id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051206.8 Rolnummer: P.05.1138.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2006-11-15 Raadplegingen: 620 - laatst gezien 2026-07-04 09:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Zowel vóór de wet van 8 april 2002, als nog vandaag, mag de medewerker aan het strafonderzoek die door de onderzoeksrechter of de strafvonnisrechter bij toepassing van naar gelang van het geval artikel 80, 157 of 355 Wetboek van Strafvordering onder eed als getuige wordt gehoord, weigeren de identiteit van de persoon die de aangifte van het onderzochte feit heeft gedaan, bekend te maken, wanneer deze medewerker op redelijke grond in geweten heeft kunnen oordelen de aangever in het belang van de strafvordering en ter bescherming van die aangever, anonimiteit te beloven
(1)
(2)
(3).
(1)In de context van de zaak dient onder "medewerker aan het strafonderzoek" te worden verstaan de politieambtenaren die op basis van de door de aangever verkregen informatie een proces-verbaal hebben opgesteld.
(2)Cass., 10 jan. 1978, A.C. 1978, 546.
(3)Op basis van een anonieme aangifte werd anno 1994 een onderzoek gestart tegen eiser in cassatie die op zijn beurt klacht indiende met burgerlijke partijstelling tegen onbekende wegens laster en eerroof. Het gerechtelijk onderzoek tegen eiser werd afgesloten met een buitenvervolgingstelling bij beschikking van de raadkamer te Brussel van 26 oktober 1999 zodat het onderzoek lastens onbekende ten nadele van eiser kon hervat worden. De verbalisanten, opgeroepen als getuigen voor de onderzoeksrechter, weigerden meermaals de identiteit van de aangever kenbaar te maken. Het bestreden arrest oordeelde dat noch de onderzoeksrechter, noch het onderzoeksgerecht over wettelijke middelen beschikte om de verbalisanten te dwingen deze identiteit kenbaar te maken. Door zich toe te spitsen op de problematiek van de anonieme aangever lijken het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, en mutatis mutandis het middel, voorbij te gaan aan de kern van de problematiek: na de buitenvervolgingstelling van eiser is de onbekende persoon in de voorliggende zaak geen anonieme aangever meer maar wel een vermoedelijke dader. Nu aan een en ander leek te zijn voorbijgegaan had het O.M. in deze geconcludeerd tot verwerping van de voorziening op grond van een andere benadering van de ontwikkelde middelen. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Medewerker aan het strafonderzoek Getuigenis onder eed Aangever van een feit Anonimiteit Weigering de identiteit van de aangever kenbaar te maken Fiche 2 Het recht van de medewerker aan het strafonderzoek om de naam van de aangever van een feit te verzwijgen is niet absoluut en de rechter, die in concreto dient na te gaan of de medewerker aan het strafonderzoek die als getuige gehoord wordt dit recht niet afwendt van zijn wettelijk doel, kan daarbij rekening houden met de omstandigheid dat op het ogenblik van de aangifte geen redelijke verantwoording bestond om de aangever anonimiteit te verzekeren
(1)
(2).
(1)In de context van de zaak dient onder "medewerker aan het strafonderzoek" te worden verstaan de politieambtenaren die op basis van de door de aangever verkregen informatie een proces-verbaal hebben opgesteld.
