id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051220.11 Rolnummer: P.05.0970.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-15 Raadplegingen: 207 - laatst gezien 2026-07-03 10:03 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De uitdrukking "ermee vergelijkbare gebieden" in de zin van artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999 dat een opsomming geeft van de ruimtelijk kwetsbare gebieden, zijn gebieden waarvan het bestemmingsopschrift niet overeenstemt met één van de in de opsomming uitdrukkelijk vermelde gebieden maar die op grond van de bestemmingsvoorschriften met één van de uitdrukkelijk vermelde gebieden moeten worden gelijkgesteld
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - SANCTIES Vrije woorden: STEDENBOUW - SANCTIES Strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken Ruimtelijk kwetsbare gebieden Ermee vergelijkbare gebieden Fiche 2 Voor de toepassing van artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, behoort een ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied niet als zodanig, maar alleen na aanduiding door de Vlaamse regering als grote eenheid natuur in ontwikkeling, tot het ruimtelijk kwetsbaar gebied
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - SANCTIES Vrije woorden: STEDENBOUW - SANCTIES Strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken Ruimtelijk kwetsbare gebieden Ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. TIMPERMAN, Cass., 20 dec. 2005, AR P.05.0970.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: STEDENBOUW - SANCTIES Vrije woorden: STEDENBOUW - SANCTIES Strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken Ruimtelijk kwetsbare gebieden Ermee vergelijkbare gebieden STEDENBOUW - SANCTIES Strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken Ruimtelijk kwetsbare gebieden Ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied Nota: P.05.0970.N Advocaat-generaal Timperman heeft in substantie gezegd: 1. Eiser werd vervolgd en veroordeeld wegens het instandhouden van een zonder vergunning opgericht bouwwerk gelegen in een ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied. De appèlrechters oordeelden, zonder al té veel omhaal, dat het betreffende ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied voor de toepassing van artikel 146 lid 3 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening
(1)een natuurgebied is zoals bedoeld in artikel 146 lid 4 van hetzelfde Decreet
(2). Anders uitgedrukt: het kwestieuze ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied is een natuurgebied en een natuurgebied is een ruimtelijk kwetsbaar gebied zodat krachtens artikel 146 lid 3 het instandhouden van een inbreuk in zulk gebied strafbaar is. 2. Eiser in cassatie bestrijdt deze zienswijze en voert in het eerste onderdeel van zijn enige middel aan dat het duidelijke en niet voor interpretatie vatbare artikel 146 lid 4 DORO de ruimtelijk kwetsbare gebieden limitatief opsomt. Dat het artikel niet voor interpretatie vatbaar zou zijn lijkt mij twijfelachtig. In de ontwikkeling van het middel, en inzonderheid in de toelichting ervan, moet eiser immers zelf een uiteenzetting wijden aan hoe de term 'de ermee vergelijkbare gebieden'
(3)dient te worden begrepen: heeft die enkel betrekking op 'grote eenheden natuur in ontwikkeling', dan wel op gebieden aangewezen in ruimtelijke uitvoeringsplannen en plannen van aanleg? Ik zou dus eerder het tegenovergestelde durven voorhouden en stellen, niet gespeend van enig eufemisme, dat de bedoelde wetsbepaling niet zonder meer duidelijk is. 3. De uitdrukking 'ermee vergelijkbare gebieden' duikt in DORO voor het eerst op via artikel 8, sub 3, van het Decreet van 13 juli 2001
(4)waarbij artikel 145
(5), ,§1, eerste lid, 4° DORO wordt vervangen als volgt: 'het voorwerp van de aanvraag is niet gelegen in: de groengebieden, natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarde, natuurreservaten, natuurontwikkelingsgebieden, bosgebieden, valleigebieden en brongebieden, zoals aangeduid in de plannen van aanleg of de ermee vergelijkbare gebieden zoals aangeduid in de ruimtelijke uitvoeringsplannen (...). Uit deze, met artikel 146, lid 4 DORO weliswaar niet volledig congruente opsomming, blijkt duidelijk dat voor de toepassing van de in artikel 145 vervatte regeling, waarbij een vergunning kan worden toegekend met afwijking van de voorschriften van het gewestplan, één van de voorwaarden is dat de constructie niet gelegen is in ofwel gebieden waarvan de bestemming in de bepaling is opgesomd en die op de plannen van aanleg worden vermeld in overeenstemming met het K.B. van 28 december 1972
