← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.8 Rolnummer: P.05.0693.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-11 Raadplegingen: 712 - laatst gezien 2026-07-04 09:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De opheffing van het strafbare karakter van het misdrijf van instandhouding inzake stedenbouw heeft alleen het verval van de op dat misdrijf gesteunde strafvordering tot gevolg; bij ontstentenis van anders luidende bepaling brengt deze wijziging niet mee dat de instandhouding, die strafbaar was in de periode waarin zij plaatsvond, niet langer de grondslag kan uitmaken van een herstelvordering, noch dat de strafrechter voor wie de herstelvordering werd ingesteld op het ogenblik dat de instandhouding nog strafbaar was, daardoor zijn bevoegdheid verliest

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Instandhoudingsmisdrijf Strafbaar karakter Opheffing Verval van de strafvordering Herstelvordering Fiche 2 Concl. proc.-gen. DE SWAEF, Cass., 13 dec. 2005, AR P.05.0693.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Instandhoudingsmisdrijf Strafbaar karakter Opheffing Verval van de strafvordering Herstelvordering Nota: P.05.0693.N. Procureur-generaal M. De Swaef heeft in substantie gezegd:
  1. De vraag die het Hof te dezen te behandelen krijgt is te weten of de strafrechter nog rechtsmacht heeft om een herstelmaatregel te bevelen wanneer een veroordeling wegens het instandhouden niet meer mogelijk is op grond van artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet
  2. Volgens deze bepaling geldt geen strafsanctie behoudens in drie gevallen die, na het arrest 14/2005 van het Arbitragehof van 19 januari 2005, zijn herleid tot het enkele geval van instandhouding in ruimtelijk kwetsbaar gebied.
  3. In de literatuur en de rechtspraak is de vraag gerezen of deze bepaling de constitutieve bestanddelen van het instandhoudingsmisdrijf nader omschrijft zodat het decreet van 4 juni 2003 het strafbare karakter van de instandhouding, voor zover aan de negatief geformuleerde voorwaarde is voldaan, opheft, dan wel of deze bepaling een strafuitsluitingsgrond bevat (zie hierover o.a. D. De Wolf, "Het strafrechtelijk onderzoek naar het milieumisdrijf" in A. De Nauw, P. Flamey en J. Ghysels, Milieustraf- en Milieustrafprocesrecht, Actuele vraagstukken, Larcier, 2005, p. 269-270, nr. 124 met verwijzingen). Het verschil tussen beide oplossingen is van belang voor de hangende strafvervolgingen. De invoering van een strafuitsluitingsgrond, die geen afbreuk doet aan de kwalificatie van de feiten als misdrijf, doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de strafrechter om te oordelen over de te bekwamer tijd ingestelde herstelvordering. In de zin van strafuitsluitingsgrond: - V. TOLLENAERE, "Het handhavingsbeleid inzake ruimtelijke ordening opnieuw gewijzigd", T.M.R. 2004, p. 7, nrs. 22-
  4. - F. VERBRUGGEN en I. BORREMANS, "Afgelopen? Toch niet. Bouwmisdrijven, verjaringstermijnen en rechtszekerheid na het decreet van 4 juni 2003", T.B.O. 2004,
  5. In de zin van opheffing van de strafbaarstelling: - M. BOES, "Verjaring van stedenbouwmisdrijven", R.W. 2003-04, 606 en 619, - R. VEKEMAN, "De verjaring van de stedenbouwmisdrijven", T. Gem. 2003, 237 en
  6. - J. GHYSELS, "Instandhoudingsmisdrijf stedenbouw. Afgeschaft of niet?" NjW 2004, 1303-
  7. - S. LUST, "Stedenbouwstrafrecht: een status questionis", C.D.P.K. 2004, 523-
  8. - P. FLAMEY, J. BOSQUET en F. JUDO, Handhavings- en verjaringsdecreet Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw, o.a. p. 29-30, nrs. 47 en
  9. - D. DE WOLF, "Het strafrechtelijk onderzoek naar het milieumisdrijf" in A. DE NAUW, P. FLAMEY en J. GHYSELS, Milieustraf- en Milieustrafprocesrecht. Actuele vraagstukken, Larcier, 2005, p. 269-271, nr
  10. Signaleren de discussie maar nemen geen standpunt in: - G. DEBERSAQUES, "Handhaving" in B. HUBEAU en W. VANDEVYVERE (ed.) Handboek ruimtelijke ordening en stedenbouw, Brugge, die keure, 2004, p. 827-828, nr.
