id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.9 Rolnummer: P.05.0891.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2006-05-11 Raadplegingen: 565 - laatst gezien 2026-07-04 00:39 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De strafrechter dient toepassing te maken van de regel dat de constructies waarvan door enig bewijsmateriaal wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, maar die dateren van vóór de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, vermoed worden te zijn vergund indien de overheid niet kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, zoals door middel van een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift, dat de constructie in overtreding werd opgericht, nu dat statuut bestaat onafhankelijk van en voorafgaand aan de vermelding ervan in het vergunningenregister of het ontwerp ervan
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALLERLEI Vrije woorden: STEDENBOUW - ALLERLEI Constructies gebouwd vóór de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan Vermoeden van vergunning Toepassing Fiche 2 Nu de artikelen 10 en 11, Grondwet de bescherming beogen van de burgers en niet van de overheid kan de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur als orgaan van de uitvoerende macht zich niet beroepen op een eventuele miskenning van rechten die voormelde artikelen alleen aan de burgers geven zodat er geen reden is tot het stellen van prejudiciële vragen. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Artikelen 10 en 11 van de Grondwet Gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur Beschermde persoon Fiches 3 - 4 Concl. proc.-gen. DE SWAEF, Cass., 13 dec. 2005, AR P.05.0891.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALLERLEI Vrije woorden: STEDENBOUW - ALLERLEI Constructies gebouwd vóór de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan Vermoeden van vergunning Toepassing Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Artikelen 10 en 11 van de Grondwet Gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur Beschermde persoon Nota: P.05.0891.N Conclusie van Procureur-generaal M. DE SWAEF Het dossier doet de vraag rijzen naar het "vermoeden van vergunning" in de artikelen 96 en 191 Stedenbouwdecreet
- Het oorspronkelijke ontwerp van het latere decreet van 18 mei 1999 bevatte geen bepaling over een vermoeden van vergunning. Volgens het oorspronkelijk voorgestelde artikel 96 bevat het vergunningenregister allerlei gegevens per kadastraal perceel, o.a. de gebouwen en constructies die erop staan, elke aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning en elke beslissing daarover. In de memorie van toelichting stond vermeld: "Indien wordt aangetoond dat de constructie dateert van vóór de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962, wordt de constructie in het register als dusdanig opgenomen. Er kan in dergelijk geval immers geen sprake zijn van een bouwvergunning afgeleverd op grond van de wet van 1962, zodat zal moeten worden volstaan met een eenvoudige vermelding terzake in het register" (zie de parlementaire voorbereiding zoals samengesteld door A. Desmet en S. Desmet, Het nieuwe decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, 543). Met een amendement werd een nieuwe ,§ 4 ingevoegd: "Constructies waarvan door enig bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn voor de inwerkingtreding van de Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, krijgen in het vergunningenregister de vermelding dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd". De verantwoording van dit amendement luidde als volgt: "De algemene vergunningsplicht werd ingevoerd door de wet van 29 maart
- De woningen en andere constructies die voordien werden opgericht, waren niet aan een algemene vergunningsplicht onderworpen zodat een specifieke vermelding in het vergunningenregister noodzakelijk is. Door deze vermelding wordt ervan uitgegaan dat deze constructies als vergund moeten worden beschouwd" (A. Desmet en S. Desmet, Het nieuwe decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, 545). Tijdens de bespreking in de commissie werd gesproken over een weerlegbaar vermoeden dat de constructies, gebouwd vóór de wet van 1962, vergund zijn. In vergelijkbare zin werd het oorspronkelijke artikel 191 met betrekking tot het ontwerp van vergunningenregister geamendeerd. Volgens de memorie van toelichting geeft het vergunningenregister aan "wat er vanaf 22 april 1962 (datum van inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw) in de