(6)ofwel ermee vergelijkbare gebieden die zullen worden aangeduid op de ruimtelijke uitvoeringsplannen maar waarvoor eenduidige benamingen en benamingvoorschriften ontbreken. Voor de ruimtelijke uitvoeringsplannen, die in de plaats komen van de plannen van aanleg, bestaan geen algemene bestemmingsvoorschriften. Met het decreet van 22 april 2005 werd er trouwens voor gekozen dat bij het opstellen van de ruimtelijke uitvoeringsplannen geen gebruik zal worden gemaakt van algemene bestemmingsvoorschriften
(7). Vanuit dit oogpunt valt te begrijpen waarom de decreetgever een beroep heeft gedaan op de omschrijving 'ermee vergelijkbare gebieden' wanneer hij het over ruimtelijke uitvoeringsplannen heeft. Aldus wordt, posterieur aan de invoering ervan, de term 'ermee vergelijkbare gebieden' zinvol én duidelijk. In de context van artikel 145 DORO is de opsomming zeker limitatief en is er, zolang de bestemming van gebieden bepaald wordt door plannen van aanleg, geen ruimte voor interpretatie. Dit kan echter al ni et meer gezegd worden wat het voorschrift van artikel 145bis DORO betreft
(8). 4. Door het decreet van 13 juli 2001
(9)werd in DORO een artikel 145bis ingevoegd dat in het laatste lid van zijn eerste paragraaf het begrip 'ruimtelijk kwetsbare gebieden' bevatte. De dan ingevoerde regeling werd later nog aanzienlijk gewijzigd
(10)zonder dat de omschrijving van het begrip 'ruimtelijk kwetsbare gebieden' te veranderen. Enkel bij decreet van 22 april 2005
(11)werden de woorden 'agrarisch gebied met bijzondere waarde' geschrapt. Afgezien hiervan en op de verwijzing naar de ruimtelijke uitvoeringsplannen na, is de opsomming identiek als deze gegeven in artikel 146, lid 4 DORO. Dat de ruimtelijke uitvoeringsplannen in artikel 145bis DORO niet ter sprake komen is geen vergetelheid van de decreetgever nu de uitzonderingsregeling voor zonevreemde constructies gekoppeld is aan de toepassing van gewestplannen en algemene plannen van aanleg. In de nieuwe op te maken ruimtelijke uitvoeringsplannen moet de rechtstoestand van zonevreemde constructies definitief worden geregeld
(12). De uitdrukking 'ermee vergelijkbare gebieden' lijkt mij evenmin te slaan op het begrip 'grote eenheden natuur in ontwikkeling'. 5. Het begrip 'grote eenheden natuur in ontwikkeling' is een begrip uit het Natuurbehouddecreet en is zeer precies bepaald. Een gebied kan slechts worden aangemerkt als 'grote eenheden natuur in ontwikkeling' voor zover het aldus door de Vlaamse regering is aangewezen. Het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) is samengesteld uit grote eenheden natuur en grote eenheden natuur in ontwikkeling
(13). Andere categorieën bestaan er niet. Met 'grote eenheden natuur in ontwikkeling' vergelijkbare gebieden zijn bijgevolg onbestaande
(14). 6. De term 'ermee vergelijkbare gebieden' moet bijgevolg slaan op de andere in art. 145bis, ,§ 1, vierde lid, DORO vermelde gebieden. Maar worden de verschillende bestemmingsgebieden niet op algemene wijze omschreven in het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen
(15)? Het blijkt dat bij het opstellen van gewestplannen in steeds grotere mate gebruik werd gemaakt van de mogelijkheid van aanvullende stedenbouwkundige voorschriften waartoe artikel 1, ,§ 2, van het K.B. van 28 december 1972 de mogelijkheid bood, en van de mogelijkheid om te voorzien in andere gebieden die helemaal niet door het K.B. van 28 december 1972 worden omschreven (zie 6.4. in artikel 2 en 17) of in een bijkomende bescherming ten aanzien van een bestemmingsgebied zoals door het K.B. van 28 december 1972 omschreven (zie 7.6. in art. 3 en 18)
(16). Sommige van deze aanvullende stedenbouwkundige voorschriften
(17)komen slechts in één gewestplan voor
(18). Sommige aanvullende stedenbouwkundige voorschriften zijn in verschillende gewestplannen gebruikt geworden en zijn op die wijze onder een gebruikelijk geworden benaming de facto een algemeen bestemmingsvoorschrift geworden. Op die wijze zijn die aanvullende stedenbouwkundige voorschriften onder hun gebruikelijke naam terechtgekomen in reglementaire besluiten
(19)en uiteindelijk ook in decreten. Ter onderscheiding van de bestemmingsgebieden vermeld in het K.B. van 28 december 1972 worden deze (gebruikelijke) aanvullende stedenbouwkundige voorschriften hierna 'bijzondere bestemmingsgebieden' genoemd.
