← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051222.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051222.10 Rolnummer: C.04.0434.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-04-05 Raadplegingen: 580 - laatst gezien 2026-07-04 05:47 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Bij de uitoefening van hun bevoegdheid te waken over de bijscholing van de advocaten hebben de Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone, elk voor de balies die er deel van uitmaken, een zekere mate van vrijheid bij de beoordeling van de vorm van de opleiding; de appreciatie van wat nuttig is en passend wordt door het Hof getoetst op zijn redelijkheid. Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: ADVOCAAT Orde van Vlaamse balies Ordre des barreaux francophones et germanophone Taak Bijscholing van advocaten Vorm van de opleiding Bevoegdheid van het Hof van Cassatie Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.495,501e Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Vrije woorden: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Reglement van een orde van balies Vordering tot nietigverklaring Toetsing Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.495,501e Fiches 3 - 4 De advocaten, leden van de balies aangesloten bij de Orde van Vlaamse balies, zijn ondernemingen in de zin van art. 2, Mededingingswet, en het reglement vastgesteld door de Orde van Vlaamse balies dient te worden aangemerkt als een besluit van een ondernemingsvereniging

(1).
(1)Zie Cass., 25 sept. 2003, AR C.03.0139.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030925.6, nr 456, met concl. O.M.; Y. Montangie, "Het reglement van de Orde van Vlaamse balies inzake beroepsmatige samenwerking met niet-advocaten: een mededingingsrechtelijke brug te ver", R.W. 2003-2004, 961, nr 7-17. Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: ADVOCAAT Beroepsuitoefening Balie Orde van Vlaamse balies Onderneming Besluit van een ondernemingsvereniging Wettelijke bepalingen: Wet - 01-07-1999 - Art.2 Thesaurus CAS: HUUR VAN DIENSTEN Vrije woorden: HUUR VAN DIENSTEN Aanbieden van diensten Advocaat Mededingingsrecht Onderneming Besluit van een ondernemingsvereniging Wettelijke bepalingen: Wet - 01-07-1999 - Art.2 Fiches 5 - 6 Art. 2, ,§ 1, Mededingingswet wordt niet geschonden doordat beoefenaars van vrije beroepen zoals advocaten of de orde van hun balies door middel van zelfregulering bepaalde beroepsregels vastleggen indien deze regels evenredig blijven met het nagestreefde en door de openbare overheid opgelegde doel
(1).
(1)Zie H.v.J., 19 feb. 2002, C-309/99, Wouters, Jur. 2002, I-
  1. Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: ADVOCAAT Beroepsregels Beperking van de mededinging Thesaurus CAS: HUUR VAN DIENSTEN Vrije woorden: HUUR VAN DIENSTEN Aanbieden van diensten Beoefenaar van een vrij beroep Mededingingsrecht Beperking van de mededinging Tekst van de beslissing Nr. C.04.0434.N V.J., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, en ten aanzien van ORDE VAN VLAAMSE BALIES, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148, vertegenwoordigd door haar Raad van Bestuur door toedoen van haar voorzitter, vrijwillig tussenkomende partij, vertegenwoordigd door Mr. Paul van Rillaer, advocaat bij de balie te Mechelen, kantoor houdende te 2820 Bonheiden, Putsesteenweg 8, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Vordering De vordering strekt tot nietigverklaring van het Reglement inzake permanente vorming van de Orde van Vlaamse Balies aangenomen op 2 juni 2004 ; De vordering luidt als volgt : "Artikel 2 van het bestreden reglement bepaalt dat ieder advocaat de deontologische plicht heeft zich permanent te vormen. Wat permanente vorming is, wordt op algemene wijze gedefinieerd in artikel 1 van het bestreden reglement. Artikel 2 bepaalt de omvang van de permanente vorming die iedere advocaat per gerechtelijk jaar dient te realiseren aan de hand van het behalen van punten. Artikel 3 van het bestreden reglement somt op limitatieve wijze op welke activiteiten als permanente vorming in aanmerking komen. Krachtens dat artikel 3 wordt het volgen van een lesuur of doceren van een cursus slechts als permanente vorming beschouwd indien het of hij erkend werd. Wie een cursus kan erkennen en op welke wijze een erkenning kan worden verkregen, wordt respectievelijk geregeld in artikel 4 en artikel 5 van het bestreden reglement. Artikel 6 van het bestreden reglement legt aan de advocaat de verplichting op jaarlijks bij de stafhouder van zijn balie verslag uit te brengen over het door hem gevolgde programma. Aldus wordt, via de tuchtrechtelijke bevoegdheden van de stafhouder, afgedwongen dat de advocaten van de Orde van Vlaamse Balies zich bijscholen overeenkomstig de in het bestreden reglement vastgelegde regels inzake permanente vorming. De vordering van eiser tot nietigverklaring van alle bepalingen van het bestreden reglement is gesteund op de volgende twee middelen". II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Feiten Op de algemene vergadering van 2 juni 2004 heeft de Orde van Vlaamse Balies het volgende reglement goedgekeurd "inzake Permanente Vorming". De tekst luidt als volgt : Artikel
  2. Permanente vorming betekent dat de advocaat zich op regelmatige basis bekwaamt en bijschoolt in juridische of praktijkondersteunende materies, door het volgen van erkende cursussen, of het doceren of het houden van voordrachten, of het publiceren, in de zin van dit reglement. Artikel
  3. Het is een deontologische plicht voor ieder advocaat zich permanent te vormen. Het volgen van permanente vorming levert punten op. Elke advocaat dient per gerechtelijk jaar minstens 16 punten te behalen. Voor de stagiairs gelden de BUBA - lessen als permanente vorming voor de eerste 3 jaar van hun stage. Indien de eerste 3 jaar aflopen in de loop van het gerechtelijk jaar of een advocaat in de loop van het gerechtelijk jaar heringeschreven wordt, wordt het minimum aantal te bekomen punten pro rata bepaald. Artikel
  4. 3.
