id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051220.10 Rolnummer: P.05.1252.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-11-15 Raadplegingen: 168 - laatst gezien 2026-07-03 10:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het arrest dat oordeelt dat het nieuwe artikel 216quater, ,§ 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vanaf zijn inwerkingtreding moet worden toegepast vermits de zaak niet aan de rechter wordt onttrokken en de uitoefening van de strafvordering onaangetast blijft maar enkel het proces-verbaal van oproeping onontvankelijk verklaart, doet geen uitspraak over de grond van de strafvordering en belemmert er evenmin de verdere uitoefening van, zodat tegen dit arrest, dat noch een eindbeslissing is in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering noch een beslissing in de zin van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, geen cassatieberoep open staat. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Artikel 216quater, ,§ 2, eerste lid, Sv. Toepasselijkheid in de tijd Beslissing Tekst van de beslissing Nr. P.05.1252.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser, tegen A F J, verweerder, beklaagde. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 5 augustus 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, vakantiekamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiser voert in een memorie een middel aan. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat de procureur des Konings bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk op 8 februari 2005 de verweerder per proces-verbaal heeft opgeroepen om te verschijnen voor de correctionele rechtbank; Overwegende dat artikel 216quater, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, zoals het te dezen van toepassing was op het ogenblik van de oproeping per proces-verbaal, bepaalt dat "de procureur des Konings een persoon die aangehouden is met toepassing van de artikelen 1 en 2 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis of die zich bij hem meldt, (kan) oproepen om te verschijnen voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank binnen een termijn die niet korter mag zijn dan tien dagen, noch langer dan twee maanden"; dat de nummering van deze bepaling, zonder dat de tekst evenwel werd gewijzigd, thans ingevolge artikel 3 van de wet van 13 april 2005 tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het strafrecht en de strafrechtspleging, teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken, gewijzigd werd in artikel 216quater, ,§ 1, Wetboek van Strafvordering; Overwegende dat hetzelfde artikel 3 van voornoemde wet van 13 april 2005, in werking getreden op 13 mei 2005, evenwel in artikel 216quater, ,§ 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering hieraan toevoegt dat "een vonnis binnen twee maanden na de in ,§ 1 bedoelde zitting (wordt) uitgesproken. Zo niet, wordt het proces-verbaal onontvankelijk verklaard en worden de vervolgingen die opnieuw worden ingesteld, ingesteld overeenkomstig de artikelen 145 tot 147 en 182 tot 184, in welk geval de in de artikelen 216quater en 216quinquies bedoelde wijzen van aanhangigmaking niet van toepassing zijn"; Overwegende dat te dezen geen tussenvonnis of eindvonnis is tussengekomen binnen een termijn van twee maanden, volgend op deze oproeping; Overwegende dat de appelrechters oordelen dat het nieuwe artikel 216quater, ,§ 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vanaf zijn inwerkingtreding moet worden toegepast vermits de zaak niet aan de rechter wordt onttrokken en de uitoefening van de strafvordering onaangetast blijft maar enkel het proces-verbaal van oproeping onontvankelijk wordt verklaard; Overwegende dat het bestreden arrest aldus geen uitspraak doet over de grond van de strafvordering en evenmin de verdere uitoefening van de strafvordering belemmert; Dat het bestreden arrest geen eindbeslissing is in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin een beslissing in de zin van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering; Dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Laat de kosten ten laste van de Staat. Gezegde kosten begroot op de som van zesentwintig euro vijfenvijftig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en uitgesproken in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051220.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.