- De omschrijving van de diverse bestemmingsgebieden in artikel 145bis DORO zou dan als volgt kunnen worden toegelicht. Een aantal bestemmingsgebieden worden omschreven in het K.B. van 28 december 1972 (zie art. 2) waaronder (in de volgorde van de opsomming in artikel 145bis DORO): - 4.
- groengebieden, zoals verder omschreven in artikel 13 van hetzelfde K. B.
(20)- 4.3.
- natuurgebieden zoals verder omschreven in art. 13; - 4.3.
- natuurgebieden met wetenschappelijke waarde of natuurreservaten zoals verder omschreven in art. 13; - 4.
- parkgebieden, zoals verder omschreven in art. 14; - 4.
- bosgebieden, zoals verder omschreven in art.
- Voorts verwijst artikel 145bis DORO naar een aantal 'bijzondere bestemmingsgebieden': - natuurontwikkelingsgebieden: 'zones voor natuurontwikkeling' zijn 'bestemd om ingericht te worden als natuurgebied. Werken en handelingen zijn toegelaten voor zover deze nodig zijn om het gebied als natuurgebied te ontwikkelen'
(21); - vallei- en brongebieden: 'de agrarische gebieden met landschappelijke waarde, die op de kaart welke de bestemmingsgebieden omschrijven overdrukt zijn met de letters V of B. hebben de bestemming van valleiof brongebieden waarin slechts agrarische werken en handelingen mogen worden uitgevoerd die het specifiek natuurlijk milieu van planten en dieren en de landschappelijke waarde niet schaden'
(22); - agrarische gebieden met ecologisch belang: 'agrarische gebieden met ecologisch belang zijn die gebieden die omwille van de belangrijkheid van de fauna en flora die zij herbergen, of omwille van hun invloed op de aanpalende groengebieden een uitgesproken ecologische waarde hebben. Alleen die werken en handelingen mogen er worden uitgevoerd die het specifiek milieu van planten en dieren en de landschappelijke waarde niet schaden'
(23); - agrarische gebieden met ecologische waarde: blijkbaar is alleen in het gewestplan Turnhout sprake van zo een gebied, in dat gewestplan omschreven als agrarisch gebied waarin slechts toegelaten zijn "grondgebonden bedrijven en agrarische werken en handelingen die het voortbestaan van de beschermde ecologische waarden binnen en naast het gebied niet in gevaar brengen"
(24)9. De begrippen 'grote eenheden natuur' (GEN) en 'grote eenheden natuur in ontwikkeling' (GENO) zijn afkomstig uit het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Deze begrippen worden omschreven in artikel 17, ,§ 2, Natuurbehouddecreet. De 'grote eenheden natuur' en 'grote eenheden natuur in ontwikkeling' zijn onderdelen van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN). Van groot belang is artikel 20 dat bepaalt welke gebieden de Vlaamse Regering kan aanduiden als gebiedscategorieën van het Vlaams Ecologisch Netwerk, dus hetzij als 'grote eenheden natuur' hetzij als 'grote eenheden natuur in ontwikkeling'. Deze bepaling werd gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2002
(25). Opmerkelijk is dat al in het oorspronkelijke artikel 20 één van de gebieden die als grote eenheden natuur in ontwikkeling kunnen worden aangewezen, wordt vermeld: 'ontginningsgebieden die één van de in dit artikel genoemde bestemmingen als nabestemming hebben'. De decreetgever kende bijgevolg al in 1997 dit bijzondere bestemmingsgebied; in de opsomming van ruimtelijk kwetsbare gebieden in DORO heeft hij aan dat bijzondere bestemmingsgebied evenwel geen aandacht besteed. In vergelijking met het oorspronkelijke artikel 20 worden bosuitbreidinggebieden opgenomen als gebieden die als grote eenheden natuur in ontwikkeling kunnen worden