id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.7 Rolnummer: P.05.0762.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-05 Raadplegingen: 611 - laatst gezien 2026-07-04 10:48 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit artikel 211bis, Wetboek van Strafvordering volgt niet dat eenparigheid wordt vereist van de appèlrechters die oordelen het beroepen vonnis ten nadele van de burgerlijke partij te moeten hervormen
(1).
(1)Zie Cass., 16 dec. 2003, AR P.03.1147.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031216.43, nr 650. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Eenparigheid van stemmen Burgerlijke rechtsvordering Fiches 2 - 3 De opheffing van het strafbare karakter van feiten die voorheen een misdrijf uitmaakten heeft alleen het verval van de strafvordering tot gevolg, maar brengt niet mee dat deze feiten niet langer een fout zouden zijn, noch dat de strafrechter voor wie de burgerlijke rechtsvordering werd ingesteld op het ogenblik dat de feiten nog strafbaar waren, daardoor zijn bevoegdheid verliest
(1).
(1)Cass., 20 jan. 2004, AR P.03.1189.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040120.16, nr 30. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Burgerlijke rechtsvordering ingesteld voor de onderzoeksrechter Latere opheffing van de strafwet Verval van de strafvordering Voortbestaan van de burgerlijke rechtsvordering Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALLERLEI Vrije woorden: STEDENBOUW - ALLERLEI Instandhouden van een inbreuk Burgerlijke rechtsvordering ingesteld voor de onderzoeksrechter Latere opheffing van de strafwet Verval van de strafvordering Voortbestaan van de burgerlijke rechtsvordering Tekst van de beslissing Nr. P.05.0762.N 1. D. G., 2. H. A., 3. V. F., eisers, burgerlijke partijen, met als raadslieden mr. Henri Boonen en mr. Jan Duym, beiden advocaat bij de balie te Antwerpen, tegen V. T. H. A. M., verweerder, beklaagde. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 21 april 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie zes middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen 1. Eerste middel Overwegende dat artikel 211bis Wetboek van Strafvordering bepaalt dat bij een vrijsprekend vonnis het gerecht in hoger beroep geen veroordeling kan uitspreken dan met éénparige stemmen van zijn leden, en dat dezelfde eenstemmigheid is vereist om tegen de beklaagde uitgesproken straffen te kunnen verzwaren; Dat uit deze bepaling niet volgt dat eenstemmigheid wordt vereist van de appelrechters die oordelen het beroepen vonnis ten nadele van de burgerlijke partij te moeten hervormen; Dat het middel faalt naar recht; 2. Tweede middel 2.1. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel gericht is tegen het oordeel van de appelrechters "dat voor wat betreft de feiten van de beweerde wederrechtelijke instandhouding van voormelde bouwwerken (de tenlasteleggingen sub 1, tweede deel en sub 3.
- b)overeenkomstig artikel 146, derde en vierde lid, (Stedenbouwdecreet 1999) zoals gewijzigd de strafsanctie niet geldt, de percelen waarop deze feiten geschiedden gelegen zijnde in een woongebied hetwelk geen ruimtelijk kwetsbaar gebied uitmaakt. (...) dat het hof (van beroep) niet bevoegd is om over de vorderingen van de (eisers) te oordelen in zoverre deze vorderingen geënt zijn op de beweerde feiten van de wederrechtelijke instandhouding waarvoor immers geen strafsanctie geldt (feiten 1, tweede deel en 3.
- b)"; Overwegende dat de opheffing van het strafbare karakter van feiten die voorheen een misdrijf uitmaakten, alleen het verval van de strafvordering tot gevolg heeft; dat deze wijziging evenwel niet meebrengt dat deze feiten niet langer een fout zouden zijn, noch dat de strafrechter voor wie de burgerlijke rechtsvordering werd ingesteld op het ogenblik dat de feiten nog strafbaar waren, daardoor zijn bevoegdheid verliest; Dat de appelrechters hun oordeel dat zij onbevoegd zijn om de burgerlijke rechtsvordering wegens de feiten van wederrechtelijke instandhouding (feiten 1, tweede deel en 3.
