gesteld werd of de schuldvordering van een brandstofleverancier door de borgtocht gedekt was en daarop ontkennend geantwoord werd - is de vraag thans of de vordering van de onderaannemer, die dus toch zelf het beroep van ondernemer van goederenvervoer uitoefent, daarvoor in aanmerking komt. Daarbij is het ook van belang aandacht te besteden aan een bijkomende motivering van het precedent: de beperkte uitlegging stemt volgens het Hof overeen met de bedoeling van de wetgever uitwerking te geven aan de richtlijn 74/561/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschap, die hoofdzakelijk de onderaannemers en de gebruikers wil beschermen. Het eerste verschil is geen reden om de beperkte interpretatie te verlaten. De vergelijking van de teksten van beide K.B.'s leidt daartoe niet. Overigens heeft het Hof reeds, bij arrest van 29 maart 2001
(8), de beperkte uitlegging gegeven aan het "nieuwe" besluit: "de borgtocht strekt niet onbeperkt tot waarborg van alle vorderingen tegen een vervoeronderneming maar wordt enkel tot zekerheid gegeven voor de schuldvorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit de uitoefening van een bezoldigd vervoer van zaken", waardoor de vordering van de leverancier van diensten en onderdelen betreffende vrachtwagens van de waarborg werd uitgesloten. Wat het tweede verschil betreft, rijst thans precies de vraag of, gelet op de ratio legis waarop het precedent zich beroept, d.i. bescherming van de onderaannemer, het actuele antwoord hierop zonder meer kan aansluiten. Inderdaad, thans is juist de vordering van deze schuldeiser, in casu verweerster, aan wie het bestreden arrest het voordeel van de borgtocht verleend heeft, aan de orde. Welnu, de verwijzing naar deze bedoeling van de wetgever kan, onder het toepasselijk recht, niet tot het besluit leiden dat de onderaannemer dus beroep kan doen op de borgtocht. De uitbesteding van een vervoer aan een ondervervoerder impliceert een vervoerwerkzaamheid van deze laatste, niet van de hoofdvervoerder, die zijn activiteit inderdaad door een andere wil doen uitvoeren. Deze werkzaamheid moet beoordeeld worden in hoofde van de werkelijke vervoerder, voor wiens rekening de bankier de borg verleende.
(9)Er is dus geen reden om te dezen af te wijken van de beperkende rechtspraak van het Hof. Nu het bestreden arrest dit wel doet, komt het onderdeel gegrond voor: de verbintenissen van de vervoerder jegens de ondervervoerder zijn niet het gevolg van een door de vervoerder verricht vervoer, zodat de door eiseres aan de vervoerder verleende borgtocht niet kan aangesproken worden
(10). Het tweede onderdeel voert een schending aan van artikel 5, ,§ 5, tweede lid van het koninklijk besluit van 18 juli 1975. Volgens deze bepaling kan de borgtocht alleen door de houders van schuldvorderingen voortspruitend uit de uitoefening van de door de vergunning gedekte werkzaamheden worden aangesproken na overlegging, bij ter post aangetekende brief, van de uitdrukkelijke instemming van de vergunninghouder met betrekking tot het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering, ofwel van een ten laste van de vergunninghouder in Be gië uitvoerbare rechterlijke beslissing. Volgens het onderdeel volgt uit deze bepaling dat slechts geldig een beroep kan worden gedaan op de borgtocht, waarnaar deze bepaling verwijst, indien één van de twee volgende constitutieve vormvoorwaarden is vervuld: - hetzij de overlegging bij ter post aangetekende brief van de uitdrukkelijke instemming van de vergunninghouder met betrekking tot het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering, - hetzij de overlegging van een ten laste van de vergunninghouder