← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051206.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051206.14 Rolnummer: P.05.1496.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2006-11-15 Raadplegingen: 560 - laatst gezien 2026-07-04 08:04 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 11 en 20, Wet Europees Aanhoudingsbevel volgt dat de onderzoeksrechter bevoegd is te oordelen de betrokken persoon onder de voorwaarden bedoeld in artikel 11, ,§ 4 tot 6 in vrijheid te stellen tot op het moment dat het besluit tot uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel definitief is geworden, en dat de raadkamer of, in voorkomend geval, de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd zijn te oordelen, op het ogenblik van de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, de betrokken persoon, onder de voorwaarden bedoeld in artikel 11, ,§ 4 en 5 in vrijheid te stellen tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende Staat, ook wanneer de betrokken persoon, in toepassing van artikel 20, ,§ 2 eerder een verzoek tot invrijheidstelling aan de onderzoeksrechter richtte en de termijn van vijftien dagen volgend op dit verzoek tot invrijheidstelling, waarbinnen de onderzoeksrechter, overeenkomstig artikel 20, ,§ 3 over dit verzoek uitspraak moet doen, op het ogenblik van de beslissing van het onderzoeksgerecht over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, nog niet verstreken is. Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: UITLEVERING Europees aanhoudingsbevel Invrijheidstelling onder voorwaarden of mits het betalen van een borgsom Onderzoeksrechter Onderzoeksgerechten Bevoegdheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Europees aanhoudingsbevel Beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel Invrijheidstelling onder voorwaarden of mits het betalen van een borgsom Bevoegdheid Fiches 3 - 4 Overeenkomstig artikel 17, ,§ 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel kan tegen de beslissing van de raadkamer, die op het ogenblik van de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel oordeelt de betrokken persoon onder de voorwaarden bedoeld in artikel 11, ,§ 4 en 5 in vrijheid te stellen tot aan de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende Staat, hoger beroep worden ingesteld. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Raadkamer Beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel Beslissing tot invrijheidstelling onder voorwaarden of mits het betalen van een borgsom Artikel 17, ,§ 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: UITLEVERING Europees aanhoudingsbevel Raadkamer Beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel Beslissing tot invrijheidstelling onder voorwaarden of mits het betalen van een borgsom Hoger beroep Artikel 17, ,§ 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel Tekst van de beslissing Nr. P.05.1496.N W W M, eiser, aangehouden, met als raadsman mr. John Maes, advocaat te Antwerpen, Mechelsesteenweg 12, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 18 november 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Feiten De onderzoeksrechter te Hasselt heeft op 17 oktober 2005 een bevel tot aanhouding lastens de eiser afgeleverd ingevolge een Europees aanhoudingsbevel van 10 oktober 2005, van de Officier van Justitie bij het Landelijk Parket Schiphol (Nederland). Op 25 oktober 2005 heeft de eiser een verzoekschrift tot invrijheidstelling onder voorwaarden gericht tot de onderzoeksrechter. Na verzoek van de verdediging tot uitstel heeft de raadkamer bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt bij beschikking, gewezen op 4 november 2005, de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel bevolen en de eiser in vrijheid gesteld mits betaling van een borgsom van 25.000 euro. Op dat ogenblik had de onderzoeksrechter nog geen uitspraak gedaan over eisers verzoekschrift tot invrijheidstelling. Tegen de beschikking van de raadkamer werd hoger beroep ingesteld door de eiser, wat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel betreft, en door het openbaar ministerie, wat alle aspecten van de beschikking betreft. Het bestreden arrest heeft de hogere beroepen ontvankelijk verklaard in al hun onderdelen en de beroepen beschikking bevestigd, uitgezonderd wat de invrijheidstelling mits betaling van een borgsom betreft. V. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van het middel