gemeente op het vlak van de vergunningen en overtredingen gebeurd is. Ook de gebouwen en constructies waarvoor geen informatie werd teruggevonden, worden in het vergunningenregister opgenomen. Deze opname heeft uiteraard geen invloed op de stedenbouwkundige status van deze gebouwen" (A. Desmet en S. Desmet, Het nieuwe decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, 817). Met een amendement werd aan artikel 191, ,§ 1, een nieuw lid toegevoegd: "Constructies waarvan door enig bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn voor de inwerkingtreding van de Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, krijgen in het ontwerp van vergunningenregister de vermelding dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd". Ook hier werd als verantwoording gegeven dat door deze vermelding ervan wordt uitgegaan dat deze constructies als vergund moeten worden beschouwd. In de literatuur na het decreet van 18 mei 1999 werd aan dit vermoeden van vergunning weinig aandacht besteed (zie o.a. P. Flamey, J. Ghysels en J. Viaene, "het nieuwe decreet ruimtelijke ordening van 18 mei 1999: wat verandert er?" in P. Flamey en J. Ghysels, Ruimtelijke ordening en stedenbouw anno 2000, Diegem, Kluwer, 2000, p. 8, nr. 5; A. Carette, "De informatieplicht uit het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" in P. Flamey en J. Ghysels, Ruimtelijke ordening en stedenbouw anno 2000, p. 208, nr. 75). De idee dat het vermoeden van vergunning een weerslag zou kunnen hebben op de vervolging van stedenbouwmisdrijven, vindt men nergens terug (raadpleeg b.v. G. Debersaques, B. Hubeau en P. Lefranc, De sanctionering van stedenbouwmisdrijven. Handhavingsmaatregelen, Brugge, die Keure, 2001, 46-48). Dit is wellicht te verklaren doordat het "vermoeden van vergunning" betrekking heeft op constructies die dateren van vóór de inwerkingtreding van de Stedenbouwwet
- Het decreet van 4 juni 2003 heeft de artikelen 96 en 191, ,§ 1, vijfde lid, Stedenbouwdecreet 1999 gewijzigd. Aan artikel 96, ,§ 4, tweede lid, werd een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt: "Constructies waarvan door enig bewijsmateriaal wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, maar die dateren van voor de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, krijgen in het vergunningenregister de vermelding dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd, indien de overheid niet kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, zoals door middel van een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift, dat de constructie in overtreding werd opgericht". Artikel 191, ,§ 1 , vijfde lid, werd, vreemd genoeg, op een andere wijze gewijzigd (zie art. 10 decreet van 4 juni 2003) zodat deze bepaling na wijziging als volgt luidde: "Constructies waarvan door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn voor de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan, krijgen in het ontwerp van vergunningenregister de vermelding dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd". De redactie van artikel 191, ,§ 1, vijfde lid, werd echter opnieuw afgestemd op de redactie van artikel 96 door een amendement dat werd ingediend op het ontwerp van decreet dat het reparatiedecreet van 21 november 2003 geworden is (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1800/3, p. 10-
- In de verantwoording werd erop gewezen dat de artikelen 96 en 191 niet gelijkluidend waren en dat dit voor juridische problemen zou kunnen zorgen. Het amendement werd dan zonder verdere bespreking goedgekeurd (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1800/5, p. 21-22). Tijdens de parlementaire voorbereiding van het decreet van 4 juni 2003 werd ervan uitgegaan dat het vermoeden van vergunning niet (zozeer) een kwestie van opmaak van het vergunningenregister is maar (veeleer) een regel van materieel recht die ook de toepassing van andere regels, zo ook regels inzake handhaving, bepaalt. In het oorspronkelijke voorstel van decreet (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/1, p. 14) werd voorgesteld artikel 191, ,§ 1, vijfde lid, zo te wijzigen dat deze bepaling zou luiden: "Constructies waarvan door enig bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn voor 31 december 1994, krijgen in het ontwerp van vergunningenregister de vermelding dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd". Het was inderdaad de bedoeling om gebouwen waarvan de eigenaar kan aantonen dat ze gebouwd zijn voor 31 december 1994 als vergund te beschouwen (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/1, p. 