in België uitvoerbare rechterlijke beslissing en volgt daaruit dat de uitdrukkelijke instemming of de uitvoerbare rechterlijke beslissing bij aangetekend schrijven aan de borg moet worden overgemaakt, zodat het niet volstaat in een aangetekend schrijven aan de borg louter te verwijzen naar de instemming van de vergunninghouder of naar de uitvoerbare rechterlijke beslissing, die gevoegd was bij een andere aangetekende brief, waarbij beroep werd gedaan op een andere verleende borgstelling. Dit onderdeel kan niet worden aangenomen. Aan de voorwaarde van art. 5 is namelijk voldaan wanneer in een aangetekende brief aan de borg wordt verwezen naar de instemming van de vergunninghouder of naar de uitvoerbare rechterlijke beslissing, die werd medegedeeld met een andere aangetekende brief. Na te hebben vastgesteld dat "het bewijsstuk bedoeld in artikel 5, ,§ 5 niet samen met het eerste aangetekende schrijven van 15 april 1998 aan de verzekeraar werd bezorgd, oordeelt het arrest dat "het bedoelde voorschrift (...) niet uitsluit dat de overlegging bij een afzonderlijk tweede schrijven kan worden gedaan". Deze beslissing is naar recht verantwoord. Ze strookt met een niet-formalistische opvatting van het Hof, zoals gevolgd in zijn arresten van 7 mei 1975
(11)en 18 mei 1987
(12), m.b.t. het ontslag van een werknemer en van 13 november 2003
(13), m.b.t. een huurhernieuwing, telkens bij aangetekend schrijven. Het derde onderdeel voert aan dat uit beide bepalingen (voormelde artikelen 5 en 22) volgt dat de instemming van de vergunninghouder die bij aangetekende brief wordt overgemaakt uitdrukkelijk moet zijn en dat deze uitdrukkelijke instemming betrekking moet hebben op het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering. Bij gebrek aan enige vermelding in de fax met betrekking tot de opeisbaarheid van het aangegeven verschuldigde saldo, kan, volgens eiseres, de bevestiging van deze fax enkel betrekking hebben op het bestaan van de schuldvordering en haar omvang en niet op de opeisbaarheid ervan. Het arrest zou ook de bewijskracht van de fax geschonden hebben. Dit onderdeel kan evenmin worden aangenomen worden. Met hun vaststellingen en beoordeling hebben de appèlrechters die bewijskracht niet geschonden en hun beslissing naar recht verantwoord. Conclusie: vernietiging van het arrest in zoverre het beslist dat verweerster een beroep kan doen op de borgstelling die werd verleend bij toepassing van het koninklijk besluit van 18 maart 1991. ___________________________
(1)Opgeheven bij artikel 68 van het K.B. van 7 mei 2002, B.S., 30 mei 2002.
(2)A.R. C.94.0388.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950428.13, nr. 215
(3)C. STEYAERT & E. de FORMANOIR, Qui peut bénéficier du " cautionnement transport " ? Une réglementation controversée, T.B.H., 1997, 494-500
(497)en de talrijke in de voetnoot 14 geciteerde rechtspraak.
(4)Ibid.,voetnoot 16.
(5)Ch. CAUWE, Opmerkingen , De Verz., 1996, 166; C. STEYAERT & E. de FORMANOIR, l.c.; M. TISON, Le cautionnement solidaire en faveur du transporteur de marchandises par route, Bank- en Financiewezen, 3/1999, 95.
(6)S. STIJNS & H. VUYE, De verplichte borgstelling voor vervoerders: een betwist aspect van het economisch administratief recht, R.W., 1995-1996, 1289-1298 en Wederantwoord van de auteurs op de reactie van mr. Cauwe (ibid., 1996-1997, 28), ibid., 1996-1997, 29.
(7)O.m. A.R. C.97.0131.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970918.11, nr. 361, T.B.H., 1998, 751, met noot en R.W., 1998-1999, 255, met noot G. Van Haeghenborgh, De wettelijke borgstelling voor vervoerders: onvolkomen regelgeving leidt tot vaststaande cassatierechtspraak.