  11. - B. BOUCKAERT en T. DE WAELE, Ruimtelijke ordening en Stedenbouw in het Vlaamse Gewest, Brugge, Vanden Broele, 2004, p. 324, nr.
  12. Ook het Arbitragehof liet de vraag uitdrukkelijk open; arrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005, overweging B.7, tweede alinea. De tekst van art. 146 zou enige discussie mogelijk maken omdat het instandhoudingsmisdrijf, zoals voordien, eerst zonder restrictie wordt omschreven in het eerste lid en pas daarna in het derde lid wordt bepaald dat "de strafsanctie" in bepaalde gevallen "niet geldt". "Strafsanctie" is geen courante term. Het begrip wordt spontaan met de "straf" zelf geassocieerd. Maar sanctie betekent in het algemeen "middel om de naleving van een voorschrift af te dwingen" zodat, wanneer de klemtoon wordt gelegd op het element sanctie (en niet op het element straf), met strafsanctie even goed (en zelfs beter) de gehele strafbepaling kan worden bedoeld. De parlementaire voorbereiding laat hierover echter geen ruimte voor twijfel. Steeds wordt erop gewezen dat het stedenbouwmisdrijf in de regel niet langer een voortdurend misdrijf kan zijn (wat de opheffing van de strafbaarstelling van de instandhouding impliceert) (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, p. 7, 15) of wordt gesproken over de schrapping van de strafbaarstelling van de instandhouding (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/1, p. 6, 7 en 9, nr. 1566/7, p. 9, 22, 26 en 38; zie ook nr. 1566/8, p. 4) Ook de Raad van State begreep de bepaling in die zin (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/4, p. 6). Zie ook het verslag van de bespreking in de plenaire vergadering (zitting 28 mei 2003, nr. 58, p. 22, 23, 35).
  13. Indien dus wordt aangenomen dat het decreet van 4 juni 2003 aan de instandhouding in de bedoelde gevallen het karakter van misdrijf heeft ontnomen, kan de rechtsmacht van de strafrechter met betrekking tot herstelvorderingen die regelmatig aanhangig werden gemaakt vóór de inwerkingtreding van deze bepaling, worden gesteund op de oplossing van het arrest van 20 januari 2004 (A.R. P.03.1189.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040120.16). Het Hof overwoog alsdan "dat de opheffing van het strafbare karakter van de feiten alleen het verval van de strafvordering tot gevolg heeft, dat deze wijziging evenwel niet meebrengt dat deze feiten niet langer één fout zouden zijn, noch dat de strafrechter voor wie de burgerlijke vordering werd ingesteld op het ogenblik dat de feiten nog strafbaar waren, daardoor zijn bevoegdheid verliest". Indien de oplossing van het arrest van 20 januari 2004 wordt gevolgd, rijst nog de vraag op grond van welke regels de strafrechter de gegrondheid van de herstelvordering beoordeelt. Kan de strafrechter oordelen dat de handeling, op het ogenblik waarop zij werd gesteld, door de wet strafbaar werd gesteld en bijgevolg een onrechtmatige daad uitmaakt, ook al werd de strafwet nadien opgeheven? Die oplossing zou impliceren dat de terugwerkende kracht van de strafwet alleen geldt voor de toepassing van de strafwet maar geen afbreuk doet aan de beoordeling van de herstelvordering.
  14. Vreemd genoeg hebben slechts weinig auteurs oog voor het toch wel belangrijke probleem van het overgangsrecht. Zie in de zin van onmiddellijk verval van de herstelvordering die alleen steunt op een niet langer strafbaar gestelde instandhouding: M. BOES, "Verjaring van stedenbouwmisdrijven", R.W. 2003-04, p. 619, nr.