  1. Tweede onderdeel Overwegende dat artikel 11 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel (hierna: Wet Europees Aanhoudingsbevel) bepaalt dat de onderzoeksrechter binnen de 24 uur na de vrijheidsbeneming en mits naleving van de in dat artikel voorgeschreven formaliteiten, kan beslissen dat de betrokkene: - al dan niet in hechtenis wordt geplaatst of blijft, (artikel 11, ,§ 3) - onder oplegging van een of meer voorwaarden in vrijheid wordt gelaten tot op het tijdstip dat met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel een definitieve beslissing wordt gewezen, (artikel 11, ,§ 4) - in vrijheid wordt gelaten mits voorafgaande en integrale betaling van een borgsom waarvan de onderzoeksrechter het bedrag bepaalt; (artikel 11, ,§ 5) Dat artikel 11, ,§ 7, bepaalt dat tegen deze beschikking geen rechtsmiddel openstaat; dat deze beschikking overeenkomstig artikel 20, ,§ 1, gevolg blijft hebben tot het besluit tot uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel definitief is geworden; Overwegende dat artikel 20, ,§ 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de onderzoeksrechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de betrokken persoon onder de voorwaarden bedoeld in artikel 11, ,§,§ 4 tot 6, Wet Europees Aanhoudingsbevel, en na hem bijgestaan of vertegenwoordigd door zijn advocaat te hebben gehoord, de betrokken persoon op elk moment van de procedure in vrijheid kan stellen totdat het besluit tot uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel definitief is geworden; dat artikel 20, ,§ 3 bepaalt dat, indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen 15 dagen volgend op een verzoek tot invrijheidstelling van de betrokken persoon of indien dit verzoek wordt verworpen, de betrokken persoon zijn verzoek aan de raadkamer kan richten; Overwegende dat artikel 20, ,§ 4, tweede lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat in het definitieve besluit het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, evenwel kan worden voorzien in de voorwaardelijke invrijheidstelling of de invrijheidstelling tegen borgstelling van de betrokken persoon onder de voorwaarden bedoeld in artikel 11, ,§,§ 4 en 5, tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon die gedetineerd was op het tijdstip van de beslissing, in vrijheid wordt gesteld tot zijn daadwerkelijke overlevering; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat: - de onderzoeksrechter bevoegd is te oordelen de betrokken persoon onder de voorwaarden bedoeld in artikel 11, ,§,§ 4 tot 6, Wet Europees Aanhoudingsbevel, in vrijheid te stellen tot op het moment dat het besluit tot uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel definitief is geworden; - de raadkamer of in voorkomend geval de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd is te oordelen op het ogenblik van de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel de betrokken persoon onder de voorwaarden bedoeld in artikel 11, ,§,§ 4 en 5, Wet Europees Aanhoudingsbevel, in vrijheid te stellen tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende Staat; Overwegende dat de appelrechters oordelen dat de raadkamer of in voorkomend geval de kamer van inbeschuldigingstelling op het ogenblik van de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel niet bevoegd is te oordelen over de invrijheidstelling onder voorwaarden of mits borgsom zolang de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen 15 dagen volgend op een verzoek tot invrijheidstelling van de betrokken persoon; Dat zij aldus artikel 20, ,§ 4, tweede lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel schenden; Dat het onderdeel gegrond is;
  2. Eerste onderdeel Overwegende dat uit het antwoord op het tweede onderdeel volgt dat de raadkamer bevoegd is om op het ogenblik van de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel de betrokken persoon onder de voorwaarden bedoeld in artikel 11, ,§,§ 4 en 5, Wet Europees Aanhoudingsbevel, in vrijheid te stellen tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende Staat; Dat tegen deze beslissing overeenkomstig artikel 17, ,§ 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel hoger beroep kan worden ingesteld; Dat het onderdeel faalt naar recht; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorge-schreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de invrijheidstelling van de eiser; Verwerpt het cassatieberoep voor het overige; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Gezegde kosten begroot op de som van honderd eenendertig euro vierentwintig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zes december tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051206.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200610.2F.10 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220726.VAC.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070522.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.