(8)A.R. C.99.0544.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010329.18, nr. 185.
(9)Zie C. STEYAERT & E. de FORMANOIR, l.c., 498.
(10)De problematiek is achterhaald door het nieuwe K.B. van 7 mei 2002 (zie voetnoot 1), waarin, onder uitdrukkelijke verwijzing naar de bescherming van de onderaannemer, bepaald wordt dat de borgtocht ook strekt tot dekking van schulden die voortvloeien uit overeenkomsten van onderaanneming.
(11)A.C., 1975, 780.
(12)A.R. 5631, nr. 548.
(13)A.R. C.01.0184.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031113.8, www.cass.be. Tekst van de beslissing Nr. C.04.0015.N FORTIS AG, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen TIMMER VERPAKKEN EN DISTRIBUTIE, besloten vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 1951 NA Velsen-Noord (Nederland), Leeghwaterweg 17-25, die in de akte van betekening van het bestreden arrest keuze van woonplaats heeft gedaan op het kantoor van gerechtsdeurwaarder Emmanuel Debray, met verblijfplaats te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Herendal 71, verweerster, en ten aanzien van VANEYNDE TRANSPORT, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2270 Herenthout, Langstraat 134, in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 31 juli 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 21, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 25 november 1992, en 22, ,§1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg ; &§9472; artikel 5, ,§5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 juli 1975 tot instelling van de vergunning van vervoercommissionair, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 16 november
  1. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van verweerster gegrond en veroordeelt dienvolgens eiseres tot de betaling aan verweerster van een bedrag van 119.002,74 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten vanaf 13 februari 1998 tot op de dag van betaling, op volgende gronden : "
  2. Bij aangetekende brief van 12 februari 1998 heeft de advocaat van Timmer aan de rechtsvoorganger van Fortis AG om betaling gevraagd van 9.462.838 BEF thans 234.577,63 euro wegens op NV Transport Goovaerts uitstaande en vervallen schuldvorderingen. Ze meldde dat de vordering voortkomt uit activiteit die valt onder het koninklijk besluit van 18 maart 1991 en ze verwees naar de akte van borgstelling nummer 4.088.
  3. Op 13 februari 1998 richtte ze een tweede aangetekende brief aan verzekeraar AG om een beroep te doen op de borgstelling uit de akte nummer 4.090.
  4. Ze verwees naar dezelfde bewijsstukken en dezelfde rechtsgrond als voordien.
  5. De schuldvordering van Timmer betreft 282 facturen die uitgereikt werden tussen 30 september 1997 en 11 februari
  6. Op 11 februari 1998 heeft Timmer een faxbericht verstuurd aan Transport Goovaerts waarin ze, na verrekening van facturen die over en weer werden uitgereikt, een te voldoen eindsaldo begroot van 512.335,60 Nederlandse Gulden thans 232.487,76 euro met verzoek dit saldo te bevestigen. Dezelfde dag nog heeft haar debiteur die bevestiging verstrekt per fax.
  7. In de akte van borgstelling nummer 4.088.534 van 2 december 1988 die uitwerking kreeg met ingang van 1 mei 1988 wordt niet expliciet verwezen naar de waarborg van de schuldvorderingen voortspruitend uit de uitoefening van werkzaamheden gedekt door een vervoerbewijs, een algemene vergunning voor internationaal vervoer, maar er bestaat geen betwisting over dat deze akte een toepassing betreft van de artikelen 18 tot 25 van het koninklijk besluit van 18 maart
  8. De werkzaamheden die worden geviseerd door dit reglement betreffen het vervoer van zaken tegen vergoeding en de borgtocht strekt enkel tot zekerheid van de schuldvorderingen die in rechtstreeks verband staan hetzij met de uitoefening van een vervoer van zaken voor een tegenprestatie, hetzij met een verhuurd voertuig (Cass. 28 april 1995, R.W., 1995-96, 1308 ; Cass. 18 september 1997, R.W., 1998-1999, 255, met noot G. Van Haeghenborgh ; T.B.H., 1998, 751 met noot).