aangewezen. Aan dit bijzondere bestemmingsgebied heeft de decreetgever in DORO evenmin aandacht besteed. Ten slotte is van groot belang dat in het gewijzigde artikel 20 de uitdrukking 'de met een van deze gebieden ermee vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening' wordt gebezigd. Diezelfde uitdrukking komt vindt men ook terug in: - artikel 9 dat de toepassing van natuurbehoudmaatregelen beperkt, in zoverre de in deze bepaling bedoelde maatregelen niet de landbouwbedrijfsvoering en het teelplan kunnen regelen in 'agrarische gebieden, landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde, agrarische gebieden met bijzondere waarde en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening' tenzij in een aantal uitzonderingsgevallen (waarbij voor het historisch permanent grasland opnieuw verwezen wordt naar diverse bijzondere bestemmingsgebieden of de daarmee vergelijkbare bestemmingsgebieden); - artikel 13, ,§,§ 4 en 5, Natuurbehouddecreet dat een vergunningsplicht invoert, voor wijziging van de vegetatie of het geheel of gedeeltelijk wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan en voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan. Terwijl de uitgebreide vergunningsplicht van ,§ 4 geldt in o.a. agrarische gebieden met ecologisch belang of waarde en agrarische gebieden met bijzondere waarde, geldt de beperkte vergunningsplicht van ,§ 5 in o.a. landschappelijk waardevolle agrarische gebieden. De wijziging van artikel 13, wat betreft de uitdrukking 'en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening', werd als volgt toegelicht: 'De toevoeging in ,§ 4, eerste lid, 1, en in ,§ 5, 1, van de woorden "en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden" beoogt de vergunningsplicht ook in die gebieden te laten gelden die niet één der genoemde bestemmingen hebben gekregen of nog zullen krijgen, maar een andere die, inhoudelijk wat de bestemmingsvoorschriften betreft, op hetzelfde neerkomt. Het gaat dan om andere bestemmingen dan die welke vermeld zijn in het K. B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen. Nog in ,§ 4, eerste lid, 1, worden de woorden "aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen" gebruikt. De bedoeling is immers zowel de bestemmingen aangeduid op de plannen van aanleg met toepassing van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw of van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 te vatten, als de bestemmingen aangeduid op de ruimtelijke uitvoeringsplannen met toepassing van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening'
(26). Wat de wijziging van artikel 20 betreft werd verduidelijkt: 'De toevoeging van de woorden "en de ermee vergelijkbare bestemmingsgebieden" beoogt duidelijk te stellen dat de afbakening van het VEN ook mogelijk is in de gebieden die weliswaar onder een andere benaming dan die van de in artikel 20 vermelde bestemmingsgebieden worden aangeduid op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen, maar met bestemmingsvoorschriften die min of meer overeenkomen met één der genoemde bestemmingsgebieden. Om gelijkaardige en dus vergelijkbare bestemmingsvoorschriften mee in rekening te brengen wordt ook in de recente ruimtelijke ordeningswetgeving gebruik gemaakt van de toevoeging "en de ermee vergelijkbare gebieden, aangeduid op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen". Verwezen kan bijvoorbeeld worden naar de definitie van ruimtelijk kwetsbare gebieden in artikel 145bis van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening'
(27).