  15. Zie daarentegen in de zin van behoud van de herstelvordering, op grond van een interpretatie van het Arbitragehof-arrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005; D. DE WOLF, "Het strafrechtelijk onderzoek naar het milieumisdrijf" in A. DE NAUW, P. FLAMEY en J. GHYSELS, Milieustraf- en Milieustrafprocesrecht. Actuele vraagstukken, p. 277, nr.
  16. Zie ook J. GHYSELS, "Instandhoudingsmisdrijf stedenbouw. Afgeschaft of niet?" NjW 2004, p. 1305, nr. 8, die, wellicht op grond van het standpunt dat de herstelvordering deel uitmaakt van de strafvordering, ervan uitgaat dat het verval van de strafvordering het verval van de herstelvordering impliceert maar niet het verval van de burgerlijke vordering die vóór de opheffing van de strafwet werd ingesteld. Zie tenslotte nog G. DEBERSAQUES, "Stedenbouwmisdrijven; instandhouding en herstel. Fundamentele wijzigingen door het decreet van 4 juni 2005", T.R.O.S. 2003, p. 227, nr. 45, die voorhoudt "Omdat de herstelvordering tot de strafvordering behoort, mag o.i. worden aangenomen dat ook wat de wijzigingen inzake de herstelvordering betreft, de nieuwe regelgeving onmiddellijk effect sorteert. Zij is aldus van toepassing op alle herstelvorderingen die voor de inwerkingtreding van de nieuwe regeling zijn ontstaan en op die datum nog niet zijn verjaard krachtens de oude regelgeving".
  17. Uit de parlementaire voorbereiding valt niet af te leiden dat de decreetgever met zekerheid ervan uitging dat de opheffing van de strafbaarstelling "instandhouding" zou leiden tot een verval van reeds ingestelde herstelvorderingen. In het eerste voorstel van decreet, neergelegd op 10 februari 2003 (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/1) werd bepaald; - schrapping van de strafbaarstelling van de instandhouding, tenzij het misdrijf gelegen is in ruimtelijk kwetsbaar gebied of voorkomt op een limitatieve en nominatieve lijst van stedenbouwmisdrijven (art. 4). - verplichting van meerwaarde als herstelmaatregel voor misdrijven "gepleegd vóór 1 januari 1995", tenzij het misdrijf voorkomt op de limitatieve en nominatieve lijst van stedenbouwmisdrijven (art. 5); - een vermoeden van vergunning voor alle gebouwen opgericht vóór 31 december 1994 (art. 7), volgens de commentaar bij dit artikel verdwijnt op die manier, na het heffen van de meerwaarde, de bouwovertreding als rechtsgrond voor strafrechtelijke vervolging. Wanneer het ging over een bouwmisdrijf, niet gelegen in ruimtelijk kwetsbaar gebied en niet voortkomend op de lijst, was de instandhouding niet strafbaar. Toch ging de decreetgever uit van de mogelijkheid dat de meerwaarde werd opgelegd voor "misdrijven gepleegd vóór 1 januari 1995", dit zijn gebouwen opgericht vóór 1 januari
  18. De toelichting bevestigt dit; voor de op de lijst voortkomende misdrijven blijft instandhouding strafbaar, zodat de misdrijven niet verjaren en herstel door middel van de meerwaarde uitgesloten is; "alle andere overtredingen worden maximaal geregeld door middel van het vorderen van een meerwaarde via een gerechtelijke procedure" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/1, p. 5). Na betaling van de meerwaarde gold dan het vermoeden van vergunning (ibid). Voor bouwovertredingen na 1995 ging de decreetgever ervan uit dat meerwaarde niet op zijn plaats was, tenzij in niet-kwetsbare gebieden en voor kleine overtredingen. Dat zijn dus stedenbouwmisdrijven waarvoor de instandhouding niet langer strafbaar is. Maar als de herstelvordering zou vervallen bij verval van de strafvordering m.b.t. het instandhoudingsmisdrijf, zou geen herstelmaatregel meer mogelijk zijn voor alle gebouwen waarvoor de werken beëindigd waren begin
  19. In het geamendeerde voorstel (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/2, p. 6-7) werd de lijst geschrapt en werd een andere scharnierdatum vooropgesteld; 1 mei 2000, datum van inwerkingtreding van Stedenbouwdecreet
  20. Dirk Van Remoortel, kamervoorzitter van de correctionele kamer van het Hof van Beroep te Gent die zetelt in stedenbouwzaken, wees tijdens de hoorzitting (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/3 dat verwijst naar 1425/5, p. 25) erop dat "de voorstellen die louter betrekking hebben op de verjaring van de strafvordering (...) niet met zich mee (brengen) dat ook een tijdig instelde herstelvordering zou zijn verjaard volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie". Stephan De Taeye hield tijdens dezelfde hoorzitting daarentegen voor dat de afschaffing van het instandhoudingsmisdrijf zou leiden tot een volledig verval van de daarop gesteunde herstelvordering (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/3 