  5. Het volgen van een erkend lesuur levert één punt op. 3.
  6. Het doceren aan een universiteit of een instelling van het hoger onderwijs ; van een erkende cursus of een cursus gegeven in het kader van de opleiding van de advocaatstagiairs ; levert twee punten per uur op met een maximum van tien punten. 3.
  7. Het geven van een juridische lezing op academisch niveau levert twee punten per lesuur op. 3.
  8. Het schrijven van een juridisch artikel, gepubliceerd in de rechtsliteratuur of een daaraan gelijkwaardige publicatie, levert tot 1.000 woorden één punt op en vervolgens één punt 1.000 bijkomende woorden. 3.5 Een cursus die werd erkend hetzij door de "Ordre des barreaux francophones et germanophone", hetzij door een buitenlandse balie die lid is van de Raad van de Balies van de Europese Unie (CCBE), kan worden erkend. Een advocaat die dergelijke cursus wenst te volgen of gevolgd heeft, kan om een erkenning verzoeken. Na advies van de erkenningcommissie kan de Orde van Vlaamse Balies met andere balies of organisaties akkoorden tot erkenning van cursussen sluiten. 3.6 Het volgen van een regulier, decretaal erkend curriculum aan een in België gevestigde rechtsfaculteit en dat leidt tot het behalen van een bijkomend diploma levert 32 punten op. 3.7 Het volgen van de cursus 'beroepsopleiding cassatieprocedure', georganiseerd door de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie, levert per jaar 32 punten op. 3.8 Een cursus georganiseerd door een advocatenkantoor kan enkel worden erkend indien hij ook gratis toegankelijk is voor advocaten die niet tot het kantoor behoren. Het kantoor dat de cursus organiseert, is verplicht het dossierrecht zoals vermeld in artikel 5.3 aan de Orde van Vlaamse Balies te betalen. 3.9 Een overschot van punten, met een maximum van 16 punten, kan enkel worden overgedragen naar het daaropvolgend gerechtelijk jaar. 3.10 De advocaat stelt vrij zijn jaarlijks vormings- en bijscholingsprogramma samen, met dien verstande dat het voor minstens de helft van de punten betrekking heeft op juridische materies. Artikel
  9. 4.
  10. De Orde van Vlaamse Balies richt een erkenningcommissie op. Artikel
  11. 5.1 De erkenningcommissie oordeelt welke activiteiten, bedoeld in artikel 1 van dit reglement, worden erkend. 5.2 Zowel de cursusaanbieder als de individuele advocaat kunnen een aanvraag tot erkenning richten tot de erkenningcommissie. 5.3 Een aanvraag tot erkenning door de cursusaanbieder is slechts ontvankelijk indien hij aan de Orde van Vlaamse Balies een vergoeding heeft vereffend gelijk aan éénmaal het volledige inschrijvingsrecht per potentiële deelnemer, met een minimum van 100 euro en met een maximum van 625 euro. Deze bepaling geldt niet voor cursussen die door de balies, samenwerkingsverbanden tussen balies, of door de conferenties volledig zelfstandig worden georganiseerd. 5.4 Bij de aanvraag tot erkenning van een cursus dient de aanvrager een dossier in met de verbintenis tot afgifte van aanwezigheidsattesten na controle van de aanwezigheid en met minstens vermelding van de volgende gegevens : datum en plaats van de cursus ;
  12. onderwerp van de cursus, desgevallend met titels van de verschillende lezingen ;
  13. aantal uren waarvoor de erkenning wordt gevraagd ;
  14. identiteit van de spreker ;
  15. doelgroep ;
  16. deelnameprijs ;
  17. melding van het al dan niet voorhanden zijn van een syllabus ten behoeve van de deelnemers ;
  18. de wijze waarop aan het cursusaanbod publiciteit wordt gegeven. 5.5 Bij de beslissing tot erkenning en bij de toekenning van de punten houdt de erkenningcommissie rekening met de kwaliteit van de cursus en de toegankelijkheid ervan. De erkenningcommissie kan te allen tijde de kwaliteit van de aangeboden cursus ter plaatse controleren. 5.6 De erkenningcommissie neemt een beslissing binnen de maand na de aanvraag. De erkenningcommissie motiveert elke afwijzing van een vraag tot erkenning. 5.7 De cursusaanbieder mag melding maken van de erkenning van de toegekende punten. Het erkende cursusaanbod wordt opgenomen op de website van de Orde van Vlaamse Balies. Artikel
  19. 6.1 De advocaat dient jaarlijks, uiterlijk op 30 september volgend op het opleidingsjaar, schriftelijk aan de stafhouder van zijn balie verslag uit te brengen over het door hem gevolgde programma, met toevoeging van de overtuigingsstukken. 6.2 De stafhouder deelt de verwerkte gegevens van zijn balie mee aan de Orde van Vlaamse Balies uiterlijk op 31 maart. IV. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