  9. Met de reglementering op grond waarvan (eiseres) borgstelling heeft verstrekt werd uitvoering gegeven aan de richtlijn van de Raad van 12 november 1974 (74/561/EEG) die hoofdzakelijk beoogt gebruikers en onderaannemers van de vervoerder te beschermen. Hieruit moet worden besloten dat niet enkel de gebruikers van het vervoer maar tevens de onderaannemers van de vervoerder zich op de borgtocht kunnen beroepen (zie in het algemeen over de ruime of restrictieve interpretatie : C. Steyaert & E. de Formanoir, Qui peut bénéficier du 'cautionnement transport'? Une réglementation controversée, T.B.H., 1997, 494 e.v.).
  10. De schuldvordering van Timmer steunt op facturen wegens vervoer in onderaanneming, op enkele na die de verhuur betreffen van een koelinstallatie. Zij staat aldus in rechtstreeks verband met de uitoefening van het vervoer van zaken voor een tegenprestatie en voldoet aan de wettelijke voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 21 van het koninklijk besluit van 18 maart 1991, om op de wettelijke borgtocht verleend voor de vervoerder aanspraak te maken.
  11. Aan die conclusie wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat (eiseres) ook een specifieke borgstelling heeft verleend voor de activiteit van de gefailleerde als commissionair-vervoerder. Deze borgstelling is verleend krachtens een wettelijke verplichting die behoorde te worden vervuld om een specifieke vergunning als commissionair- vervoerder te kunnen bekomen. Indien de onderaannemer van de vervoerder in aanmerking komt om de borgstelling in te roepen die voor deze laatste werd gesteld in toepassing van het koninklijk besluit van 18 maart 1991, staat niets eraan in de weg dat hij deze inroept, zelfs indien hij - wegens vervoer dat hij als derde heeft verricht en waarvoor de vervoerder zich in eigen naam heeft verbonden - zou kunnen steunen op een borgstelling die voor dezelfde onderneming werd verleend op grond van de vergunning als commissionair vervoerder. Evenmin bestaat er voor hem enig beletsel om de beide borgstellingen tegelijk in te roepen.
  12. Artikel 22,1.1°, schrijft voor dat de houders van een schuldvordering aan de borg dienen over te leggen, bij ter post aangetekende brief, ofwel de uitdrukkelijke instemming van de onderneming met betrekking tot het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering, ofwel een ten laste van deze onderneming in België uitvoerbare rechterlijke beslissing. De advocaat van Timmer heeft bij aangetekende brief van 12 februari 1998 de borgstelling afgeroepen, en als bijlage een kopie toegevoegd van het faxbericht dat haar cliënte daags voordien (haar) lees : (had) gestuurd aan Transport Goovaerts en die dag zelf door deze laatste voor akkoord was ondertekend.