5). In de tweede versie van het voorstel van decreet werd voorgesteld artikel 96 te wijzigen. Dit amendement werd uiteindelijk de goedgekeurde tekst. De volgende verantwoording werd gegeven: "Het laatste lid van dit amendement bevestigt, wat al herhaaldelijke malen ter sprake kwam in de parlementaire handelingen. Bij de opmaak van de vergunningenregisters wordt vaak de vraag gesteld bij wie de bewijslast ligt om aan te tonen of een constructie al dan niet vergund is. Door deze bepaling wordt duidelijk gesteld dat de bewijslast ligt bij de overheid, indien de constructie dateert van na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 maar van vóór de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan. Indien noch de gemeente, noch Arohm kan aantonen dat het gebouw vanaf 1962, maar vóór de gewestplannen werd gebouwd, verbouwd of het gebruik gewijzigd in strijd met de geldende regelgeving,
(1)bestaat het vermoeden dat het gebouw als vergund moet beschouwd worden. In het andere geval moet de overheid dit kunnen aantonen op basis van stukken, zoals bv. een goedgekeurd bouwplan dat afwijkt van de bestaande toestand, een goedkeuring met betrekking tot een ander gebruik dan de bestaande, een voor de indiening van het nieuwe dossier daterend proces-verbaal of niet-anonieme klacht" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/2, p. 3-4). De Raad van State gaf over het oorspronkelijk voorgestelde artikel 7 een niet relevant advies, ervan uitgaande dat artikel 191 alleen een overgangsmaatregel bevatte (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/9, p. 9). Bij het derde, herschreven voorstel van decreet werd dan de wijziging van artikel 96 hernomen en werd ook gedacht aan de wijziging van art. 191 (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/5, p. 4-5 en p. 6). Tijdens de bespreking werd sterk de nadruk gelegd op, wat zou kunnen worden genoemd de materieelrechtelijke draagwijdte van het vermoeden van vergunning (zie o.a. Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, p. 8). Heel duidelijk werd dit verwoord door Patrick Lachaert op de volgende wijze. Hij beklemtoonde het feit dat een bouwmisdrijf verjaard is, nog niet betekent dat het vergund is. Juist daarvoor werd het vermoeden van vergunning als oplossing voorgesteld: "Het CD&V-voorstel is daarom volgens de heer Lachaert onvolledig, in die zin dat het enkel de verjaring beoogt en niet handelt over het probleem van de vergunningsplicht. Het voorstel van de meerderheid tracht ook daarvoor een oplossing te bieden. Constructies waarvoor er geen bouwvergunning is, vergunning die er na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw moest zijn, maar die dateren van vóór de eerste, definitieve vaststelling van het gewestplan voor het gebied waarin ze zijn gelegen, worden geacht een vergunning te hebben. Daardoor kan er geen strafbaar feit zijn, omdat er geacht wordt een vergunning te zijn." En nog: "De heer Lachaert stelt verder dat in dit voorstel rekening wordt gehouden met de terechte kritiek van de burger dat men tussen de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 en de definitieve vaststelling van de gewestplannen een stedenbouwkundige vergunning kon krijgen omdat niemand wist in welke zone zou worden gebouwd. Voor die periode is er daarom een vermoeden van "onschuld", behalve indien de overheid bewijsmateriaal kan voorleggen" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, p. 24). De minister was iets voorzichtiger in zijn verklaringen. Op de vraag of de bedoelde gebouwen, opgericht zonder vergunning of in strijd met de vergunning, inderdaad definitief worden geacht te zijn vergund, antwoordde hij: "Minister Dirk Van Mechelen verwijst naar wat momenteel in de praktijk door de gemeenten bij de opmaak van de vergunningenregisters wordt vastgesteld. Ten aanzien van gebouwen opgetrokken voor de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 zijn er geen problemen, want deze gebouwen worden geacht vergund te zijn. Vanaf de totstandkoming van de gewestplannen beschikt men in de archieven ook over vrij nauwkeurige gegevens over de bouwvergunning. Voor de periode tussen de inwerkingtreding van de wet van 1962 en de definitieve vaststelling van de gewestplannen stellen er zich wel grote problemen. Daarom wordt in het voorstel van decreet opgenomen dat de constructies die opgetrokken zijn in die tussenperiode, in het vergunningenregister de vermelding krijgen dat er het vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd. De bewijslast is