- b)te beoordelen, niet naar recht verantwoorden; Dat het onderdeel in zoverre gegrond is; 2.2. Eerste onderdeel Overwegende dat het onderdeel, in zoverre het betrekking heeft op de feiten van de beweerde wederrechtelijke instandhouding van de bouwwerken vermeld onder de telastleggingen sub 1, tweede deel, en sub 3, b, niet tot ruimere cassatie kan leiden dan het tweede onderdeel en bijgevolg geen antwoord behoeft; Overwegende dat met betrekking tot de wederrechtelijke handelingen, werken of wijzigingen bepaald onder de telastleggingen sub 1, eerste deel en sub 3.a, de appelrechters oordelen dat de burgerlijke rechtsvordering tijdig is geformuleerd en bijgevolg moet worden beoordeeld; Dat het onderdeel, dat alleen de verjaring van de strafvordering aanvecht, in zoverre bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is; 3. Derde middel Overwegende dat het middel gericht is tegen het oordeel van de appelrechters dat de schuld van de verweerder aan het hem ten laste gelegde feit sub 2 (bestemmingswijziging ) niet bewezen is; 3.1. Eerste onderdeel Overwegende dat de appelrechter niet hoeft te antwoorden op de motieven van het beroepen vonnis noch op voorgelegde stukken; Dat het onderdeel in zoverre faalt naar recht; Overwegende dat het onderdeel voor het overige een gebrek aan antwoord op conclusies aanvoert, zonder evenwel aan te duiden op welk precies verweer niet werd geantwoord; Dat het onderdeel in zoverre onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk is; 3.2. Tweede onderdeel Overwegende dat het bestreden arrest niet zegt dat "de destijds verleende vergunning van 23 juli 1987 waarbij parkeerplaatsen voorzien waren" betrekking had op de kavels 2 en 3, gelegen te K aan de B.straat 129-130; Dat het onderdeel, in zoverre het de miskenning van de bewijskracht van deze akte aanvoert, feitelijke grondslag mist; Overwegende dat het onderdeel voor het overige opkomt tegen de beoordeling van feiten door de rechter en het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is; Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is; 4. Vierde middel Overwegende dat de appelrechters met de herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur niet de oorspronkelijke vordering van 27 augustus 1999 bedoelen, maar deze vordering zoals aangepast bij stukken van 20 mei 2003 en 22 januari 2004; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist; Overwegende dat het middel voor het overige geheel gericht is tegen het onaantastbaar oordeel van de appelrechters "dat geen der burgerlijke partijen aannemelijk aantoont enige schade van welke aard dan ook in causaal verband met de destijds uitgevoerde (
- a)oprichting van de muur in betonblokken en (
- b)reliëfwijziging geleden te hebben"; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is; 5. Vijfde middel Overwegende dat het middel geen betrekking heeft op de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering; Dat het middel niet ontvankelijk is; 6. Zesde middel Overwegende dat in zoverre het middel is afgeleid uit voorgaande middelen, het niet ontvankelijk is; Overwegende dat het middel voor het overige opkomt tegen het onaantastbaar oordeel van de appelrechters waarbij zij met toepassing van artikel 150 Stedenbouwdecreet 1999 de herstelmaatregel bevelen die zij passend achten; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre de appelrechters oordelen dat zij onbevoegd zijn de burgerlijke rechtsvordering wegens de feiten van wederrechtelijke instandhouding (feiten 1, tweede deel en 3.
- b)te beoordelen; Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Veroordeelt de eisers in drie vierden van de kosten van hun cassatieberoep en de verweerder in de overige kosten; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Gezegde kosten begroot op de som van vijfhonderd negenenzeventig euro zesendertig cent, waarvan driehonderd zeventien euro drie cent verschuldigd en tweehonderd tweeënzestig euro drieëndertig cent door de eisers betaald. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van dertien december tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.7 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170607.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031216.43 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040120.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div