- Het wordt aldus ook voor de toepassing van art. 145bis DORO een moeilijke vraag te bepalen op welke gebieden het begrip 'ermee vergelijkbare gebieden' doelt. Men zou ervan kunnen uitgaan, zoals ook uit blijkt uit de zojuist geciteerde toelichting bij het decreet van 19 juli 2002, dat het niet gaat over bestemmingsgebieden zoals omschreven in het K.B. van 28 december
- Die bestemmingsgebieden had de decreetgever kunnen vermelden, zoals bijvoorbeeld 'ontginningsgebieden die één van de in dit artikel genoemde bestemming als nabestemming hebben' vermeld in artikel 20 Natuurbehouddecreet. De gehele opsomming van art. 145bis DORO doet evenwel blijken van weinig inzicht in de problematiek dat zelfs het voorgaande niet als onbetwistbaar uitgangspunt kan gelden. Men zou zich ook kunnen afvragen of de uitdrukking 'ermee vergelijkbare gebieden' wel op andere, niet uitdrukkelijk opgesomde 'bijzondere bestemmingsgebieden' (m.a.w. de door het gebruik algemeen geworden "aanvullende stedenbouwkundige voorschriften" die een bijzondere bestemming in het leven roepen) kan slaan. De decreetgever had immers, indien hij zich enige moeite had getroost, ook die bijzondere bestemmingsgebieden in de opsomming kunnen opnemen. Het volstond de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van de verschillende gewestplannen te raadplegen. Ook bij het opstellen van de opsomming van de bijzondere bestemmingsgebieden heeft de decreetgever geen blijk gegeven van bijzonder veel zorg zodat ook op dit punt ruimte voor discussie blijft bestaan. Een bijzondere heikele vraag is de vraag naar de juiste kwalificatie van bestemmingsgebieden waarvan de nabestemming deel uitmaakt van het begrip 'ruimtelijk kwetsbaar gebied'. Diverse gewestplannen bevatten dergelijke bestemmingsgebieden: "zone voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen met nabestemming natuurgebied"
(28), een "uitbreiding van ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied"
(29), een "stortgebied met nabestemming natuurontwikkeling", een "industriegebied met nabestemming natuurgebied"
(30), een "tijdelijk ontginningsgebied met nabestemming bosgebied"
(31), een "recreatiegebied met nabestemming natuur"
(32), "bijzonder groengebied"
(33), "ontginningsgebied met nabestemming natuurontwikkeling"
(34)of "bijzonder ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied"
(35). 11. Bij de totstandkoming van het decreet van 22 april 2005
(36)was het klaarblijkelijk de wil van de decreetgever door een wijziging van het decreet van 18 mei 1999 te komen tot 'een limitatieve lijst van bestemmingsgebieden die allemaal effectief in het koninklijk besluit van 28 december 1972 inzake de gewestplannen, of als bijzonder voorschrift in specifieke gewestplannen voorkomen'
(37). Op vraag van de Raad van state werd hetzelfde geantwoord
(38). De woorden die echter het meest aanleiding geven tot onzekerheid en die, in een gebruikelijke lezing, in de weg staan aan het limitatief karakter van de opsomming, namelijk de uitdrukking 'ermee vergelijkbare gebieden' zijn echter ook na 22 april 2005 in artikel 145bis DORO blijven staan. Het decreet van die datum draagt dus niet bij tot een verdere verduidelijking van het begrip, en het limitatief karakter dat de decreetgever aan de bepaling wou geven vindt geen uitdrukking in de bewoordingen ervan. 12. Het bestaan van de categorie "de ermee vergelijkbare gebieden" lijkt aan art. 146, lid 4 DORO de duidelijkheid die van een strafbepaling mag worden verwacht te ontnemen voor die gebieden waarvan de benaming niet overeenstemt met de gegeven opsomming
(39). De decreetgever is uitgegaan van de bestemmingsopschriften van bestemmingsgebieden in de gewestplannen in het K.B. van 28 december 1972 en van aanvullende stedenbouwkundige voorschriften in de verschillende gewestplannen. Het bestemmingsopschrift "ontginningsgebieden met nabestemming natuurgebied" komt niet nominatim in het K.B. van 28 december 1972 voor, maar wordt wel volledig door dat K.B. geregeld. Als van belang zou zijn, zoals tijdens de voorbereiding van het decreet van 19 juli 2002 inzake natuurbehoud werd beklemtoond, dat het moet gaan om andere bestemmingen dan die welke vermeld zijn in het K.B. van 28 december 1972, dan kunnen ontginningsgebieden nooit tot de ruimtelijk kwetsbare gebieden behoren. Het statuut van "ontginningsgebieden met nabestemming natuurgebied" wordt inderdaad volledig geregeld door het K.B. van 28 december 1972, zodat de decreetgever