omgekeerd: het zal aan de overheid zijn om aan te tonen dat de constructie in overtreding werd opgericht. Dat kan bijvoorbeeld aan de hand van een proces-verbaal" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, p. 31). Dit antwoord bevredigde het lid van de commissie niet en hij drong aan op een concreet en duidelijk antwoord, dat niet werd gegeven ... Bij de artikelsgewijze bespreking werd het vermoeden van vergunning nog even ter sprake gebracht (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, p. 40). Tijdens het debat in de plenaire vergadering verwoordde Patrick Lachaert het principe van het vermoeden van vergunning nog op de volgende twee wijzen: "Dit voorstel van decreet gaat uit van een aantal belangrijke principes. Ten eerste, constructies waarvan door enig bewijsmateriaal wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn na de wet van 29 maart 1962, maar vóór de definitieve vaststelling van de gewestplannen, worden in het vergunningenregister geacht vergund te zijn" (plenaire vergadering van 28 mei 2003, Parl. Hand. nr. 58, p. 34) maar ook: "Het eerste principe is (...) dat constructies waarvan door enig bewijsmateriaal wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn na de wet van 29 maart 1962, maar vóór de definitieve vaststelling van de gewestplannen, als vergund worden beschouwd" (p. 35). Die twee verschillende verwoordingen wijzen op de cruciale vraag: is het vermoeden van vergunning een regel die alleen geldt voor de opmaak van het vergunningenregister of heeft het vermoeden op zichzelf een materieelrechtelijke draagwijdte? Het decreet van 21 november 2003 heeft de artikelen 96 en 191 gewijzigd. Die wijzigingen doen de vraag rijzen naar de praktische uitvoerbaarheid, binnen het kader van het vergunningenregister, van de regeling inzake het vermoeden van vergunning en naar het bindend karakter van de vermeldingen in het vergunningenregister. Art. 52 van het decreet heft in art. 191, ,§ 1, derde lid, het onder 2° bepaalde op. In art. 191, ,§ 1, derde lid, 2° was bepaald dat het ontwerp van vergunningenregister zou bevatten "een registernummer van de gebouwen en de constructies die daarop (nl. op het kadastraal perceel) staan en de functie daarvan". Er werd in de memorie van toelichting erop gewezen dat dit een "vrij omslachtige zaak is": "Betekent dit dat elk tuinhuisje, elk afzonderlijk bijgebouwtje een apart nummer moet krijgen?" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr.1800/1, p. 19). Als men na de schrapping van het onder 2° bepaalde nagaat wat in het ontwerp-vergunningenregister moet worden opgenomen, valt echter op dat er geen enkel aanknopingspunt met het bouwwerk zelf meer te bespeuren valt. Het is dan onduidelijk hoe het vergunningenregister vermeldingen zou moeten bevatten voor kadastrale percelen waarop een bouwwerk staat dat niet op het kadaster is bekend, waarvoor geen enkele vergunning werd aangevraagd en waarover geen enkele klacht werd neergelegd. Het valt dan ook te begrijpen dat de SERV en de MiNa-raad vragen hadden bij deze wijziging (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr.1800/1, p. 55 en p. 76). Dezelfde wijziging werd ook doorgevoerd in art. 96 met betrekking tot het vergunningenregister (zie art. 31 van het decreet van 21 november 2003) met een gelijkluidende toelichting (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1800/1, p. 13). Voorts werd in artikel 191, ,§ 1, een regel opgenomen die wel al in art. 98 m.b.t. het vergunningenregister was bepaald maar nog niet in art. 191: "Het college van burgemeester en schepenen is verantwoordelijk voor de overeenstemming van het eerste vergunningenregister met de erin opgenomen stukken". Deze regel werd in de memorie van toelichting als volgt toegelicht: "Naar analogie met artikel 98 wordt duidelijk bepaald dat de (sic) college van burgemeester en schepenen verantwoordelijk is voor de juistheid van de in het register opgenomen gegevens (maar niet voor de volledigheid ervan). Anders zou de indruk kunnen gewekt zijn dat de gewestelijke stedenbouwkundig ambtenaar met het opmaken van het verslag instaat voor de juistheid van de gegevens. Het is duidelijk dat dit verslag slechts een globale beoordeling kan geven, en niet kan garanderen dat de vele duizenden gegevens elk getoetst zijn op hun correctheid. Verder dan een steekproefsgewijze controle kan de gewestelijke stedenbouwkundig ambtenaar om praktische redenen niet gaan" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1800/1, p. 19). Uit deze toelichting blijkt dat het