← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051201.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051201.5 Rolnummer: C.03.0354.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2006-04-05 Raadplegingen: 689 - laatst gezien 2026-07-04 12:09 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Een dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde is een bestuurshandeling waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is zodat het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd; geen wettelijke bepaling staat eraan in de weg dat het bestuur na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Gebrek aan voldoening van de belasting Dwangbevel Bestuurshandeling Motivering Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - Art.3 Thesaurus CAS: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT Vrije woorden: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT Bestuurshandelingen Wet Motivering Bestuurshandelingen Bestuurshandeling Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - Art.3 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 1 dec. 2005, AR C.03.0354.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Gebrek aan voldoening van de belasting Dwangbevel Bestuurshandeling Motivering Thesaurus CAS: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT Vrije woorden: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT Bestuurshandelingen Wet Motivering Bestuurshandelingen Bestuurshandeling Nota: C.03.0354.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
  1. Het ten deze door verweerders betwiste dwangbevel is gebaseerd op de bevindingen van een op 21 januari 1992 bij de boekhouder van verweerster verrichte controle, vastgelegd in een proces-verbaal van 11 februari
  2. Uit dit proces-verbaal blijkt dat dertien daarin opgesomde aankoopfacturen van autovoertuigen bepaalde door artikel 3, ,§ 2 van het K.B. nr. 17 van 20 december 1984 opgelegde vermeldingen niet bevatten, zoals de cilinderinhoud, motorsterkte en datum van inverkeerstelling, zodat die facturen "niet als rechtvaardiging van het recht op aftrek in hoofde van n.v. TOMTRADE kunnen dienen en dat derhalve deze door haar ten onrechte in aftrek gebrachte belasting (...) aan de Schatkist moet worden teruggestort." Tijdens het debat voor de rechtbank ingevolge het door verweerster aangetekende verzet tegen het dwangbevel voerde de administratie in conclusies aan de hand van een overzicht bijkomend aan dat de litigieuze dertien facturen waarop de in aftrek gebrachte BTW werd verworpen deel uitmaken van een B.T.W.-carroussel zodat tegenover deze facturen dan ook geen echte belastbare handeling zou staan.
  3. Het bestreden arrest stelt vast dat zulk motief niet vermeld werd in het litigieus proces-verbaal en dwangbevel en dat zulk nieuw motief, dat verschilt van de motieven uiteengezet in het dwangbevel, door de administratie niet rechtsgeldig voor de eerste maal in het kader van de bezwaarprocedure tegen dat dwangbevel ter verantwoording van de door haar gevorderde BTW-schuld kan ingeroepen worden. Om die reden beslist het Hof geen rekening te houden met de door de administratie in conclusie uiteengezette feiten inzake de B.T.W.-carroussel ter beoordeling van de gegrondheid van het verzet.
  4. In het eerste middel komt eiser op tegen die beslissing van het bestreden arrest, stellende dat een procedure beperkt is door het voorwerp van de eis, doch niet door de motieven die oorspronkelijk tot staving van de vordering werden ingeroepen. Volgens eiser kan op geen enkele rechtsregel gesteund worden om voor te houden dat feiten, die na het opstellen en betekenen van een proces-verbaal en van een dwangbevel ter kennis komen van de administratie, niet meer tot steun van de ingeleide vordering kunnen aangevoerd worden.
