id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051215.3 Rolnummer: C.04.0531.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Insolventierecht - Strafrecht Invoerdatum: 2006-04-05 Raadplegingen: 193 - laatst gezien 2026-07-03 10:05 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Tegen een arrest van het hof van beroep dat een faillissement opheft en aldus de vraag betreft of het faillissement al dan niet moest worden gehandhaafd en dus of de curator het beheer van de boedel moest blijven uitoefenen, kan door de curator die in het geding was een ontvankelijk cassatieberoep worden ingesteld
(1).
(1)Cass., 14 jan. 2005, AR C.03.0468.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050114.3, nr
- Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders Curator Faillissement Opheffing Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING Faillissement Opheffing Cassatieberoep Curator Ontvankelijkheid Fiches 3 - 4 Wanneer de rechtbank, indien de akkoordaanvraag wordt verworpen, de schuldenaar in het bijzonder hoort over de faillissementsvoorwaarden, moet zij ook het openbaar ministerie de mogelijkheid geven over het faillissement zijn advies te verstrekken. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING Verwerping van de akkoordaanvraag Faillissementsvoorwaarden Openbaar ministerie Advies Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.764,8° Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: OPENBAAR MINISTERIE Faillissement Rechtspleging Verwerping van de akkoordaanvraag Faillissementsvoorwaarden Advies Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.764,8° Fiches 5 - 6 Niet ontvankelijk bij gebrek aan belang is het middel van de curator ter bestrijding van de navolgend gewezen beslissing over de gerechtelijke ontbinding van de vennootschap, wanneer de beslissing tot opheffing van haar faillietverklaring overeind blijft. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Belang Vrije woorden: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Belang Faillissement Opheffing Gerechtelijke ontbinding Curator Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING Faillissement Opheffing Gerechtelijke ontbinding Cassatiemiddel Curator Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. C.04.0531.N
- D.F., in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV Sobelair,
- D.J. in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV Sobelair,
- S.J., in zijn hoedanigheid van adjunct curator van het faillissement van de NV Sobelair, eisers, vertegenwoordigd door Mr. Philippe Gérard, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- SOBELAIR, naamloze vennootschap, in vereffening, met zetel te 1000 Brussel, Louizalaan 416, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- J.K.,
- V.E.,
- P.A.,
- G.J.,
- V.G.,
- V.K., verweerders,
- JETAIR, naamloze vennootschap, met zetel te 8400 Oostende, Gistelsesteenweg 1, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- V.C., in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV Sabena,
- D.A., in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV Sabena, verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 juni 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middelen De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 1054 van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; artikel 149 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest, doordat het door de curatoren van de NV Sabena ingestelde incidenteel hoger beroep ontvangt. Grieven 1.
- Eerste onderdeel Krachtens artikel 1054 van het Gerechtelijk Wetboek kan alleen de gedaagde in hoger beroep incidenteel beroep instellen. Een partij is enkel gedaagde in hoger beroep in de zin van die bepaling wanneer een hoofd- of incidenteel beroep tegen haar wordt gericht, wat impliceert dat een partij voor de appèlrechters een vordering heeft ingesteld, met uitzondering van een vordering tot bindendverklaring van het arrest, waardoor zij in haar belangen kan worden geschaad. Een partij die, overeenkomstig artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek, in de zaak is geroepen tot bindendverklaring van het arrest, geen gedaagde in hoger beroep is. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het hoofdberoep van de NV Sobelair werd ingesteld tegen alle procespartijen in eerste aanleg, waaronder de curatoren van de NV Sabena, maar dit had enkel tot strekking het vonnis a quo nietig te verklaren wat betreft de faillissementsverklaring. Het blijkt dus niet dat de NV Sobelair voor de appèlrechters een eis heeft ingesteld die de belangen van de curatoren van de NV Sabena zou kunnen schaden. Laatstgenoemden hadden derhalve niet de hoedanigheid van gedaagden in hoger beroep die incidenteel beroep kunnen instellen. Het bestreden arrest, door het incidenteel beroep van de curatoren van de NV Sabena te ontvangen, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van artikel 1054 van het Gerechtelijk Wetboek). 1.