(2)Op basis van een anonieme aangifte werd anno 1994 een onderzoek gestart tegen eiser in cassatie die op zijn beurt klacht indiende met burgerlijke partijstelling tegen onbekende wegens laster en eerroof. Het gerechtelijk onderzoek tegen eiser werd afgesloten met een buitenvervolgingstelling bij beschikking van de raadkamer te Brussel van 26 oktober 1999 zodat het onderzoek lastens onbekende ten nadele van eiser kon hervat worden. De verbalisanten, opgeroepen als getuigen voor de onderzoeksrechter, weigerden meermaals de identiteit van de aangever kenbaar te maken. Het bestreden arrest oordeelde dat noch de onderzoeksrechter, noch het onderzoeksgerecht over wettelijke middelen beschikte om de verbalisanten te dwingen deze identiteit kenbaar te maken. Door zich toe te spitsen op de problematiek van de anonieme aangever lijken het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, en mutatis mutandis het middel, voorbij te gaan aan de kern van de problematiek: na de buitenvervolgingstelling van eiser is de onbekende persoon in de voorliggende zaak geen anonieme aangever meer maar wel een vermoedelijke dader. Nu aan een en ander leek te zijn voorbijgegaan had het O.M. in deze geconcludeerd tot verwerping van de voorziening op grond van een andere benadering van de ontwikkelde middelen. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Medewerker aan het strafonderzoek Getuigenis onder eed Aangever van een feit Anonimiteit Weigering de identiteit van de aangever kenbaar te maken Zwijgrecht Draagwijdte Beoordelingsvrijheid van de rechter Criteria Fiche 3 Zelfs indien op het ogenblik van de aangifte van het onderzochte feit een redelijke verantwoording bestond om de aangever anonimiteit te verzekeren, kan de rechter bij het beoordelen of de medewerker aan het strafonderzoek die als getuige gehoord wordt zich al dan niet kan beroepen op zwijgrecht, rekening houden met alle feitelijke omstandigheden, zoals de omstandigheid dat nadien het strafonderzoek heeft geleid tot de buitenvervolgingstelling, dat op het ogenblik van de getuigenis geen gerechtvaardigde vrees voor de bescherming van de aangever meer bestaat, en met het recht van de buiten vervolging gestelde verdachte om eventueel schadevergoeding te verkrijgen wegens eerroof, laster of lasterlijke aangifte
(1)
(2)
(3).
(1)In de context van de zaak dient onder "medewerker aan het strafonderzoek" te worden verstaan de politieambtenaren die op basis van de door de aangever verkregen informatie een proces-verbaal hebben opgesteld.
(2)Cass., 10 jan. 1978, A.C. 1978, 546.
(3)Op basis van een anonieme aangifte werd anno 1994 een onderzoek gestart tegen eiser in cassatie die op zijn beurt klacht indiende met burgerlijke partijstelling tegen onbekende wegens laster en eerroof. Het gerechtelijk onderzoek tegen eiser werd afgesloten met een buitenvervolgingstelling bij beschikking van de raadkamer te Brussel van 26 oktober 1999 zodat het onderzoek lastens onbekende ten nadele van eiser kon hervat worden. De verbalisanten, opgeroepen als getuigen voor de onderzoeksrechter, weigerden meermaals de identiteit van de aangever kenbaar te maken. Het bestreden arrest oordeelde dat noch de onderzoeksrechter, noch het onderzoeksgerecht over wettelijke middelen beschikte om de verbalisanten te dwingen deze identiteit kenbaar te maken. Door zich toe te spitsen op de problematiek van de anonieme aangever lijken het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, en mutatis mutandis het middel, voorbij te gaan aan de kern van de problematiek: na de buitenvervolgingstelling van eiser is de onbekende persoon in de voorliggende zaak geen anonieme aangever meer maar wel een vermoedelijke dader. Nu aan een en ander leek te zijn voorbijgegaan had het O.M. in deze geconcludeerd tot verwerping van de voorziening op grond van een andere benadering van de ontwikkelde middelen. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Medewerker aan het strafonderzoek Getuigenis onder eed Aangever van een feit Anonimiteit Weigering de identiteit van de aangever kenbaar te maken Redelijke verantwoording om de anonimiteit te verzekeren op het ogenblik van de aangifte Zwijgrecht Beoordeling door de rechter Criteria Tekst van de beslissing Nr. P.05.1138.N S E, eiser, burgerlijke partij, met als raadslieden mr. Raf Verstraeten en mr. Caroline De Baets, advocaten bij de balie te Brussel. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 28 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Feitelijke gegevens De eiser heeft zich op 6 juni 1994 bij de onderzoeksrechter te Brussel burgerlijke partij gesteld tegen onbekende voor "eerroof", feit dat echter in de huidige rechtspleging wordt heromschreven als: "in het gerechtelijk arrondissement Brussel, op 16 maart 1994, kwaadwillig een bepaald feit ten laste te hebben gelegd dat zijn eer kan krenken of hem aan de openbare verachting kan blootstellen, en waarvan het wettelijk bewijs niet werd geleverd, terwijl de wet dat bewijs toelaat (...)". De raadkamer bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel besliste bij beschikking van 14 oktober 2003 dat er geen aanleiding is tot vervolging en veroordeelde eiser in de kosten. Op het hoger beroep van eiser oordeelde de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel bij arrest van 23 december 2003 dat het onderzoek onvolledig was en beval de onderzoeksrechter een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten, met name over te gaan tot de identificatie van de anonieme aangever en zijn verhoor te bevelen aangaande zijn beweegreden voor de anonieme aangifte. In het bestreden arrest overweegt de kamer van inbeschuldigingstelling: "Dat er geen enkele reden bestaat om op grond van de artikelen 136 of 235 van het Wetboek van Strafvordering over te gaan tot evocatie en aanstelling van een lid van deze kamer als 'raadsheer-onderzoeker' gelast met het verder onderzoek van deze zaak; dat de geadieerde onderzoeksrechter immers gepoogd heeft de in het arrest dd. 23 december 2003 bevolen bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, doch er niet in geslaagd is om reden dat de twee betrokken verbalisanten weigeren de identiteit van de anonieme aangever kenbaar te maken; dat noch de onderzoeksrechter, noch de leden van de kamer van inbeschuldigingstelling over wettelijke middelen beschikken om de verbalisanten te dwingen deze identiteit kenbaar te maken". Op deze grond verklaart de kamer van inbeschuldigingstelling eisers hoger beroep ongegrond, bevestigt de bestreden beschikking en veroordeelt eiser in de kosten van zijn hoger beroep. V. Beslissing van het Hof
- Eerste middel Overwegende dat de artikelen 28quinquies, ,§ 1, en 57, ,§ 1, Wetboek van Strafvordering bepalen dat het opsporings- en het gerechtelijk onderzoek geheim zijn en eenieder die eraan beroepshalve zijn medewerking verleent, tot geheimhouding verplicht en hem, indien hij dit geheim schendt, strafbaar stelt met de straffen bepaald in artikel 458 Strafwetboek; Overwegende dat deze ambtelijke geheimhoudingsplicht noopt tot geheimhouding tegenover iedereen die vreemd is aan het bepaalde strafonderzoek; dat daarentegen binnen het onderzoek in beginsel geen geheimhouding bestaat tenzij, op heden, in het geval van de artikelen 75bis, 75ter en 86bis tot 86quinquies Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd bij de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van getuigen; Overwegende dat wel, zowel vóór de wet van 8 april 2002, als nog vandaag, de medewerker aan het strafonderzoek die door de onderzoeksrechter of de strafvonnisrechter bij toepassing van naar gelang van het geval artikel 80, 157 of 355 Wetboek van Strafvordering onder eed als getuige wordt gehoord, mag weigeren de identiteit van de persoon die de aangifte van het onderzochte feit heeft gedaan, bekend te maken, wanneer deze medewerker op redelijke grond in geweten heeft kunnen oordelen de aangever in het belang van de strafvordering en ter bescherming van die aangever, anonimiteit te beloven; Overwegende dat nochtans het recht de naam van de aangever te verzwijgen niet absoluut is en de rechter concreet dient na te gaan of de getuige dit recht niet afwendt van zijn wettelijk doel; Overwegende dat de rechter daarbij rekening kan houden met de omstandigheid dat op het ogenblik van de aangifte geen redelijke verantwoording bestond om de aangever anonimiteit te verzekeren; Dat zo die redelijke verantwoording er wel is, de rechter rekening kan houden met alle feitelijke omstandigheden, zoals de omstandigheid dat nadien het strafonderzoek heeft geleid tot de buitenvervolgingstelling, dat op het ogenblik van de getuigenis geen gerechtvaardigde vrees voor de bescherming van de aangever meer bestaat, en met het recht van de buiten vervolging gestelde verdachte om eventueel schadevergoeding te verkrijgen wegens eerroof, laster of lasterlijke aangifte; Overwegende dat, wanneer de rechter oordeelt dat de getuige zich niet kan beroepen op zwijgrecht en deze niettemin weigert te spreken, de getuige strafbaar is met de geldboete bepaald in naar gelang het geval artikel 80, 157 en/of 355 Wetboek van Strafvordering, dit onverminderd eventuele schadevergoeding; dat aldus wel een wettelijk middel bestaat om de verbalisant eventueel te dwingen de naam van de persoon die een aangifte deed, bekend te maken; Dat het arrest dat anders beslist, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt; Dat het onderdeel gegrond is;
- Tweede middel Overwegende dat het middel geen antwoord meer behoeft; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest; Laat de kosten ten laste van de Staat; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Gezegde kosten begroot op de som van honderd eenentwintig euro vierentachtig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zes december tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051206.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230301.2F.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141209.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div