  5. Eiser kan ter zake niet worden gevolgd nu krachtens de gevestigde rechtspraak en rechtsleer de Wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van de bestuurshandelingen van toepassing is op het dwangbevel inzake B.T.W. (Gent, 4 maart 2003, Fis. Koer., 2003, afl. 9, 397, met noot A. KIEKENS; Gent, 9 januari 2002, T.F.R., 2002, 725, met noot DE MEYERE: "Motivering dwangbevel in indirecte belastingen"; Gent, 15 maart 1999, F.J.F., Nr. 99/146; Rb. Gent, 24 oktober 2002, F.J.F., 2003, afl. 5, 544; Rb. Antwerpen, 22 december 2000, T.F.R., 2001, 917; Rb. Antwerpen, 8 juni 1999, T.F.R., 1999, 970, met noot H. VANDEBERGH: "De motivering van het dwangbevel inzake B.T.W."; J. ROSELETH, Fiscaal Praktijkboek 2001-2002 Indirecte belastingen, co-ed. Ced.Samsom, Fiscale Hogeschool en EHSAL-FHS-Seminaries, deel VII, p. 270; H. VANDEBERGH, De geschillenprocedure inzake B.T.W., Bibliotheek Fiscaal Recht Larcier, Larcier Gent, 2005, nr. 26, p. 20). Deze wet vereist dat de motivering uitdrukkelijk in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet tevens afdoende zijn (cfr. de artt. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen). Ter zake kan tevens verwezen worden naar het antwoord op de parlementaire vraag van senator de Clippele van 11 mei 2001, waarin o.m. het volgende wordt gesteld: "Inzake B.T.W. geldt als algemene regel dat de motieven in de akte zelf worden uiteengezet, vermits de motivering in beginsel deel uitmaakt van de eigenlijke beslissing. Bijgevolg is het dwangbevel steeds in rechte en in feite gemotiveerd, waardoor wordt beantwoord aan de vereisten van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Bovendien vormt het proces-verbaal één geheel met het dwangbevel en vult het aan, zodat de belastingplichtige de gegrondheid van zijn schuldvordering kan verifiëren." (Vraag nr. 1283, DE CLIPPELE van 11 mei 2001, Vr. en Antw., Senaat, 2001-2002, nr. 2-44, 2277-2279). Het is noodzakelijk dat het proces-verbaal, als bijlage waarnaar het dwangbevel verwijst, mee betekend wordt om de belastingplichtige in de mogelijkheid te stellen zich rekeningschap te geven van het voorwerp en de oorzaak van de vordering van de administratie. Geen enkele wettelijke bepaling voorziet evenwel dat de stukken waarnaar in het proces-verbaal wordt verwezen, mee moeten betekend worden met het dwangbevel (Cass., 17 september 1998, F.J.F., nr. 2001/28). Het proces-verbaal dat een geheel vormt met het dwangbevel, kan nadien aangevuld worden. Dit aanvullend proces-verbaal kan evenwel alleen dienstig zijn als bewijsinstrument doch niet als motivering van het dwangbevel. Als bewijsmiddel kan een proces-verbaal steeds aangevuld worden; als motivering van het dwangbevel niet (Gent, 15 maart 1999, F.J.F., Nr. 99/146). Bovendien zou zulks in strijd zijn met de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen nu de vordering alsdan niet meer gedragen wordt door haar motieven (Rb. Antwerpen, 8 juni 1999, T.F.R., 1999, 970, met noot H. VANDEBERGH; Rb. Gent, 24 oktober 2002, F.J.F., Nr. 2003/147). De juridische grondslag van de vordering kan na het betekenen van het dwangbevel dus niet meer gewijzigd worden (J. ROSELETH, o.c., p. 272). Wanneer bijvoorbeeld een dwangbevel gesteund is op een ambtelijke aanslag, doch blijkt dat de voorwaarden voor de toepassing ervan niet voldaan waren, kan nadien geen andere procedure of een gewoon bewijsmiddel worden toegepast om het dwangbevel te staven. Wanneer een dwangbevel steunt op artikel 66 B.T.W.-Wetboek kan deze motivering niet vervangen worden door een andere grondslag, bv. artikel 59 van dat wetboek (H. VANDEBERGH, De geschillenprocedure inzake B.T.W., o.c., nr. 29). De feiten en rechtsregels waarop het dwangbevel gesteund is, kunnen nadien niet meer gewijzigd worden, noch door de Administratie, noch door de rechtbank. De rechtbank zal in voorkomend geval de nietigheid van het dwangbevel moeten uitspreken. Zo werd geoordeeld dat de belastingplichtige zich in dat geval moeilijk kan verdedigen op toekomstige elementen die hem niet ter kennis waren op het ogenblik dat het dwangbevel werd uitgevaardigd (Gent, 15 maart 1999, F.J.F., Nr. 99/146).