- Tweede onderdeel In hun conclusie-repliek op het advies van het openbaar ministerie overwogen de eisers dat het hoofdberoep niet ingesteld was tegen de curatoren van de NV Sabena, dat laatstgenoemden niet de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep hadden en dat dus hun incidenteel beroep onontvankelijk was (blz. 3 en 4). Het bestreden arrest beperkt zich ertoe het incidenteel beroep van de curatoren van de NV Sabena te ontvangen, zonder daarbij te antwoorden op het middel volgens hetwelk de curatoren van de NV Sabena geen gedaagde in hoger beroep waren. Het is derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 757, 764, 8°, en 824 van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; artikel 148 van de Grondwet ; &§9472; de artikelen 1315, 1319, 1320, 1322, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 11, ,§2 en 15, ,§2, van de Wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest vernietigt het vonnis a quo en zegt dat het op 19 januari 2004 ten name van de NV Sobelair geopende faillissement is opgeheven en dat de eisers uit hun aanstelling worden ontlast. Het verantwoordt deze beslissing door de overwegingen dat : "de rechtbank (heeft) Sobelair failliet verklaard nadat het verzoek om een gerechtelijk akkoord werd verworpen en (de NV Sobelair) voordien was gehoord nopens de vervulling van de faillissementsvoorwaarden. Hierbij heeft de rechtbank gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 15, ,§2, WGA haar biedt om ambtshalve een rechtspleging inzake faillietverklaring te openen. Het vermelde wetsartikel schrijft voor dat de mogelijkheid tot ambtshalve faillietverklaring eerst ontstaat indien het verzoek om een akkoord wordt verworpen. Zulks veronderstelt dat de behandeling van de aanvraagprocedure eerst werd beëindigd. De maatregel die eventueel navolgend ambtshalve door de rechtbank wordt getroffen berust dan op een van de aanvraagprocedure onderscheiden onderdeel van de rechtspleging, al worden de verwerping van de aanvraag en de faillietverklaring in eenzelfde vonnis beslist. Geen enkele wettelijke bepaling staat er overigens aan in de weg dat over de aanvraag en de faillietverklaring in onderscheiden vonnissen wordt beslist. De gewone regels inzake de behandeling van een faillissementsvordering, die in de bedoelde hypothese door de rechtbank zelf wordt aanhangig gemaakt, zijn hierop van toepassing. Dit betekent dat de behandeling ervan in openbare terechtzitting gebeurt en dat het openbaar ministerie hierover advies dient te verlenen, zoals bepaald in artikel 764, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek. Zulks blijkt evenwel niet te zijn nageleefd. De faillissementsvordering werd in de raadkamer behandeld en het openbaar ministerie heeft enkel advies verleend over de akkoordprocedure, maar niet over de opportuniteit van een ambtshalve uit te spreken faillissement, noch over de vervulling van de faillissementsvoorwaarden. Deze grief van (de NV Sobelair) is dan ook gegrond en noopt tot het besluit dat het vonnis met nietigheid is behept. In het voorliggende geval nu, heeft de rechtbank in haar vonnis vastgesteld dat NV Sobelair, die het proces-verbaal van vrijwillige verschijning betreffende de vordering op grond van artikel 634 WvV mee heeft ondertekend, niet langer aandrong op het bekomen van een gerechtelijk akkoord, hetgeen trouwens in het vermelde proces-verbaal wordt vermeld. Navolgend heeft de rechtbank overwogen dat de NV Sobelair haar verzoek heeft ingetrokken, of juister uitgedrukt er stilzwijgend afstand heeft van gedaan, hetgeen een juiste uitlegging vormt van haar initiatief om de vordering tot gerechtelijke ontbinding en vereffening te steunen en door NV Sobelair voor het (hof van beroep) trouwens werd bevestigd. De ondertekening van het proces-verbaal van vrijwillige verschijning met de vermelde inhoud houdt dus de stilzwijgende afstand van de rechtsvordering in zoals bepaald in artikel 824 Gerechtelijk Wetboek. Ingevolge de afstand door (de NV Sobelair) van haar rechtsvordering om een gerechtelijk akkoord te bekomen, kon de rechtbank, na zulks vastgesteld te hebben, enkel nog besluiten dat de akkoordprocedure was beëindigd, nu geen wettelijk voorschrift eraan in de weg staat dat de verzoekster om een gerechtelijk akkoord over dit recht beschikt. Zodoende kon de rechtbank het verzoek niet meer ontvangen en ten gronde verwerpen. Bij gemis aan mogelijkheid om de akkoordaanvraag te verwerpen, was meteen de wettelijke voorwaarde niet meer vervuld opdat de rechtbank ambtshalve over de faillietverklaring zou kunnen beslissen. De conclusie luidt dan dat de rechtbank van koophandel zonder rechtsmacht was om NV Sobelair failliet te verklaren. Het hoger beroep van Sobelair is gegrond en het faillissement moet worden opgeheven". Grieven 2.