  13. In het faxbericht bevestigt Timmer dat zij na verrekening van een aantal opgesomde, over en weer uitgereikte, facturen, een bedrag van 249,01 Nederlandse Gulden thans 113 euro heeft betaald. Daarna begroot zij de uitstaande schuld van Transport Goovaerts op 512.335,60 Nederlandse Gulden thans 232.487,76 euro en zij vraagt om bevestiging per kerende van dit bedrag. De bevestiging van de inhoud van de fax, die prompt werd verstrekt, kan niet anders worden begrepen dan als een uitdrukkelijke instemming vanwege Transport Goovaerts in de zin van het vermelde artikel 22, en zij voldoet derhalve aan het formalisme dat onder randnummer 25 wordt vermeld. De brief die op 13 februari 1998 werd verstuurd voor de afroep van de borg als commissionair vervoerder, waarin op dezelfde bevestiging werd gesteund, voldoet bijgevolg eveneens aan het in dit opzicht gelijkluidende voorschrift uit artikel 5, ,§5, tweede lid, uit het koninklijk besluit van 18 juli 1975". Grieven
  14. Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 22, ,§1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg kan de borgtocht enkel worden ingeroepen door de houders van schuldvorderingen bedoeld in artikel 21 van het voormeld koninklijk besluit. Uit het artikel 21 van het voormeld koninklijk besluit, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 25 november 1992, volgt dat de borgtocht enkel dient tot waarborg van de schulden van de onderneming die voortspruiten uit de uitoefening van het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg en voor zover de uitgeoefende werkzaamheden worden gedekt door een algemene vergunning voor nationaal vervoer of een algemene vergunning voor internationaal vervoer. Deze borgtocht dient niet tot waarborg van alle vorderingen van derden tegen de vervoeronderneming, maar enkel tot waarborg van de schuldvorderingen die in rechtstreeks verband staan met een vervoer van zaken verricht door de vervoeronderneming, hetzij voor een tegenprestatie in geld, in natura of in de vorm van om het even welke rechtstreekse of onrechtstreekse voordelen, hetzij met een verhuurd voertuig. Wanneer een vervoeronderneming aan een derde het vervoer van goederen in onderaanneming toevertrouwt, staan haar verbintenissen ten aanzien van de onderaannemer niet in verband met de uitvoering door haar van een vervoer van zaken. De schuldvordering van de onderaannemer op de hoofdvervoerder in betaling van de vergoeding voor het in onderaanneming verrichte vervoer is dus geen schuldvordering die in rechtstreeks verband staat met een vervoer van zaken verricht door de hoofdvervoerder, voor wie borg is gesteld ; dergelijke schuldvordering is dus niet gedekt door de in toepassing van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 voor die hoofdaannemer gestelde borgtocht. Het bestreden arrest, dat voor de gegrondverklaring van de vordering van verweerster ook steunt op de borgstelling verleend door eiseres in toepassing van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, heeft, door na te hebben vastgesteld dat de schuldvordering van verweerster ten aanzien van de naamloze vennootschap Transport Goovaerts steunt op facturen wegens vervoer in onderaanneming (op enkele facturen na die de verhuur betreffen van een koelinstallatie), de artikelen 21, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 25 november 1992, en 22, ,§1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg geschonden.
  15. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 5, ,§5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 juli 1975 tot instelling van de vergunning van vervoercommissionair, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 16 november 1990, kan de borgtocht alleen worden aangesproken door de houders van schuldvorderingen voortspruitend uit de uitoefening van de door de vergunning gedekte werkzaamheden, na overlegging, bij ter post aangetekende brief, van de uitdrukkelijke instemming van de vergunninghouder met betrekking tot het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering, ofwel van een ten laste van de vergunninghouder in België uitvoerbare rechterlijke beslissing. Uit deze bepaling volgt dat slechts geldig een beroep kan worden gedaan op de borgtocht, waarnaar deze bepaling verwijst, indien één van de twee volgende constitutieve vormvoorwaarden is vervuld : - hetzij de overlegging bij ter post aangetekende brief van de uitdrukkelijke instemming van de vergunninghouder met betrekking tot