  6. In voorliggende zaak hebben de appelrechters voormelde principes correct toegepast. Er bestond ten deze geen aanleiding toe de nietigheid van het dwangbevel uit te spreken nu de motivering ervan, zowel wat de aangevoerde feiten als wat de juridische grondslag betreft, door de Administratie gehandhaafd werd tijdens de procedure van verzet tegen het litigieus dwangbevel. De administratie steunde haar vordering tot terugbetaling van de ten onrechte in aftrek gebrachte B.T.W. nog steeds op het gegeven dat de dertien aankoopfacturen van eiseres bepaalde door het K.B. nr. 17 van 2O december 1984 opgelegde vermeldingen niet bevatten. In zijn conclusies in hoger beroep heeft eiser evenwel de motivering van het dwangbevel in strijd met de hoger vermelde principes aangevuld met nieuwe feiten en een tweede grondslag, waar aangevoerd wordt dat de kwestieuze facturen deel uitmaken van een B.T.W.-carroussel zodat deze facturen dan ook niet overeenstemmen met werkelijke leveringen van auto's die verweerster zou gebruikt hebben voor het verrichten van effectief belastbare handelingen. De appelrechters konden dan ook, zonder schending van de in het middel aangewezen wetsbepalingen, oordelen dat de Belgische Staat dit nieuw motief "niet rechtsgeldig voor de eerste maal in het kader van een bezwaarprocedure tegen vermeld dwangbevel ter verantwoording van deze gevorderde BTW-schuld kon inroepen". Het eerste middel komt dan ook ongegrond voor. Besluit: VERWERPING. Tekst van de beslissing Nr. C.03.0354.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op benaarstiging van de rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. tegen
  7. FIDELITY ELECTRONICS INT., afgekort F.E.T., met zetel te 2050 Antwerpen, Katwilgweg 7,
  8. Q.B., advocaat, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van Fidelity Electronics Int., verweerders. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 december 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
  9. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 45, ,§1, en 2, 52, 59 en 85, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van kracht voor de jaren 1990 en 1991 (Wb. BTW) ; &§9472; artikel 3, ,§1, 1°, KB nummer 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde in de tekst vóór de wijziging bij KB van 22 november 1994, artikel 2, 1° tot en met 6°, KB nummer 1 van 23 juli 1969, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde in de tekst zoals van kracht voor de jaren 1990 en 1991, en artikel 3, ,§1 en 2, KB nummer 17 van 20 december 1984 met betrekking tot de vaststelling van een minimummaatstaf van heffing voor tweedehandse personenauto's en tweedehandse auto's voor dubbel gebruik, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde. (oorspronkelijke tekst, BS 3 januari 1985) ; &§9472; artikel 1138, 2° en 3°, van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van de rechten van verdediging voorschrijft. Aangevochten beslissingen Het arrest doet het bestreden dwangbevel teniet wat betreft de door de administratie verworpen aftrek van voorbelasting. Tot motivering van de in conclusie aangevoerde stelling, met name dat de wagens, waarvoor de bij aankoop betaalde BTW door eiseres in aftrek wordt gebracht "zich in een carrousel bevinden", wordt in het arrest overwogen : "(Eiser) geeft op pagina 6 tot 11 van zijn conclusie in hoger beroep een 'overzicht waaruit blijkt dat de bovenvermelde facturen waarop de in aftrek gebrachte BTW werd verworpen, deel uitmaken van een zogenaamde carrousel. Uit het bovenstaande overzicht blijkt duidelijk dat de luxewagens regelmatig opnieuw in handen van dezelfde personen terechtkwamen. Ze draaiden als het ware in een cirkel, ze bevonden zich met andere woorden in een carrousel' en besluit daaruit dat tegenover deze facturen dan ook geen echte belastbare handeling zou staan. Terecht merkt (verweerster) op dat zulk motief niet vermeld werd in het proces-verbaal van 11 februari 1992 of in het dwangbevel van 17 juli 1992 en dat zulk nieuw motief, dat verschilt van de motieven uiteengezet in het dwangbevel van 17 juli 1992, door (eiser) niet rechtsgeldig voor de eerste maal in het kader van de bezwaarprocedure tegen voormeld dwangbevel ter verantwoording van de door haar gevorderde BTW schuld kan ingeroepen worden. Om die reden zal dit hof (van beroep) dan ook ter beoordeling van de gegrondheid van het verzet geen rekening houden met voormelde door (eiser) op pagina 6 tot 11 van zijn syntheseconclusie in hoger beroep uiteengezette feiten". Wat de tekortkomingen in de