ontwerp-vergunningenregister blijkbaar niet als een volledig sluitend en bindend gegevensbestand wordt beschouwd. Dat een "vermoeden van vergunning" uit dit (ontwerp-)vergunningenregister bindend zou zijn, zou dus verwondering wekken. Als de opname van een vermoeden van vergunning als een bestuurshandeling zou worden beschouwd wat nog valt te bezien , zou, naar analogie met de regeling inzake de vergunning zelf, de vraag naar de wettigheid van deze bestuurshandeling moeten kunnen worden gesteld. Zeker op vraag van een derde benadeelde zou de (straf)rechter de wettigheid van deze beslissing moeten kunnen toetsen. In die benadering zou de vraag rijzen of ook de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur de wettigheid van deze bestuurshandeling kan aanvechten om alsnog de herstelvordering uit te oefenen. Na het decreet van 4 juni 2003 wordt in de literatuur zonder enig voorbehoud een materieelrechtelijk vermoeden van vergunning bevestigd. Het standpunt dat het vermoeden alleen de opmaak van het vergunningenregister zou betreffen, vindt men nergens terug. Zie: M. Boes, "Verjaring van stedenbouwmisdrijven", R.W. 2003-04, 610-611, nrs. 23-27; P. Flamey, J. Bosquet en F. Judo, Handhavings- en verjaringsdecreet Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw, o.a. p. 29-30, Gent, Larcier, 2004, 31-37; S. Lust, "Stedenbouwstrafrecht: een status questionis", C.D.P.K. 2004, 515-517, nrs. 7-11; S. Lust, D. Lindemans en Y. Loix, "Vergunningen" in B. Hubeau en W. Vandevyvere (ed.), Handboek ruimtelijke ordening en stedenbouw, Brugge, die Keure, 2004, p. 523, nr. 8; B. Roelandts, "Zonevreemd bouwen en exploiteren" in B. Hubeau en W. Vandevyvere (ed.), Handboek ruimtelijke ordening en stedenbouw, p. 737, nr. 24; V. Tollenaere, "Het handhavingsbeleid inzake ruimtelijke ordening opnieuw gewijzigd", T.M.R. 2004, p. 4, nrs. 13-15; F. Verbruggen en I. Borremans, "Afgelopen? Toch niet. Bouwmisdrijven, verjaringstermijnen en rechtszekerheid na het decreet van 4 juni 2003", T.B.O. 2004, 26; Zie wel iets genuanceerder: R. Vekeman, "De verjaring van de stedenbouwmisdrijven", T.Gem. 2003, 242. Logischerwijze wordt dan wél het verband gelegd met de strafbepalingen. Zie G. Debersaques, "Handhaving" in B. Hubeau en W. Vandevyvere (ed.), Handboek ruimtelijke ordening en stedenbouw, Brugge, die keure, 2004, p. 813, nr. 34: "Constructies waarvan met toepassing van artikel 96, ,§ 4, DRO wettig wordt vermoed dat ze als vergund moeten worden beschouwd, vallen niet onder de toepassing van deze bepaling, tenzij de overheid, wat de woningen betreft die dateren van voor de allereerste definitieve vaststelling van het gewestplan, aantoont dat de constructie in overtreding werd opgericht". Het geheel overziende, rekening houdende met de bedoeling van de decreetgever, kan de regeling als volgt worden uitgelegd: 1. Ook al schreef de decreetgever het vermoeden van vergunning neer in bepalingen die ogenschijnlijk alleen de opmaak van het ontwerp van vergunningenregister (art. 191) en het vergunningenregister (art. 96) betreffen, is het niettemin duidelijk dat de decreetgever beoogde de constructies die onder het toepassingsgebied van het vermoeden van vergunning vallen, gelijk te stellen aan vergunde constructies. Wordt deze oplossing niet aangenomen, dan ontstaat een totaal onwenselijke toestand waarbij voor de vergunningenpraktijk een gebouw als vergund wordt beschouwd terwijl voor de handhaving het gebouw als niet-vergund wordt aangemerkt. 2. Het vermoeden van vergunning is dan ook een regel met materieelrechtelijke draagwijdte die onafhankelijk van het (ontwerp van) vergunningenregister geldt. Het feit dat nog geen (ontwerp van) vergunningenregister werd opgemaakt, staat bijgevolg aan de toepasselijkheid van het vermoeden van vergunning niet in de weg. Wordt deze oplossing niet aangenomen, dan zou een niet te rechtvaardigen onderscheid bestaan naar gelang een gemeente vroeger of later de opmaak van het (ontwerp van) vergunningenregister heeft voltooid. 3. In de toekomst, nadat het (ontwerp van) vergunningenregister werd opgemaakt, zal wellicht moeten worden aangenomen dat de afwezigheid of opname van het vermoeden van vergunning in het (ontwerp van) vergunningenregister geen bindend karakter heeft. De benadeelde van een stedenbouwmisdrijf en (wellicht ook) de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur hoeven zich niet door de beoordeling door de gemeente gebonden te voelen. De vraag kan zelfs rijzen of het college van burgemeester en schepenen gebonden is door de vermeldingen in het register.