het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering ; - hetzij de overlegging van een ten laste van de vergunninghouder in België uitvoerbare rechterlijke beslissing. Uit deze bepaling volgt dat de uitdrukkelijke instemming of de uitvoerbare rechterlijke beslissing bij aangetekend schrijven aan de borg moet worden overgemaakt, zodat het niet volstaat in een aangetekend schrijven aan de borg louter te verwijzen naar de instemming van de vergunninghouder of naar de uitvoerbare rechterlijke beslissing, die gevoegd was bij een andere aangetekende brief, waarbij beroep werd gedaan op een andere verleende borgstelling. Het bestreden arrest stelt vast dat verweerster bij aangetekende brief van 12 februari 1998 aan eiseres om betaling heeft gevraagd onder verwijzing naar het koninklijk besluit van 18 maart 1991 en dat als bijlage bij deze brief een kopie was gevoegd van het door de naamloze vennootschap Transport Goovaerts voor akkoord ondertekend faxbericht van 11 februari 1998 uitgaande van verweerster. Het bestreden arrest beslist dat de voormelde bevestiging van het faxbericht niet anders kan worden begrepen als de uitdrukkelijk instemming van de naamloze vennootschap Transport Goovaerts met betrekking tot het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering. Het bestreden arrest stelt daarnaast vast dat verweerster op 13 februari 1998 een tweede aangetekende brief heeft gericht aan eiseres waarbij zij beroep deed op de andere borgtocht verleend in toepassing van het koninklijk besluit van 18 juli 1975 tot instelling van de vergunning van vervoercommissionair en waarbij zij verwees naar dezelfde bewijsstukken als deze gevoegd in de eerste aangetekende brief (die van 12 februari 1998). Zodoende stelt het bestreden arrest vast dat bij dit tweede aangetekend schrijven van verweerster van 13 februari 1998 geen kopie was gevoegd van het door de naamloze vennootschap Transport Goovaerts voor akkoord ondertekend faxbericht van 11 februari
  16. Het bestreden arrest oordeelt vervolgens dat het aangetekend schrijven van 13 februari 1998 dat werd verstuurd voor de afroep van de borg verleend voor de activiteiten commissionair-vervoerder (koninklijk besluit van 18 juli 1975) en waarin werd verwezen naar de bevestiging van het faxbericht van 11 februari 1998, die evenwel niet gevoegd was bij dit aangetekend schrijven, voldoet aan het voorschrift van artikel 5, ,§5, van het koninklijk besluit van 18 juli 1975 tot instelling van de vergunning van vervoercommissionair. Het bestreden arrest, dat zijn beslissing betreffende de vordering van verweerster ook steunt op de borg verleend op basis van het koninklijk besluit van 18 juli 1975 tot instelling van de vergunning van vervoercommissionair, heeft, door te oordelen dat aldus aan de formaliteiten van artikel 5, ,§5, van voormeld koninklijk besluit was voldaan, deze bepaling geschonden nu, zoals vastgesteld door het bestreden arrest, het voormeld aangetekend schrijven slechts verwijst naar de bevestiging van het faxbericht zonder dat die bevestiging als bijlage bij het aangetekend schrijven was gevoegd.
  17. Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 22, ,§1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, kan alleen een beroep gedaan worden op de borgtocht door de houder van schuldvorderingen bedoeld in artikel 21 van het voornoemde koninklijk besluit, door overlegging, bij ter post aangetekende brief geadresseerd aan de hoofdelijke borg, ofwel van de uitdrukkelijke instemming van de onderneming met betrekking tot het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering, ofwel van een ten laste van deze onderneming in België uitvoerbare rechterlijke beslissing. Overeenkomstig artikel 5, ,§5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 juli 1975 tot instelling van de vergunning van vervoercommissionair, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 16 november 1990, kan de borgtocht alleen worden aangesproken door de houders van schuldvorderingen voortspruitend uit de uitoefening van de door de vergunning gedekte werkzaamheden, na overlegging, bij ter post getekende brief, van de uitdrukkelijke instemming van de vergunninghouder met betrekking tot het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering, ofwel van een ten laste van de vergunninghouder in België uitvoerbare rechterlijke beslissing. Uit deze beide bepalingen volgt dat slechts een beroep kan worden gedaan op de borgtocht, waarnaar deze bepalingen verwijzen, indien één van de twee volgende