daaraan had kunnen denken. De decreetgever heeft overigens bij de voorbereiding van het decreet van 19 juli 2002 dat het Natuurbehouddecreet wijzigde, hieraan gedacht. Op dezelfde dag werd het decreet goedgekeurd dat DORO wijzigde en waarbij voor het eerst in een decreet een algemene omschrijving werd gegeven van het begrip "ruimtelijk kwetsbare gebieden". In dat laatste decreet heeft werden de ontginningsgebieden niet vermeld: bewust of uit vergetelheid? Voor het Natuurbehouddecreet kan een ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied niet worden beschouwd als een met natuurgebied vergelijkbaar gebied. Immers, krachtens art. 20, 1° Natuurbehouddecreet kunnen o.a. groengebieden (en dus o.a. natuurgebieden) en de ermee vergelijkbare bestemmingsgebieden worden aangeduid als GEN. Krachtens art. 20, 2° kunnen ontginningsgebieden en ermee vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening voor zover zij één van de in 1° genoemde bestemmingen als nabestemming hebben als GENO worden aangeduid. Voor de toepassing van art. 20, 1° en 2° kan een ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied bijgevolg niet worden beschouwd als met natuurgebied vergelijkbaar gebied. Zoniet zou het gebied ook kunnen worden aangemerkt als GEN en dat was klaarblijkelijk niet de bedoeling van de decreetgever. Als voor de toepassing van art. 146, vierde lid, DORO een ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied wel zou worden beschouwd als een met natuurgebied vergelijkbaar gebied, gaat de samenhang in het leefmilieurecht verloren. De vraag is echter of de decreetgever wel ooit oog heeft gehad voor samenhang wanneer men vaststelt dat binnen DORO zelf de term ermee vergelijkbare gebieden al niet eenduidig is (zie supra). 13. Samenvattend kan gesteld worden dat de gelijkstelling die door de appèlrechters werd gemaakt niet lijkt te kunnen verantwoord worden naar recht. De niet altijd coherente en voor té veel interpretatie vatbare wetgeving lijkt afbreuk te doen aan het legaliteitsbeginsel met zijn vereisten van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorzienbaarheid. Conclusie: vernietiging van de bestreden beslissing. ___________________________
(1)B.S. 8 juni 1999.
(2)Verder afgekort: Doro.
(3)Artikel 146 lid 4 Doro bepaalt dat onder de ruimtelijk kwetsbare gebieden worden verstaan de groengebieden, natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarde, natuurreservaten, natuurontwikkelingsgebieden, parkgebieden, bosgebieden, valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologische waarde of belang, agrarische gebieden met bijzondere waarde, grote eenheden natuur, grote eenheden natuur in ontwikkeling en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen in ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg (...).
(4)Decreet van 13 juli 2001 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, B.S. 3 augustus 2001.
(5)Hoofdstuk betreffende de rechtszekerheid inzake vergunde woningen en gebouwen die gelegen zijn buiten de geëigende bestemmingszone. (de zogenaamde heirkrachtregeling).
(6)K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen.
(7)Decreet van 22 april 2005 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, B.S. 29 april 2005.
(8)Uitzonderingsregeling voor zonevreemde constructies.
(9)Supra voetnoot 4
(10)Decreet 19 juli 2002, B.S. 26 oktober 2002.
(11)Supra voetnoot 7
(12)B. Roelandts, 'Zonevreemd bouwen en exploiteren' in B. Hubeau en W. Vandevyvere (ed.), Handboek ruimtelijke ordening en stedenbouw, p. 730, nrs. 2 en 3.
(13)Zie infra sub 9.
(14)Voegen de uitdrukking "ermee vergelijkbare gebieden" aan de woorden "grote eenheden natuur in ontwikkeling" toe: B. Roelandts, "Zonevreemd bouwen en exploiteren" in B. Hubeau en W. Vandevvvere (ed.), Handboek ruimtelijke ordening en stedenbouw, p. 742, nr. 31 (wat betreft art. 145bis, ,§ 1, vierde lid, DORO); G. Debersaques, "Ruimtelijke uitvoeringsplannen" in B. Hubeau en W. Vandevvvere (ed.), Handboek ruimtelijke ordening en stedenbouw, p. 830, nr. 69. Maar vgl. R. Vekeman, "De verjaring van de stedenbouwntisdrijven", T.Gem. 2003, 238 en duidelijk in andere zin: A. Van Brabant, "Zonevreemde constructies" in D. Meulemans (cd.), Recente ontwikkelingen betreffende vastgoed en landeigendom. Naar nieuwe beschermingsstatuten voor het buitengebied? , Antwerpen, Intersentia, p. 237.
(15)Zie ook de gecoördineerde omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen, B.S. 23 augustus 1997.