dat verwijst naar 1425/5, p. 28 en vooral p. 29 met als conclusie; "Voor vele nog te vervolgen misdrijven van vóór 1 januari 1995 zal daarom geen meerwaarde meer kunnen worden opgelegd. Ook voor vele misdrijven van na 1 januari 1995 zal de verjaring dreigen"). De Taeye ging daarbij verder dan wat het voorstel klaarblijkelijk beoogde. Enige vraag hierover werd niet gesteld. De Raad van State maakte in zijn advies over deze kwestie geen bijzondere opmerking. Integendeel, bij de bespreking van de vraag wat moet worden verstaan onder een voor 1 januari 1995 gepleegd misdrijf, wees de Raad erop dat het gaat om voortdurende misdrijven, daarbij de vraag over het hoofd ziende of nog van voortdurend misdrijf kan worden gesproken indien de instandhouding niet langer strafbaar is (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/4, p. 7, voetnoot 4).
  21. Na het advies van de Raad van State is er voor het eerst sprake van overgangsmaatregelen. Het amendement nr. 9 (dat dan de tekst van het decreet geworden is) bevat die "overgangsmaatregelen" die het advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid betreffen. De toelichting bij het voorgestelde artikel 11 vat aan met de mededeling "Een aantal overgangsbepalingen waren over het hoofd gezien" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr 1566/5, p. 6). De overgangsmaatregel m.b.t. hangende zaken werd als volgt toegelicht. "Voor de reeds lopende vorderingen, waarvoor nog geen vonnis of arrest is geveld, kan de rechter souverein oordelen om al dan niet het advies in te winnen van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid." Over de vraag wat er moet gebeuren met regelmatig ingestelde herstelvorderingen, wordt echter niets expliciets gezegd, ook niet tijdens de bespreking in de Commissie (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, zie vooral p. 20-21) dat handelt over de "behandeling van de bouwmisdrijven tussen 1 januari 1995 et 1 mei 2000"). Indirect blijkt wel, zoals blijkt uit de "overgangsmaatregel", dat de "waarborg" voor "oude" bouwmisdrijven (vóór 1 mei 2000) lag in de Hoge Raad. De Minister verklaarde o.a.: "Voor de bouwmisdrijven die dateren van vóór 1 mei 2000 is een belangrijke rol weggelegd voor de Hoge Raad voor het Herstelbeleid" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, p. 22) en "bouwmisdrijven uit het verleden (moeten) op een objectieve en aangepaste wijze (...) worden behandeld, waarbij ook rekening wordt gehouden met de tijdsgeest binnen dewelke die bouwinbreuk werd gepleegd. (...). Retroactieve zaken zullen worden beoordeeld door de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. Voor bouwmisdrijven vanaf 1 mei 2000 geldt in principe de nultolerantie" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1556/7, p. 23) en nog; "Het moet volgens de minister de ambitie van de decreetgever zijn om een streep te trekken onder het verleden (...). De Hoge Raad zal zich uitspreken over dossiers uit het verleden en moet daarbij instaan voor de nodige interpretatie en motivering en het opbouwen van een jurisprudentie terzake" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, p. 32). De indiener van het voorstel, Patrick Lachaert, verklaarde ook, na te hebben uiteengezet dat een vermoeden van vergunning geldt voor constructies die werden gebouwd vóór de definitieve vaststelling van de gewestplannen. "Er kunnen wel strafbare feiten zijn bij constructies die gebouwd zijn na de definitieve totstandkoming van de gewestplannen van het gebied waarin ze zijn gelegen. Voor de periode tussen 1977-1979 (definitieve vaststelling van de gewestplannen) tot 1 mei 2000 heeft het decreet een duidelijk doel voor ogen. Vanaf 1 mei 2000 geldt de zogenaamde nultoleranties" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, p. 24). Wat is dat "duidelijke doel"? Is dat niet alleen de meerwaarde en de Hoge Raad voor het Herstelbeleid? Dat hangende herstelvorderingen zouden vervallen, werd immers nooit uitdrukkelijk als doel vooropgesteld. Tijdens de bespreking werd doorgedacht over een verbouwing van een woning in gewoon agrarisch gebied in 1973 waarbij, in strijd met de vergunning, drie woongelegenheden i.p.v. één werden ingericht maar zonder wijziging van het bouwvolume. Geen ruimtelijk kwetsbaar gebied, geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder en geen ernstige inbreuk op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften, dus geen strafbaarheid van de instandhouding. Niettemin in dergelijke gevallen kan er een oplossing komen via de meerwaarderegeling ... (Parl. St. Vl. Parl., 2002-03, nr. 1566/7, p. 34).