constitutieve vormvoorwaarden is vervuld : - hetzij de overlegging bij ter post aangetekende brief van de uitdrukkelijke instemming van de vergunninghouder met betrekking tot het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering ; - hetzij de overlegging van een ten laste van de vergunninghouder in België uitvoerbaar rechterlijke beslissing. Uit deze bepalingen volgt dat de instemming van de vergunninghouder die bij aangetekende brief wordt overgemaakt uitdrukkelijk moet zijn en deze uitdrukkelijk instemming betrekking moet hebben op het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering. De instemming van de vergunninghouder die bij aangetekende brief moet worden overgemaakt, moet zodoende op duidelijke en ondubbelzinnige wijze te kennen geven dat de schuldvordering, die gewaarborgd wordt door de borgtocht bestaat en opeisbaar is. Met betrekking tot de vordering van verweerster oordeelt het bestreden arrest dat de bevestiging door de naamloze vennootschap Transport Goovaerts van de inhoud van het faxbericht gevoegd bij het schrijven van 12 februari 1998 niet anders kan worden begrepen dan als een uitdrukkelijke instemming vanwege de naamloze vennootschap Transport Goovaerts volgens het voormelde formalisme. Het faxbericht van 11 februari 1998 vermeldt dat na een verrekening van facturen nog een eindsaldo van 232.487,76 euro (512.353,60 NLG) is te voldoen met verzoek om dit te bevestigen, zonder dat op enige wijze melding wordt gemaakt van het opeisbaar karakter of verwezen wordt naar de opeisbaarheid van het aangegeven verschuldigde saldo. Bij gebrek aan enige vermelding in deze fax met betrekking tot de opeisbaarheid van het aangegeven verschuldigde saldo, kan de bevestiging van deze fax enkel betrekking hebben op het bestaan van de schuldvordering en haar omvang en niet op de opeisbaarheid ervan. Door te beslissen dat de bevestiging van de inhoud van de fax van 11 februari 1998 niet anders kan worden begrepen dan als een uitdrukkelijke instemming vanwege de naamloze vennootschap Transport Goovaerts in de zin van het artikel 22, ,§1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg en in de zin van artikel 5, ,§5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 juli 1975 tot instelling van de vergunning van vervoercommissionair, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 16 november 1990, oordeelt het bestreden arrest ofwel dat deze fax bepaalde vermeldingen bevat die er in werkelijkheid niet instaan, met name dat die fax, zoals bevestigd door de naamloze vennootschap Transport Goovaerts, een uitdrukkelijke instemming van de vergunningshouder bevat dat de schuldvorderingen van verweerster opeisbaar zijn terwijl die fax dit niet vermeldt, in welk geval het bestreden arrest de bewijskracht van die bevestigde fax schendt (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) ofwel dat het formalisme voorzien in die artikelen geen uitdrukkelijke instemming van de vergunninghouder i.v.m. de opeisbaarheid van de schuldvorderingen vereist, in welk geval het bestreden arrest die laatste artikelen schendt (schending van artikel 22, ,§1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg en van artikel 5, ,§5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 juli 1975 tot instelling van de vergunning van vervoercommissionair, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 16 november 1990). IV. Beslissing van het Hof
  18. Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 21 van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, de borgtocht tot waarborg dient van de schulden van de onderneming ontstaan vanaf de datum dat het in artikel 19 bedoeld bewijs werd opgemaakt voor zover die schulden voortspruiten uit de uitoefening van het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg en voor zover de uitgeoefende werkzaamheden worden gedekt door een vervoerbewijs, een algemene vergunning voor nationaal vervoer of een algemene vergunning voor internationaal vervoer ; dat, krachtens artikel 22, ,§1, van hetzelfde koninklijk besluit op de borgtocht alleen een beroep kan worden gedaan door de houders van schuldvorderingen bedoeld in artikel 21 ; Overwegende dat onder voormelde werkzaamheden bedoeld wordt elk vervoer van zaken voor rekening van derden tegen vergoeding ; Dat de verbintenissen van de vervoerder jegens de ondervervoerder op wie hij een beroep doet niet het gevolg zijn van een door de vervoerder verricht vervoer ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat de schuldvordering van verweerster "steunt op facturen wegens vervoer in onderaanneming" ; dat zij vervolgens oordelen dat verweerster "als onderaannemer van de vervoerder in aanmerking komt om de borgstelling in te roepen" en zij op die gronden eiseres veroordelen tot de betaling aan verweerster van het bedrag van 119.002,74 euro ; Dat het arrest, door aldus te oordelen, de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen schendt ; Dat het onderdeel gegrond is ;