(16)Zie daarover B. Bouckaert en T. De Waele, Ruimtelijke ordening en stedenbouw in het Flamme Gewest, C.D.P.K.-Libri nr. 6, Gent, Mvs & Breesch, 2000, nr. 86; R. Vekeman. Ruimtelijke ordening en stedenbouw. Planologie, verordeningen en vergunningen, p. 146, nrs. 150, 154 en 155.
(17)Een overzicht van diverse "aanvullende stedenbouwkundige voorschriften" bij de verschillende gewestplannen vindt men in een document ("Bijlage 3. Aanvullende stedenbouwkundige voorschriften") dat te raadplegen is op de website www.vlm.be of ook www.ruimtelijkeordening.be.
(18)Zie "Bijlage 3. Aanvullende stedenbouwkundige voorschriften", p. 83.
(19)Zo was b.v. al in het Besluit van de Vlaamse Executieve van 15 maart 1989 (houdende bepaling van de gebieden van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen waarbinnen afwijkingen in verband met het verbouwen, het herbouwen of het uitbreiden van bestaande vergunde gebouwen niet of slechts gedeeltelijk kunnen worden toegestaan, B.S. 6 juni), sprake van agrarisch gebied met ecologisch belang, agrarisch gebied met ecologische waarde, valleigebied, brongebied, enz. Zie ook recenter het Besluit van de Vlaamse regering van 16 maart 1999 (tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 december 1971 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn ofwel van de bemoeiing van de architect, ofwel van de bouwvergunning, ofwel van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar), B.S. 28 mei 1999.
(20)Uit art. 2, sub 4.3 blijkt dat "groengebieden" slaat op hetzij "natuurgebieden", hetzij "natuurgebieden met wetenschappelijke waarde of natuurreservaten".
(21)Zie 'Bijlage 3. Aanvullende stedenbouwkundige voorschriften', p. 89 en 95; vgl. p. 62 en 112-113.
(22)Zie 'Bijlage 3. Aanvullende stedenbouwkundige voorschriften', p. 39 (valleigebieden), 51 (valleigebieden), 58 (vallei- of brongebieden), 62 (valleigebieden), 57 (valleigebieden).
(23)Zie 'Bijlage 3. Aanvullende stedenbouwkundige voorschriften', p. 34, 36, 42, 46, 57-58, 74, 78, 80 (m.b.t. een gewestplan uit 1978 dat wel die benaming hanteert maar niet de algemene definitie van zo een gebied vermeldt, in tegenstelling tot het gewestplan eveneens uit 1978 vermeld op p. 57-58), 84, 86, 93, 98, 99, 100, 104-105, 113.
(24)Zie 'Bijlage 3. Aanvullende stedenbouwkundige voorschriften', p. 78.
(25)Decreet van 19 juli 2002 houdende wijziging van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, van het bosdecreet van 13 juni 1990, van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van het de Vlaamse Landmaatschappij, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet zoals aangevuld door de wet van 11 augustus 1978 houdende bijzondere bepalingen eigen aan het Vlaamse Gewest, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, B.S. 31 augustus 2002.
(26)Parl. St. Vl. Parl., 2001-02, nr. 967/1, p. 16. Zie de discussie i.v.m. art. 95.
(27)Parl. St. Vl. Parl, 2001-02, nr. 967/1, p. 19.
(28)Zie 'Bijlage 3. Aanvullende stedenbouwkundige voorschriften', p. 38: "in deze zone voor gemeenschapsen openbare nutsvoorzieningen worden naast de aanwezige antennes geen nieuwe constructies toegelaten. Ten allen tijde wordt rekening gehouden met de instandhouding, herstel en ontwikkeling van natuurelementen. Bij het stopzetten van de activiteit of het uit gebruik nemen van de antennes moeten voorwaarden voor de sanering van de plaats worden opgelegd opdat de bestemming natuurgebied kan worden gerealiseerd".
(29)Zie 'Bijlage 3. Aanvullende stedenbouwkundige voorschriften', p. 47.
(30)Zie 'Bijlage 3. Aanvullende stedenbouwkundige voorschriften', p. 74.
(31)Zie 'Bijlage 3. Aanvullende stedenbouwkundige voorschriften', p. 89.
(32)Zie 'Bijlage 3. Aanvullende stedenbouwkundige voorschriften', p. 90.