(2)Conclusie. In het eerste onderdeel voert de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur aan dat het vermoeden van vergunning alleen geldt wanneer het vermoeden is opgenomen in het (ontwerp van) vergunningenregister. In het tweede onderdeel voert deze eiser aan, op grond van het beginsel van de vrije beoordeling in strafzaken, dat de strafrechter niet gebonden is door het feit dat aan de voorwaarden is voldaan voor opname van de vermelding van het vermoeden van vergunning in het vergunningenregister, noch door het feit dat het vermoeden in het register werd vermeld: de strafrechter zou in alle vrijheid moeten kunnen nagaan "of het stedenbouwmisdrijf al dan niet bewezen is, en inzonderheid om in alle vrijheid te oordelen of de bewuste constructie al dan niet vergunningsplichtig is en of er al dan niet een vergunning werd verleend". Dat de strafrechter niet gebonden is door de vermelding in het vergunningenregister is correct, maar m.i. is hij wel gebonden door het feit dat is voldaan aan de voorwaarden opdat in het vergunningenregister het vermoeden van vergunning zou worden opgenomen. Het vermoeden van vergunning is immers een regel met een materieelrechtelijke draagwijdte. Beide onderdelen falen bijgevolg naar recht. Er bestaat geen aanleiding tot het stellen van de prejudiciële vraag die eiser voorstelt. Het antwoord van het Arbitragehof op de prejudiciële vraag is immers niet onontbeerlijk om uitspraak te doen. Ook wanneer het Arbitragehof van oordeel zou zijn dat de aangevoerde verschillende behandeling een schending van het gelijkheidsbeginsel zou inhouden, kan deze prejudiciële beslissing niet bewerkstelligen dat de beklaagde die krachtens de bekritiseerde bepaling het vermoeden van vergunning kan aanvoeren, zich niet meer op dat vermoeden zou kunnen beroepen zodat hij bijgevolg aan het ten laste gelegde stedenbouwmisdrijf schuldig zou moeten worden bevonden. _________________
(1)Uit de verdere parlementaire voorbereiding blijkt dat de verwijzing naar "regelgeving" niet te ruim mag worden uitgelegd. Uit de afwezigheid van vergunning kan geen strijdigheid met de regelgeving (die vereiste dat voorafgaandelijk een schriftelijke vergunning moet worden aangevraagd) worden afgeleid. Met "regelgeving" wordt bedoeld de materieelrechtelijke bouwvoorschriften. De verantwoording van het amendement gaat voort op wat wordt vergund geacht voor de regeling van zonevreemde gebouwen; zie de toelichting bij het voorstel van decreet inzake zonevreemde gebouwen: Parl. St. Vl. Parl. 2001-02, nr. 1203/1, p. 7; zie hierover B. Roelandts, "Zonevreemd bouwen en exploiteren" in B. Hubeau en W. Vandevyvere (ed.), Handboek ruimtelijke ordening en stedenbouw, p. 736, voetnoot 36.