facturatie betreft, wordt in het arrest overwogen : "(Verweerster) stelt ook terecht dat door de verificateur nooit betwist is dat zij de BTW op voormelde facturen effectief betaald heeft en uit de neergelegde stukken blijkt dat de litigieuze facturatie overeenstemt met werkelijke leveringen van auto's die (verweerster) gebruikt heeft voor het verrichten van effectief belastbare handelingen, uitgezonderd de Porsche Cabrio die door BVBA Glenntex op 31 december 1991 zou geleverd zijn (BTW ad 300.300 BEF), nu uit samenlezing van stukken 12, 13 en 24 de werkelijke levering van deze wagen minstens twijfelachtig wordt. (Verweerster) heeft steeds geargumenteerd dat de door de verificateur aangehaalde onregelmatigheden van de facturen (met name de niet-vermelding van cilinderinhoud en/of motorsterkte en/of datum waarop de personenauto voor het eerst in het verkeer is gebracht) de BTW heffing of de controle daarop niet belemmeren. Dit (hof van beroep) dient vast te stellen dat (eiser) deze argumentatie onbeantwoord laat en dit (hof van beroep) besluit dan ook dat de aanwezige vermeldingen op de litigieuze facturen volstonden om een efficiënte BTW inning en controle mogelijk te maken en dat de door de verificateur vermelde ontbrekende gegevens redelijkerwijze niet noodzakelijk waren om de inning van BTW en de controle daarvan door de belastingadministratie te verzekeren, zodat (verweerster) met uitzondering van voormelde factuur van 31 december 1991 (voor levering van een Porsche) op rechtsgeldige wijze tot aftrek van voorbelasting is overgegaan en de verwerping van deze aftrek door (eiser) in casu strijdig is met het in het Europees Gemeenschapsrecht (meer bepaald artikel 27 van het zesde BTW-richtlijn) besloten evenredigheidsbeginsel. Grieven Het is de wettelijke plicht van de fiscale administraties, het correct naleven van de fiscale wetten door de belastingplichtigen te controleren, en de eventueel verschuldigde bedragen op te vorderen. Tot uitvoering van deze opdracht werd door artikel 52 Wb. BTW, bepaald dat de Koning alle voorzieningen regelt, nodig om de voldoening van de belasting te verzekeren, waaronder in de wet is vermeld de inhoud van de door de belastingplichtigen uit te reiken facturen. De BTW op de door een belastingplichtige betaalde facturen is voor hem aftrekbaar van de aan de Schatkist af te dragen BTW, wanneer deze facturen aan de in de wet en in de uitvoeringsbesluiten gestelde vereisten voldoen. Voor het vaststellen van eventuele onregelmatigheden in deze facturen kan de administratie, in toepassing van artikel 59 Wb. BTW, alle bewijsmiddelen van het gemeen recht aanwenden, benevens de door bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal. Dit betekent dat ook andere bewijsmiddelen, buiten het proces-verbaal, tot staving van een fiscale vordering kunnen aangevoerd worden. Uit geen enkele wetsbepaling kan afgeleid worden dat het de administratie, wanneer een proces-verbaal is opgemaakt nopens een bepaalde fiscale schuld, niet toegelaten is andere feiten aan te voeren waarvan zij nadien kennis heeft gekregen, en aldus tot bewijs van de bestreden fiscale schuld aanvullende bewijsinstrumenten in te roepen. Het recht om het bewijs te leveren van alle feiten, waarop een in rechte geformuleerde aanspraak gesteund is, maakt deel uit van het recht van verdediging waarop ook een eisende partij zich kan beroepen. Eveneens kan het dwangbevel, uitgevaardigd met verwijzing naar een proces-verbaal tot invordering van een uit dat proces-verbaal gebleken fiscale schuld, ook nadien gestaafd worden door andere bewijsmiddelen. De uitvoerbare kracht van het dwangbevel is immers niet beperkt door de aangevoerde motieven, maar geldt voor de als zodanig gevorderde fiscale schuld. In de onderhavige zaak strekte het bestreden dwangbevel ertoe, de betaling te vorderen van BTW op de aankoopfacturen van verweerster, die deze BTW ten onrechte in aftrek had opgenomen van haar aan de administratie af te dragen belasting. In haar vóór het hof van beroep neergelegde conclusie had eiser een aantal feiten aangevoerd, die ertoe moesten bijdragen de door het dwangbevel gevorderde fiscale schuld te bevestigen en te staven. Deze feiten werden door verweerster niet ontkend. In het arrest wordt beslist dat "zulk motief" omdat het "niet vermeld werd in het proces verbaal... of in het dwangbevel", en "verschilt van de motieven uiteengezet in het dwangbevel..." niet ter verantwoording van de gevorderde BTW-schuld kan ingeroepen worden, zonder evenwel te ontkennen dat de bestreden