  19. Tweede onderdeel Overwegende dat luidens artikel 5, ,§5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 juli 1975 tot instelling van de vergunning van vervoercommissionair, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 16 november 1990, de borgtocht alleen kan worden aangesproken na overlegging, bij ter post aangetekende brief, van de uitdrukkelijke instemming van de vergunninghouder met betrekking tot het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering, ofwel van een ten laste van de vergunninghouder in België uitvoerbare rechterlijke beslissing ; Dat aan deze voorwaarde is voldaan wanneer in een aangetekende brief aan de borg wordt verwezen naar de instemming van de vergunninghouder of naar de uitvoerbare rechterlijke beslissing, die wordt meegedeeld met een andere aangetekende brief ; Overwegende dat het arrest na te hebben vastgesteld dat "het bewijsstuk bedoeld in artikel 5, ,§5, niet samen met het eerste aangetekende schrijven van 15 april 1998 aan de verzekeraar (werd) bezorgd", oordeelt dat "het bedoelde voorschrift (...) niet (uit)sluit dat de overlegging bij een afzonderlijk tweede schrijven kan worden gedaan" ; Dat het aldus zijn beslissing naar recht verantwoordt ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
  20. Derde onderdeel Overwegende dat, luidens artikel 5, ,§5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 juli 1975 tot instelling van de vergunning van vervoercommissionair, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 16 november 1990, de borgtocht alleen kan worden aangesproken na overlegging, bij ter post aangetekende brief, van de uitdrukkelijke instemming van de vergunninghouder met betrekking tot het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering, ofwel van een ten laste van de vergunninghouder in België uitvoerbare rechterlijke beslissing ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat : - verweerster in het faxbericht bevestigt dat zij na verrekening van een aantal opgesomde, over en weer uitgereikte facturen, een bedrag van 249,01 Nederlandse Gulden thans 113 euro heeft betaald ; - verweerster daarna de uitstaande schuld van Transport Goovaerts op 512.335,60 Nederlandse Gulden thans 232.487,76 euro begroot en vraagt om bevestiging per kerende van dit bedrag ; Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat "de bevestiging van de inhoud van de fax, die prompt werd verstrekt, (...) niet anders (kan) worden begrepen dan als een uitdrukkelijk instemming vanwege Transport Goovaerts in de zin van het vermelde artikel 22, en zij (derhalve) voldoet aan het formalisme dat onder randnummer 25 wordt vermeld" en dat "de brief die op 13 februari 1998 werd verstuurd voor de afroep van de borg als commissionairvervoerder, waarin op dezelfde bevestiging werd gesteund, (...) bijgevolg eveneens (voldoet) aan het in dit opzicht gelijkluidende voorschrift uit artikel 5, ,§5, tweede lid, uit het koninklijk besluit van 18 juli 1975" ; Dat de appèlrechters door aldus te oordelen van het bedoeld faxbericht een uitlegging geven die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is ; Overwegende dat het onderdeel voor het overige is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het beslist dat verweerster een beroep kan doen op de borgstelling die werd verleend bij toepassing van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 ; Verklaart het arrest bindend aan de tot bindendverklaring opgeroepen partij ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vierentwintig november tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051124.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111013.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950428.13 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970918.11 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010329.18 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031113.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.7 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.