(2)Krachtens de art. 98 en 191, ,§ 1, laatste lid, is het college verantwoordelijk voor de overeenstemming van het (eerste) vergunningenregister met de erin opgenomen stukken. Art. 98 werd geschreven nog voordat van een vermoeden van vergunning sprake was. Indien de decreetgever art. 98 zou hebben geschreven met kennis van het bestaan van een vermoeden, zou hij misschien het college verantwoordelijk hebben gesteld voor de juistheid van de erin vermelde gegevens. Art. 191, ,§ 1, werd echter gewijzigd nadat van een vermoeden al sprake was en de verantwoordelijkheid bleef beperkt tot de overeenstemming met de opgenomen "stukken". Voor het oorspronkelijke art. 98 werd erop gewezen dat de "overheidsaansprakelijkheid (cf. art. 1382 Burgerlijk wetboek)" een rol speelt (A. Desmet en S. Desmet, Het nieuwe decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, 548). Er werd niet voorgehouden dat de vermeldingen van het vergunningenregister bindend zijn. Dat op grond van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid zou moeten worden aangenomen dat een derde, bij wijze van herstel in natura, gerechtigd is op een behandeling alsof de vermeldingen in het vergunningenregister correct zijn, zou de toepasselijkheid van stedenbouwkundige voorschriften totaal afhankelijk maken van een gemeentelijk gegevensbestand. Zo een oplossing zou dan ook onwenselijk zijn. Tekst van de beslissing Nr. P.05.0891.N
- GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, aangesteld voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest, met kantoren te Brussel, Koning Albert II-laan 20 bus 7,
- GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, aangesteld voor het grondgebied van de provincie Antwerpen, met kantoren te Antwerpen, Copernicuslaan 1 bus 9, eisers tot herstel, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen L. B. A. M. D. M., verweerder, beklaagde, met als raadsman mr. Gérald Kindermans, advocaat bij de balie te Tongeren, ter terechtzitting bijgestaan door mr. Luc Beerden, advocaat bij de balie te Hasselt. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 25 mei 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eisers stellen in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof
- Onderzoek van het middel
- Eerste onderdeel Overwegende dat uit de artikelen 96, ,§ 4, tweede lid, en 191, ,§ 1, zesde lid, Stedenbouwdecreet 1999, zoals gewijzigd door de decreten van 4 juni 2003 en 21 november 2003, volgt dat constructies waarvan door enig bewijsmateriaal wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, maar die dateren van vóór de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, vermoed worden te zijn vergund indien de overheid niet kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, zoals door middel van een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift, dat de constructie in overtreding werd opgericht; Dat uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 4 juni 2003 blijkt dat de door de vermelde artikelen bedoelde vermelding in het vergunningenregister of het ontwerp ervan "dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd", zoals andere vermeldingen van het vergunningenregister of het ontwerp ervan, de weergave moet zijn van het statuut dat de constructie op het vlak van stedenbouwkundige vergunningen heeft; Dat dit statuut bestaat onafhankelijk van en voorafgaand aan de vermelding ervan in het vergunningenregister of het ontwerp ervan; Dat de omstandigheid dat een vergunningenregister of het ontwerp ervan nog niet is opgemaakt, bijgevolg niet eraan in de weg staat dat een constructie die voldoet aan de voorwaarden van de voormelde bepalingen om te worden vermoed te zijn vergund, wordt gelijkgesteld aan een constructie waarvoor een regelmatige vergunning werd aangevraagd en verkregen; Dat het onderdeel faalt naar recht;
- Tweede onderdeel Overwegende dat, zoals uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt, de strafrechter die oordeelt over de tenlastelegging van een in artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999 bedoeld strafbaar feit, toepassing moet maken van de in de artikelen 96, ,§ 4, tweede lid, en 191, ,§ 1, zesde lid, Stedenbouwdecreet 1999 bedoelde regel dat constructies waarvan door enig bewijsmateriaal wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, maar die dateren van vóór de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, vermoed worden te zijn vergund indien de overheid niet kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, zoals door middel van een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift, dat de constructie in overtreding werd opgericht; Dat het onderdeel faalt naar recht; Overwegende dat de artikelen 10 en 11 Grondwet de bescherming beogen van de burgers en niet van de overheid; Dat eiser, als orgaan van de uitvoerende macht, zich niet kan beroepen op een eventuele miskenning van rechten die voormelde artikelen alleen aan de burgers geven; Dat er derhalve geen reden is tot het stellen van de prejudiciële vragen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van tweehonderd drieëntachtig euro tweeëntachtig cent, waarvan drieëndertig euro drieënvijftig cent verschuldigd en tweehonderd vijftig euro negenentwintig cent door de eisers betaald. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van dertien december tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.9 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080226.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181002.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div