← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.12 Rolnummer: P.05.1567.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2006-11-06 Raadplegingen: 548 - laatst gezien 2026-07-04 10:01 Versie(s): Vertaling FR Fiche Zo artikel 16, ,§ 5, tweede lid, Wet Voorlopige Hechtenis bepaalt dat de rechter in het bevel tot aanhouding de feitelijke omstandigheden vermeldt van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte, die de voorlopige hechtenis wettigen gezien de criteria bepaald in ,§ 1, van hetzelfde artikel en dat, bij ontstentenis van deze mededelingen, de inverdenkinggestelde in vrijheid wordt gesteld, wordt deze laatste niet in vrijheid gesteld wanneer de voorgeschreven vormvoorschriften in werkelijkheid werden nageleefd

(1).
(1)Parl. St. Senaat, 2004-2005, 3-1100/2, Verslag namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door Mevrouw Laloy, Artikelsgewijze bespreking, p. 23. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Vrije woorden: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Voorgeschreven vormvoorschriften Naleving Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-1990 - Art.16,§5,tw Tekst van de beslissing Nr. P.05.1567.N K. O., eiser, inverdenkinggestelde, met als raadsman mr. Jo Vanderstraeten, advocaat bij de balie te Brussel. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 28 november 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van het middel Overwegende dat artikel 16, ,§ 5, tweede lid, Wet Voorlopige Hechtenis bepaalt dat de rechter in het bevel tot aanhouding de feitelijke omstandigheden vermeldt van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte, die de voorlopige hechtenis wettigen gezien de criteria bepaald in ,§ 1 van hetzelfde artikel; dat bij ontstentenis van deze mededelingen, de inverdenkinggestelde in vrijheid wordt gesteld; Dat de inverdenkinggestelde niet in vrijheid wordt gesteld wanneer de voorgeschreven vormvoorschriften in werkelijkheid werden nageleefd; Dat het middel in zoverre faalt naar recht; Overwegende dat het bevel tot aanhouding vermeldt: "Omstandigheden eigen aan de persoon van S. A. Betrokkene heeft alhier te lande geen vaste woon- of verblijfplaats en blijkt dat de feiten toch in groepsverband gepleegd werden. Ten deze lijkt er dus zowel onttrekkingsgevaar als collusiegevaar aan de orde te zijn. Bovendien geeft hij voor ons aan reeds in Nederland in contact geweest te zijn met het gerecht voor drugsfeiten." Overwegende dat de appelrechters vaststellen dat "de omstandigheden eigen aan de persoon van de inverdenkinggestelde duidelijk vermeld zijn in het bevel tot aanhouding, zelfs indien ten gevolge van een zuiver materiële vergissing de naam van S. A. (i.p.v. K. O.) vermeld staat; dat de laatste zinsnede duidelijk de inverdenkinggestelde K. O. betreft, die aan de onderzoeksrechter verklaard heeft: "in Nederland ben ik wel al in contact geweest met het gerecht, ook op basis van feiten van criminele organisatie, die zich beziggehouden hebben met drugzaken"; Dat zij met die redenen oordelen dat het bevel tot aanhouding de feitelijke omstandigheden vermeldt, eigen aan de persoonlijkheid van de verdachte, die de voorlopige hechtenis wettigen; dat zij aldus hun beslissing zonder schending van artikel 16, ,§ 5, Wet Voorlopige Hechtenis naar recht verantwoorden; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen; Overwegende dat, voor het overige, het middel niet gericht is tegen de bestreden beslissing maar opkomt tegen de beschikking van de raadkamer, mitsdien niet ontvankelijk is; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van drieënvijftig euro negenennegentig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van dertien december tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230329.2F.18 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200527.2F.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.