(33)Zie 'Bijlage 3. Aanvullende stedenbouwkundige voorschriften', p. 94: de "efficiënte exploitatie of gerechtvaardigde uitbreiding van de bestaande paardenfokkerij" is toegelaten; na de stopzetting van de paardenfokkerij verkrijgt het gebied de bestemming natuurgebied.
(34)Zie 'Bijlage 3. Aanvullende stedenbouwkundige voorschriften', p. 95.
(35)Zie 'Bijlage 3. Aanvullende stedenbouwkundige voorschriften', p. 96.
(36)Zie supra sub 3. Het gaat hier meer bepaald om de schrapping van de uitdrukking 'agrarisch gebied met bijzondere waarde' in artikel 145bis DORO.
(37)Parl. St. Vl. Parl. 2004-05, nr. é/1, p. 6
(38)Parl. St. Vl. Parl. 2004-05, nr. é/1, p. 47
(39)Vergelijk met het arrest van het Arbitragehof nr. 14/2005 van 19januari 2005. Tekst van de beslissing Nr. P.05.0970.N S A W M W, eiser, beklaagde, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 1 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van het middel in zijn geheel Overwegende dat overeenkomstig artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999, voor de toepassing van het derde lid van deze bepaling, onder de ruimtelijk kwetsbare gebieden worden verstaan de groengebieden, natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarde, natuurreservaten, natuurontwikkelingsgebieden, parkgebieden, bosgebieden, valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologische waarde of belang, agrarische gebieden met bijzondere waarde, grote eenheden natuur, grote eenheden natuur in ontwikkeling en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen in ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg, alsook de beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, aangewezen krachtens het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen; Dat deze opsomming verwijst, de beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden daargelaten, hetzij naar bestemmingsgebieden overeenkomstig de nomenclatuur van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, hetzij naar bestemmingsopschriften voor gebieden waarvan de bestemming wordt geregeld door aanvullende stedenbouwkundige voorschriften, hetzij naar gebieden die worden aangeduid met toepassing van de artikelen 17 en volgende Natuurbehoudsdecreet, hetzij naar "ermee vergelijkbare gebieden", dit zijn gebieden waarvan het bestemmingsopschrift niet overeenstemt met één van de in de opsomming uitdrukkelijk vermelde gebieden maar die op grond van de bestemmingsvoorschriften met één van de uitdrukkelijk vermelde gebieden moeten worden gelijkgesteld; Overwegende dat eiser werd vervolgd voor de instandhouding van een constructie dienstig als paardenstal en bergplaats op een perceel dat volgens de vaststellingen van de appelrechters gelegen is in een ontginningsgebied met na-bestemming natuurgebied; Overwegende dat de in artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999, uitdrukkelijk opgesomde bestemmingsgebieden ieder op zijn wijze het onmiddellijke behoud van natuurwaarden beogen; dat de bestemming "ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied", tot aan de stopzetting van de ontginning, met een zodanig behoud onverenigbaar is; Dat dit alleen anders is wanneer, krachtens artikel 20 Natuurbehoudsdecreet, een ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied door de Vlaamse Regering wordt aangeduid als grote eenheid natuur in ontwikkeling; Dat immers krachtens artikel 20, 2°, eerste streepje, Natuurbehoudsdecreet, "ontginningsgebieden en ermee vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening voor zover zij één van de in 1° genoemde bestemmingen als nabestemming hebben" -waaronder de bestemming natuurgebied-, als grote eenheden natuur in ontwikkeling kunnen worden aangeduid; Dat ook uit de vergelijking van deze bepaling met de opsomming in artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999 volgt dat ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied niet als zodanig maar alleen na aanduiding als grote eenheid natuur in ontwikkeling tot het ruimtelijk kwetsbare gebied behoort; Dat derhalve voor de toepassing van artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, een ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied noch een natuurgebied, noch een met natuurgebied vergelijkbaar gebied uitmaakt; Dat de beslissing van de appelrechters dat het instandhoudingsmisdrijf werd gepleegd in een ruimtelijk kwetsbaar gebied, niet naar recht is verantwoord; Dat het middel gegrond is; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest; Laat de kosten ten laste van de Staat; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Gezegde kosten begroot op de som van honderd eenendertig euro vierentwintig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en uitgesproken in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051220.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div