  22. Wat kan hieruit worden besloten? Op grond van art. 198 bis Stedenbouwdecreet waarbij de rechter ingediende vorderingen voor inbreuken die dateren van voor 1 mei 2000 alsnog kan voorleggen voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor het herstelbeleid kan m.i. worden afgeleid dat de decreetgever niet heeft gewild dat regelmatig ingestelde herstelvorderingen, gegrond op een instandhoudingsmisdrijf, wegens het verval van de strafvordering eveneens zouden vervallen. De beslissing van de appelrechters dat er geen aanleiding is om in te gaan op de herstelvordering in zoverre geënt op feiten van instandhouding is dan ook niet naar recht verantwoord. Het cassatieberoep is in die mate gegrond. Conclusie: vernietiging met verwijzing wat de beslissing over de herstelvordering betreft. Tekst van de beslissing Nr. P.05.0693.N
  23. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, aangesteld voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest, met kantoren te Brussel, Koning Albert II-laan 20 bus 7,
  24. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, aangesteld voor het grondgebied van de provincie Antwerpen, met kantoren te Antwerpen, Copernicuslaan 1 bus 9, eisers tot herstel, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
  25. V. G. M.,
  26. S. S. M. J., verweerders, beklaagden. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 13 april 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eisers stellen in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Tweede onderdeel Overwegende dat de in artikel 149, ,§ 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 bedoelde herstelmaatregelen een civielrechtelijk karakter hebben; dat zij als bijzondere vorm van vergoeding of teruggave ertoe strekken een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het algemeen belang wordt geschaad; Overwegende dat de opheffing van het strafbare karakter van het misdrijf van instandhouding alleen het verval van de op dat misdrijf gesteunde strafvordering tot gevolg heeft; dat, bij ontstentenis van anders luidende bepaling, deze wijziging evenwel niet meebrengt dat de instandhouding, die strafbaar was in de periode waarin zij plaatsvond, niet langer de grondslag kan uitmaken van een herstelvordering, noch dat de strafrechter voor wie de herstelvordering werd ingesteld op het ogenblik dat de instandhouding nog strafbaar was, daardoor zijn bevoegdheid verliest; Overwegende dat de appelrechters hun oordeel dat "in zoverre gesteund (...) op de beweerde wederrechtelijke instandhouding (...) er geen aanleiding bestaat (...) nog in te gaan (op herstelvordering)", niet naar recht verantwoorden; Dat het onderdeel gegrond is; B. Eerste onderdeel Overwegende dat het eerste onderdeel dat niet tot ruimere cassatie kan leiden, geen antwoord behoeft; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over de herstelvordering; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Veroordeelt de verweerders in de kosten; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Gezegde kosten begroot op de som van vijfhonderd eenendertig euro negenenvijftig cent, waarvan honderd vierenveertig euro vijf cent verschuldigd en driehonderd zevenentachtig euro vierenvijftig cent door de eisers betaald. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van dertien december tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110524.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040120.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060502.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060905.3 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061010.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.10 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080226.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080923.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141202.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.