id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Artikel 43
Toepasselijkheid van de bepalingen van de douane en accijnzenwet Medeplichtigheid Betaling van de onttrokken rechten en nalatigheidsintresten Solidariteit Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Douane en accijnzenwet Slijterijen van gegiste dranken K.B.
Artikel 43
Artikel 266, ,§ 1, Douane en accijnzenwet Toepasselijkheid Medeplichtigheid Betaling van de onttrokken rechten en nalatigheidsintresten Solidariteit Thesaurus CAS: HOOFDELIJKHEID Vrije woorden: HOOFDELIJKHEID Slijterijen van gegiste dranken K.B.
Artikel 43
Toepasselijkheid van de bepalingen van de douane en accijnzenwet Artikel 266, ,§ 1, Douane en accijnzenwet Medeplichtigheid Betaling van de onttrokken rechten en nalatigheidsintresten Tekst van de beslissing Nr. P.05.0916.N V J G, eiser, beklaagde, met als raadsman mr. Paul Thomas, advocaat bij de balie te Veurne en mr. Luc Gheysens, advocaat bij de balie te Kortrijk, ter terechtzitting bijgestaan door mr. Sylvie Van Herreweghe, advocaat bij de balie te Brussel, voor mr. Luc Gheysens, tegen BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, op vervolging en vordering van de directeur der douane en accijnzen te Gent, met kantoor te Gent, Administratief Centrum "Ter Plaeten", Sint-Lievenslaan 27, verweerder, vervolgende partij, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 25 mei 2005 door het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, op verwijzing gewezen ingevolge arrest van het Hof van 17 december
- II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie vijf middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Overwegende dat het cassatieberoep in de mate dat het is gericht tegen de beslissing dat de strafvordering door verjaring vervallen wordt verklaard, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is; B. Onderzoek van het antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal Overwegende dat, anders dan eiser stelt, bij het Hof niet heeft gevraagd dat de advocaat-generaal "een conclusie op schrift" zou neerleggen; C. Onderzoek van de middelen
- Eerste middel Overwegende dat de vroegere tekst van artikel 2262 Burgerlijk Wetboek de verjaring van alle rechtsvorderingen, zowel zakelijke als persoonlijke, bepaalt op dertig jaren; dat de huidige tekst van artikel 2262, zoals vervangen bij artikel 4 van de wet van 4 juni 1998, de verjaring van de zakelijke rechtsvorderingen bepaalt op dertig jaren en het artikel 2262bis ingevoegd bij artikel 5 van de vermelde wet, de verjaring van de persoonlijke rechtsvordering bepaalt op tien jaren; Overwegende dat uit het arrest blijkt dat het verwijst naar de tekst van het artikel 2262 Burgerlijk Wetboek vóór de vervanging ervan door de wet van 10 juni 1998 en niet naar de tekst van nadien; Dat het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, feitelijke grondslag mist;
- Tweede middel Overwegende dat artikel 272 Algemene Wet Douane en Accijnzen (AWDA) bepaalt dat, wanneer het proces-verbaal door één ambtenaar is opgemaakt, het op zichzelf geen bewijs mag leveren, dit wil zeggen geen bijzondere bewijskracht heeft; Dat het wel, zoals het arrest oordeelt, als inlichting kan gelden; Dat het middel faalt naar recht;
- Derde middel Overwegende dat, anders dan het middel aanvoert, het arrest op grond van de feitelijke elementen die het vermeldt, wettig kon oordelen dat door het niet zo spoedig mogelijk opstellen van het proces-verbaal geen bewijsmiddel teloorging en eisers recht van verdediging niet gekrenkt werd; Dat het middel niet kan worden aangenomen;
- Vierde middel Overwegende dat krachtens artikel 266, ,§ 1, AWDA behoudens de tegenstrijdige beschikkingen in bijzondere wetten en onverminderd de boeten en schuldigverklaringen ten bate van de Schatkist, de overtreders, hun medeplichtigen en de voor het misdrijf aansprakelijke personen solidair gehouden zijn tot het betalen van de rechten en taksen welke door de fraude aan de Schatkist werden onttrokken, zomede van de eventueel verschuldigde nalatigheidsinteresten; Dat artikel 43 van het koninklijk besluit van 3 april 1953 tot samenordening van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, op de overtreding van deze samengeordende wetten onder meer de bepalingen van de AWDA betreffende de aansprakelijkheid en de medeplichtigheid toepasselijk maakt; Dat geen andere bepaling van het vermelde koninklijk besluit en onder meer niet artikel 42 dat de heffing van de openingsbelasting, de aanvullende belastingen, de geldboeten en de eventuele vervolgingskosten betreft, de toepassing van artikel 266, ,§ 1, AWDA uitsluit; Dat derhalve een medeplichtige, ook al is hij niet de slijter, persoonlijk gehouden kan worden tot het betalen van de ontdoken rechten of taksen; Dat het middel in zoverre faalt naar recht; Overwegende dat, anders dan het middel aanvoert, het arrest de redenen bevat waarmee het aangeeft dat eiser wetens en willens zijn medewerking aan de strafrechtelijk omschreven feiten heeft gepleegd; Dat het middel in zoverre berust op een verkeerde lezing van het arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist;
- Vijfde middel Overwegende dat eiser in zijn bij de appelrechters genomen tweede beroepsconclusie aanvoerde dat er geen openingstaksen verschuldigd waren omdat de activiteiten van de oude vennootschap werden voortgezet door de twee vennootschappen die haar rechtsopvolgers ten algemene titel zijn; dat hij hierbij onder meer een argument deed gelden afgeleid uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; Overwegende dat het arrest dit verweer verwerpt en beantwoordt op grond dat de twee vermelde vennootschappen niet ontstaan zijn uit de omvorming van de ontbonden vennootschap en de activiteiten van de oude vennootschap werden overgedragen aan twee vennootschappen die werden opgericht vóór de vereffeningstelling van de oude; Dat het middel feitelijke grondslag mist; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van tweeëntachtig euro twintig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zes december tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051206.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div