- Eerste onderdeel Krachtens artikelen 148 van de Grondwet en 757 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de terechtzittingen van de rechtbanken openbaar, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen of tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden. De rechtspleging waarbij de aanvraag tot het bekomen van een gerechtelijk akkoord wordt behandeld, in de fase die aan de voorlopige opschorting voorafgaat, verloopt in de raadkamer, zelfs wanneer de betrokken schuldenaar zelf het verzoekschrift neerlegde. De ambtshalve faillietverklaring door de rechtbank die kennis neemt van het verzoek tot gerechtelijk akkoord is een wettelijke mogelijkheid binnen de procedure van de akkoordaanvraag : de debatten over concordaat en faling vinden plaats op dezelfde zitting en worden gezamenlijk gesloten, de uitspraak gebeurt in één en hetzelfde vonnis, het gaat om één en dezelfde procedure. Het behandelen van de ganse procedure dient bijgevolg in raadkamer te gebeuren. Het bestreden arrest, nu het beslist dat het vonnis a quo met nietigheid is behept omwille van het behandelen van de procedure in faling in raadkamer, verantwoordt derhalve niet zijn beslissing naar recht (schending van de artikelen 148 van de Grondwet, 757 van het Gerechtelijk Wetboek, 11 ,§2, lid 2, en 15, ,§2, van de Wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord). 2.
- Tweede onderdeel Krachtens artikel 764, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, worden op straffe van nietigheid aan het openbaar ministerie meegedeeld (...) de akkoordaanvragen, vorderingen tot faillietverklaring, tot verdaging van de datum van staking van betaling, alsook de rechtsplegingen tot herroeping van de opschorting van betaling en tot sluiting van het faillissement. De ambtshalve faillietverklaring in het kader van een verzoek tot gerechtelijk akkoord is een wettelijke mogelijkheid binnen de procedure van de akkoordaanvraag. Er kan overigens geen sprake zijn van een vordering tot faillietverklaring, aangezien geen van de partijen een dergelijke vordering heeft gesteld. De zaak is dus in zijn geheel mededeelbaar op basis van artikel 764, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek in zoverre de zaak een akkoordaanvraag betreft, aangezien de procedure geen vordering tot faillietverklaring als voorwerp had. In casu heeft het openbaar ministerie schriftelijk een negatief advies verleend met betrekking tot het verzoek tot gerechtelijk akkoord en waarin werd gevraagd verzoekster in het bijzonder te horen over de faillissementsvoorwaarden ex artikel 15, ,§2, van de Wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord. Het bestreden arrest, nu het beslist dat het vonnis a quo met nietigheid is behept wegens gebrek aan advies van het openbaar ministerie omtrent de opportuniteit van een ambtshalve uit te spreken faillissement en de vervulling van de faillissementsvoorwaarden, verantwoordt derhalve zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 764, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek en 15, ,§2, van de Wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord). 2.