nieuwe motieven wel tot staving van dezelfde fiscale schuld ingeroepen werden, met name de terugvordering van de BTW op aankoopfacturen die eiseres ten onrechte in aftrek van haar af te dragen fiscale schuld had opgenomen. De onderhavige grief kan ten slotte niet afgewezen worden omdat de uitspraak door de andere in het arrest opgenomen motieven, betreffende de tekortkomingen in de facturatie, zou verantwoord zijn. De aanvullende stelling, waarmee het hof van beroep verklaart geen rekening te houden, kan inderdaad op zelfstandige wijze het verwerpen van de aftrek van voorbelasting verantwoorden, ongeacht de tekortkomingen inzake facturatie die in het proces-verbaal worden vastgesteld. Besluit De verwerping, door het arrest, van een stelling die door eiser werd aangevoerd tot steun van zijn vordering, omdat deze stelling niet vermeld werd in het proces-verbaal of in het dwangbevel, geeft aan de bepalingen die het proces-verbaal en het dwangbevel omschrijven, een beperkende betekenis (schending van de artikelen 59 en 85 Wb. BTW). Tevens worden daardoor ook de wetsbepalingen geschonden, die de voorwaarden van de aftrek van voorbelasting omschrijven (schending van artikel 45, ,§1 en 2, Wb. BTW, en van de artikelen 3, ,§1, 1°, KB nummer 3 van 10 december 1969, artikel 2, KB nummer 1 van 23 juli 1969, beide in uitvoering van artikel 52 Wb. BTW en artikel 3, ,§2, KB nummer 17 van 20 december 1984). Door dezelfde beslissing worden ook de rechten van verdediging van de administratie geschonden, en wordt de saisine van de rechter beperkt met miskenning van artikel 1138, 2° en 3°, van het Gerechtelijk Wetboek.
  10. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 70, 71, 72 en 84, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Wb. BTW) in de tekst zoals van kracht voor de jaren 1990 en 1991, inzonderheid het artikel 70, ,§1bis, zoals ingevoegd bij de wet van 27 december 1977 en het artikel 84, derde lid, zoals ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986 ; &§9472; artikel 1 KB nummer 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, en tabel B in de bij dit koninklijk besluit nummer 41 aangehechte bijlage, beide in de tekst zoals van kracht voor de jaren 1990 en
  11. Aangevochten beslissingen Het arrest wijzigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende "verklaart het verzet van verweerster gegrond als volgt : Doet het dwangbevel teniet behoudens in zover het (verweerster) veroordeelt tot betaling aan (eiser) van 56.923,79 euro BTW en 5.692,37 euro geldboete, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 1992". Het verminderen tot 5.692,37 euro van de wettelijk vastgestelde boete wordt in het arrest gemotiveerd als volgt : ln het proces-verbaal en het dwangbevel wordt bepaald dat er geen vermindering van boete wordt toegestaan gezien "... uit de aard van de vastgestelde overtredingen duidelijk blijkt dat zij begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken". Dit frauduleus opzet blijkt nochtans als dusdanig niet uit de aard van de aangehaalde overtredingen en ook uit geen enkel ander rechtsgeldig aan dit (hof van beroep) ter beoordeling voorgelegd feit, zodat de opgelegde boete niet wettig gemotiveerd is. Het (hof van beroep) stelt vast dat de in deze opgelegde administratieve boete van 200 pct. een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM en artikel 14 van het IVBPR is en dit door afweging van de volgende elementen : a) het feit dat het om een boete gaat die iedere belastingplichtige treft, b) dat zij een verplichting of een verbod betreft dat bij niet-nakoming gesanctioneerd wordt, c) door tweemaal de ontdoken belasting te omvatten niet het oogmerk heeft de geleden schade te herstellen doch erop gericht is herhaling te vermijden en het voorgevallen verboden gedrag te bestraffen en d) de omvang ervan. Eens vastgesteld dat deze boete een strafsanctie uitmaakt, beschikt de rechter, die uitspraak moet doen over het verzet, over de volledige rechtsmacht om over de omvang van deze sanctie uitspraak te doen. ln casu oordeelt dit (hof van beroep) dat, op grond van de aard en de geringe omvang van de hoger vastgestelde overtredingen, in redelijkheid een boete van 10 pct. of 5.692,37 euro verantwoord is". Grieven Krachtens artikel 70, ,§1bis, BTW-Wetboek, verbeurt ieder die onrechtmatig aftrek van belasting heeft genoten, een geldboete gelijk aan het dubbel van de belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van ,§1, eerste lid, van hetzelfde artikel. Krachtens artikel 84 van dat wetboek wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit nummer 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale boeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Het toetsingsrecht van de rechter laat hem weliswaar toe, te oordelen of een opgelegde sanctie al of niet onevenredig is met de vastgestelde inbreuk. Daartoe moet echter rekening gehouden worden met de integraliteit van de door de sanctie beoogde inbreuken. Uit de uiteenzetting van het eerste middel van onderhavig cassatieberoep blijkt dat de appèlrechters ten onrechte de beoordelingen nopens bepaalde aan verweerster verweten tekortkomingen met betrekking tot haar fiscale verplichtingen, uit het debat hebben gehouden. Bovendien, al kan de rechter bevoegdheid hebben om te oordelen of de opgelegde sanctie al of niet onevenredig is, kan deze bevoegdheid niet uitgebreid worden tot het vermogen om een door de wet opgelegde boete te verminderen op grond van beschouwingen van billijkheid of opportuniteit. Uit de enige vaststelling dat naar de beoordeling van de appèlrechter, "in functie van de aard en de geringe omvang van de hoger vastgestelde overtredingen", waarbij geweigerd rekening te houden met een aantal door de administratie aangevoerde feiten "in redelijkheid een boete van 10 pct. of 5.692,37 euro verantwoord is", kon het hof van beroep niet afleiden dat de opgelegde boete onevenredig is. Besluit Door het herleiden van de boete tot 10pct. van de ontdoken belasting, op grond van een louter subjectieve appreciatie van de appèlrechters, en tevens door het steunen van deze subjectieve appreciatie op een beperkte omschrijving van de inbreuken, terwijl andere aan de belastingplichtige verweten feiten onwettig uit het debat gehouden werden, miskent het arrest de bindende kracht van de door de wet opgelegde boeten (schending van al de in de aanhef van het middel aangeduide wetsbepalingen). IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Overwegende dat, krachtens artikel 85, ,§1, eerste lid, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, bij gebreke aan voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren, door de met de invordering belastbare ambtenaar een dwangbevel wordt uitgevaardigd ; Overwegende dat een dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde, een bestuurshandeling is waarop de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuursbehandelingen - verder genoemd : Wet Motivering Bestuurshandelingen - van toepassing is ; Dat, krachtens artikel 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen, het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd ; Overwegende dat de Wet Motivering Bestuurshandelingen noch enige andere wettelijke bepaling eraan in de weg staan dat na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert ; dat die argumenten en gegevens enkel kunnen worden aangevoerd ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld ; Overwegende dat de appèlrechters, zonder schending van de in het middel aangewezen wetsbepalingen, vermochten te oordelen dat de Belgische Staat een nieuw motief, dat naar hun beoordeling verschilt van de motivering uiteengezet in het dwangbevel van 17 juli 1992 en die motivering niet ondersteunt, "niet rechtsgeldig voor de eerste maal in het kader van een bezwaarprocedure tegen vermeld dwangbevel ter verantwoording van deze gevorderde BTW-schuld kon inroepen" ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; Tweede middel Overwegende dat het middel, dat de wettigheid van de beslissing van de appèlrechters tot het verminderen van de administratieve geldboete aanvecht, berust op de veronderstelling dat de appèlrechters de beoordeling van bepaalde aan verweerster verweten inbreuken op haar fiscale verplichtingen onwettig uit het debat zouden hebben gehouden ; Dat uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat deze grief geen doel treft ; Dat het middel bijgevolg niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van tweehonderd en elf euro achttien cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van een december tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051201.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130110.3 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130419.4 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150924.10 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240321.1N.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240502.1N.6 ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070625.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.