id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art.5
Thesaurus CAS: RECHTSPERSOONLIJKHEID Vrije woorden: RECHTSPERSOONLIJKHEID Rechtspersonen Strafrechtelijke verantwoordelijkheid Wet 4 mei 1999 Artikel 5, Sw. Werking in de tijd Misdrijf gepleegd vóór de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 Civielrechtelijke gevolgen die voortduren na de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 Wettelijke bepalingen:
Art.5
Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Rechtspersonen Vrije woorden: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Rechtspersonen Wet 4 mei 1999 Artikel 5, Sw. Werking in de tijd Misdrijf gepleegd vóór de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 Civielrechtelijke gevolgen die voortduren na de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 Wettelijke bepalingen:
Art.5Tekst van de beslissing Nr.
P.05.1114.N D C M A, eiser, beklaagde, met als raadsman mr. Christine Geuens, advocaat bij de balie te Brussel, tegen
- E J, en zijn echtgenote
- V K,
- G, en zijn echtgenote
- C ,
- U, en zijn echtgenote
- V,
- V, en zijn echtgenote
- R ,
- W, en zijn echtgenote
- B,
- M,
- V, en zijn echtgenote
- E,
- G, en zijn echtgenote
- M,
- S, en zijn echtgenote
- D,
- SERVIBO bvba, met zetel te Antwerpen, Offerandestraat 1,
- PASCAL MALLIEN bvba, met zetel te Schilde, Catharinadreef 36,
- L, en zijn echtgenote
- L,
- V,
- V, verweerders, burgerlijke partijen. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 23 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie drie middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Overwegende dat het arrest, wat de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders betreft, het debat heropent; Overwegende dat die beslissing geen eindbeslissing is in de zin van artikel 416 Wetboek van Strafvordering; Dat het cassatieberoep, in zoverre het tegen die beslissing is gericht, niet ontvankelijk is; B. Onderzoek van de overige middelen
- Eerste middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, volgt dat de appelrechters wettig vermogen te oordelen dat "de zaak bij het vonnisgerecht aanhangig is gemaakt door de verwijzingsbeschikking van 17 september 2003 van de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen waarvan uitgezonderd wat de bevoegdheid betreft het vonnisgerecht de wettelijkheid niet vermag te onderzoeken" en dat "in graad van hoger beroep de zaak aanhangig wordt gemaakt door de akten van beroep"; Dat het onderdeel, in zoverre dat ervan uitgaat dat "het bestreden arrest de zogeheten 'dagstellingen' (blijkt) te verwarren met de dagvaarding, waardoor de zaak bij de rechter aanhangig wordt gemaakt en daardoor in de mogelijkheid wordt gesteld om er uitspraak over te doen", niet kan worden aangenomen; Overwegende voor het overige dat de appelrechters met de reden dat eiser "niet aantoont daadwerkelijk in zijn belangen te zijn geschaad en (eiser) zich geenszins kan vergissen omtrent de identiteit van diegenen die als burgerlijke partij in huidig geding aanwezig zijn", de bewijslast niet omkeren en eiser niet het bewijs van zijn onschuld opleggen, maar wel de geloofwaardigheid van eisers verweer beoordelen; Dat het onderdeel in zoverre ook niet kan worden aangenomen; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat het arrest oordeelt: "dat de vervolgde feiten, zo bewezen, gepleegd zijn tussen 31 juli 1998 en 16 september 1998, derhalve vooraleer de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon, zoals omschreven in artikel 5 Strafwetboek en ingevoerd bij wet van 4 mei 1999 in voege is getreden; dat de bepalingen van artikel 20 (Voorafgaande Titel) Wetboek van Strafvordering, waarnaar (eiser) verwijst bij diezelfde wet zijn ingevoerd; dat dienvolgens het door (eiser) ingeroepen middel van verval van de strafvordering niet op hem van toepassing kan zijn, daar de nv Inter nooit strafrechtelijk verantwoordelijk had kunnen worden gesteld, vermits zulks op het ogenblik der feiten niet wettelijk voorzien was"; Overwegende dat de omstandigheid dat de civielrechtelijke gevolgen van een vóór de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 gepleegd misdrijf voortduren na de inwerkingtreding ervan, niet tot gevolg heeft dat deze wet toepasselijk is op de beoordeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor dit misdrijf of op de aansprakelijkheid voor de vergoeding van de erdoor veroorzaakte schade; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; 1.
- Derde onderdeel Overwegende dat het onderdeel, in zoverre het opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de rechters en in zoverre dat het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, niet ontvankelijk is; Overwegende voor het overige dat de appelrechters met de redenen die het arrest vermeldt, het in het onderdeel bedoelde verweer van eiser beantwoorden; Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist;
- Tweede middel Overwegende dat de appelrechters met het geheel van de redenen van het beroepen vonnis waarnaar zij verwijzen, en met de redenen die het arrest vermeldt, eisers verweer beantwoorden; Overwegende dat de rechters op grond van die redenen wettig vermogen te oordelen dat de feiten van misbruik van vertrouwen, omschreven in de bewoordingen van artikel 491 Strafwetboek, in hoofde van eiser bewezen zijn; Dat het middel niet kan worden aangenomen;
- Derde middel Overwegende dat het middel dat alleen betrekking heeft op de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering en dat niet de ontvankelijkheid van het cassatieberoep betreft, geen antwoord behoeft; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van honderd dertien euro vijfenvijftig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zes december tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051206.15 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div