- Derde onderdeel Krachtens artikel 824 van het Gerechtelijk Wetboek mag een stilzwijgende afstand alleen worden afgeleid uit handelingen of uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van het geding of van de rechtsvordering. De feitelijke vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de rechter, onder de voorwaarden van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek, uit een bekend feit kan afleiden om te besluiten tot een onbekend feit. Uit de omstandigheid dat een partij een proces-verbaal van vrijwillige verschijning betreffende een vordering op grond van artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen mee heeft ondertekend, volgt niet noodzakelijk dat ze stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar eerste rechtsvordering om een gerechtelijk akkoord te bekomen. Het bestreden arrest, nu het beslist dat de ondertekening door de NV Sobelair van het proces-verbaal van vrijwillige verschijning betreffende de vordering op grond van artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen de stilzwijgende afstand van de rechtsvordering om een gerechtelijk akkoord inhoudt, zoals bepaald in artikel 824 van het Gerechtelijk Wetboek, miskent het algemeen beginsel dat de afstand op beperkende wijze moet worden uitgelegd (schending van artikel 824 van het Gerechtelijk Wetboek) alsook het begrip feitelijk vermoeden (schending van de artikelen 1315, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek). 2.
- Vierde onderdeel Overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322, van het Burgerlijk Wetboek mag de rechter de bewijskracht van een akte niet schenden door er een bewering aan toe te schrijven die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. De vordering die het voorwerp uitmaakt van het door de curatoren van de NV Sabena, evenals NV Jet Air en NV Sobelair neergelegde P.V. van vrijwillige verschijning sterkte ertoe : aan partijen akte te verlenen van hun vrijwillige verschijning waarbij zij de rechtbank verzochten het geschil te beslechten en na uitspraak te hebben gedaan over de gerechtelijke akkoordprocedure, ingeleid door de NV Sobelair en gezien er geen wankelen van het krediet is, de gerechtelijke ontbinding van de NV Sobelair uit te spreken in toepassing van artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen en één of meer gerechtelijke vereffenaars aan te stellen met als opdracht alle handelingen te stellen, voorgeschreven door artikelen 186 tot 190 van het Wetboek van Vennootschappen, zonder dat zij daarvoor een beslissing van de algemene vergadering behoeven. Uit het P.V. blijkt dat de NV Sobelair een vordering tot gerechtelijk ontbinding gesteund op artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen heeft ingesteld als alternatief voor de ambtshalve faillietverklaring overeenkomstig artikel 15, ,§2, van de Wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, indien het verzoek om een akkoord wordt verworpen. Het bestreden arrest neemt aan dat uit het P.V. van vrijwillige verschijning blijkt dat de NV Sobelair niet langer aandrong op het bekomen van een gerechtelijk akkoord, dat ze haar verzoek heeft ingetrokken of, juister uitgedrukt, er stilzwijgend afstand heeft van gedaan en beslist dat de ondertekening van het proces-verbaal van vrijwillige verschijning met de vermelde inhoud, de stilzwijgende afstand van de rechtsvordering om een gerechtelijk akkoord te bekomen inhoudt. Het bestreden arrest geeft zodoende aan het P.V. van vrijwillige verschijning een met de bewoordingen, zin en draagwijdte ervan onverenigbare uitlegging en miskent aldus de bewijskracht dezer (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof A. Grond van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep : Over het door eerste verweerster opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep : ingevolge de opheffing van het faillissement door het hof van beroep hebben de curators en adjunct-curator geen bevoegdheid meer om op te treden : Overwegende dat de aangevochten beslissing de vraag betreft of het faillissement al dan niet moet worden gehandhaafd en dus of de curator het beheer van de boedel moest blijven uitoefenen ; Dat een cassatieberoep tegen de beslissing die het faillissement opheft moet kunnen worden bestreden door de curators en adjunct-curator die in het geding waren ; Dat de grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen ; B. Middelen zelf
- Tweede middel 1.
- Derde onderdeel Overwegende dat de eisers ervan uitgaan dat de appèlrechters uit de enkele omstandigheid dat verweerster een proces-verbaal van vrijwillige verschijning betreffende een vordering op grond van artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen mee heeft ondertekend, afleiden dat verweerster stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar eerdere vordering tot het verkrijgen van een gerechtelijk akkoord ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat :
- het vonnis (p. 5) overweegt dat de eerste verweerster een gerechtelijke bekentenis afgelegde "die erin bestaat dat zij niet langer aandringt op het bekomen van een gerechtelijk akkoord om reden dat de oplossingen voorgesteld in het verzoekschrift niet meer kunnen worden gerealiseerd door het feit dat (de verweerster sub 8) en (de verweerders sub 9 en 10), een vordering instellen conform artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen" ;
- het vonnis bij de beoordeling van de vordering ingesteld door de leden van de ondernemingsraad overweegt : "Vermits het verzoek tot gerechtelijk akkoord door (de eerste verweerster) wordt ingetrokken (...) is deze vraag te worden gehoord (...) zonder voorwerp geworden" ;
- de rechtbank in haar vonnis heeft vastgesteld dat de eerste verweerster, die het proces-verbaal van vrijwillige verschijning betreffende de vordering op grond van artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen mee heeft ondertekend, niet langer aandrong op het bekomen van een gerechtelijk akkoord, hetgeen trouwens in het vermelde proces-verbaal wordt vermeld ; Dat de appèlrechters vervolgens beslissen dat de ondertekening van het proces-verbaal van vrijwillige verschijning met de vermelde inhoud dus de stilzwijgende afstand inhoudt van de rechtsvordering, zoals bepaald in artikel 824 van het Gerechtelijk Wetboek ; Dat het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het bestreden arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist ; 1.
- Vierde onderdeel Overwegende dat uit het antwoord op het derde onderdeel van het tweede middel volgt dat, anders dan waar het vierde onderdeel van uitgaat, de appèlrechters niet louter op de inhoud van het proces-verbaal van vrijwillige verschijning steunen om te beslissen tot de stilzwijgende afstand door de eerste verweerster van de rechtsvordering om een gerechtelijk akkoord te bekomen ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat de rechtbank, indien de akkoordaanvraag wordt verworpen, overeenkomstig artikel 15, ,§2, van de wet van 17 juli 1997 in hetzelfde vonnis het faillissement van de schuldenaar kan uitspreken na hem in het bijzonder te hebben gehoord over de faillissementsvoorwaarden ; Dat, overeenkomstig artikel 764, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, de akkoordaanvragen, vorderingen tot faillietverklaring, tot verdaging van de datum waarop opgehouden is te betalen, alsook de rechtsplegingen tot herroeping van de opschorting van betaling en tot sluiting van het faillissement, op straffe van nietigheid worden medegedeeld aan het openbaar ministerie ; Dat, wanneer de rechtbank de schuldenaar in het bijzonder hoort over de faillissementsvoorwaarden, zij ook het openbaar ministerie de mogelijkheid moet geven over het faillissement zijn advies te verstrekken ; Dat het onderdeel dat er van uitgaat dat het advies niet moest worden gevraagd, faalt naar recht ; 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat de appèlrechters op grond van de in het tweede onderdeel vergeefs bekritiseerde redenen naar recht oordelen dat de faillietverklaring, beslist door de eerste rechter, nietig is ; Dat het onderdeel, dat gericht is tegen een zelfstandige reden van de appèlrechters, die hiermede ook willen aantonen dat de faillietverklaring nietig is, gericht is tegen een overtollige reden, mitsdien bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is ;
- Eerste middel Overwegende dat uit het antwoord op het tweede middel blijkt dat de beslissing van de appèlrechters tot opheffing van de faillietverklaring van de eerste verweerster overeind blijft ; Dat hieruit volgt dat de curators van eerste verweerster geen belang meer hebben om de beslissing, navolgend gewezen over de gerechtelijke ontbinding op het incidenteel beroep ingesteld door de curators van de NV Sabena, te bestrijden ; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van duizend negenhonderd en een euro achtenzestig euro jegens de eisende partijen, op de som van honderd en negen euro zevenenzestig cent jegens de verwerende partij sub 1, op de som van honderd en negen euro zevenenzestig cent jegens sub 8 en op de som van honderd en negen euro zevenenzestig cent jegens sub 9 en
- Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Jean de Codt en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van vijftien december tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051215.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050114.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div