  20. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 495 en 496 van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; artikel 7 van het decreet van 2-17 maart 1791 tot afschaffing van het gildenwezen. Grieven
  21. Artikel 495, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de Orde van Vlaamse Balies (onder meer) bevoegd is voor de vorming van alle advocaten behorende tot de balies die er deel van uitmaken. Overeenkomstig het tweede lid van artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek neemt de Orde van Vlaamse Balies initiatieven en maatregelen die nuttig zijn voor de opleiding en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende. Artikel 496, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek voegt daaraan toe dat met betrekking tot de bevoegdheden in artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, de Orde van Vlaamse Balies passende reglementen vaststelt. Uit die bepalingen volgt dat, indien de Orde van Vlaamse Balies een reglement inzake de vorming van advocaten vaststelt, dat reglement twee fundamentele eigenschappen moet bezitten : - het moet nuttig zijn voor de opleiding van de advocaten en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende ; - het moet passend zijn.
  22. Het bestreden reglement vertoont geen van die twee eigenschappen en is dan ook vastgesteld in strijd met de artikelen 495 en 496 van het Gerechtelijk Wetboek en de omschrijving van de bevoegdheden welke die bepalingen aan de Orde van Vlaamse Balies toekennen. Opdat het bestreden reglement als nuttig voor de opleiding van de advocaten en de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtszoekende gekwalificeerd zou kunnen worden, moet het voor die doelstellingen een positieve bijdrage leveren, moet het met andere woorden (de kwaliteit van) de bijscholing en de dienstverlening aan cliënten bevorderen. Het bestreden reglement heeft geen van de genoemde effecten, minstens niet voldoende van die effecten om het vaststellen van het reglement wettig te verantwoorden. 2.
  23. Eiser is van mening dat het bestreden reglement door elke advocaat te verplichten bepaalde cursussen te volgen en slechts het volgen of geven van erkende cursussen te aanvaarden als vervulling van de deontologische plicht tot bijscholing, een verplichte consumptie van diensten creëert. Het is evident dat de aanbieders van diensten waarvan de afname gegarandeerd is doordat de consument verplicht wordt ze af te nemen, geen stimulans hebben om te investeren in de kwaliteit ervan. Het bestreden reglement dreigt dan ook het marktmechanisme zodanig te ontwrichten dat de kwaliteit van de aangeboden cursussen zal dalen. Het bestreden reglement is derhalve niet nuttig voor de opleiding van advocaten en hun dienstverlening ten aanzien van cliënten, maar dreigt precies het tegengestelde effect te hebben. 2.
  24. Zonder het bestreden reglement beschikt een advocaat over de vrijheid om te bepalen op welke wijze hij zijn plicht tot bijscholing concretiseert. Die concretisering kan tal van vormen aannemen, zoals het investeren in een bibliotheek, zelfstudie, ... Door slechts bepaalde vormen van bijscholing als vervulling van de deontologische plicht tot bijscholing in aanmerking te nemen, worden efficiëntere vormen van bijscholing geëlimineerd. Het verplicht volgen van erkende cursussen sluit het volgen van opleidingen uit die nuttig kunnen zijn en een bepaalde advocaat veel meer kunnen bijbrengen dan de erkende. Het bestreden reglement resulteert met andere woorden ook op die manier in een verslechtering van de kwaliteit van de bijscholing van de advocaten en schaadt ook aldus de belangen van zowel advocaten als hun cliënten. Het ontneemt immers de advocaat de mogelijkheid vrij te bepalen op welke wijze hij zijn deontologische plicht tot bijscholing vervult. Die vrijheid is nochtans essentieel omdat zij iedere advocaat in staat stelt de wijze en vormen van bijscholing te kiezen die het best op zijn maat gesneden zijn en voor hem het beste resultaat opleveren. Door de advocaat in zijn vrijheid tot invulling van zijn plicht tot bijscholing te beperken en slechts bepaalde vormen van bijscholing te aanvaarden als vervulling van die plicht, ondergraaft het bestreden reglement de kwaliteit en kan het bijgevolg niet als nuttig en passend voor de opleiding en de behartiging van de belangen van advocaten en hun cliënten worden beschouwd.
  25. De door het bestreden reglement gecreëerde beperking van de vrijheid van de advocaat is bovendien in strijd met artikel 7 van het decreet van 2-17 maart 1791 tot afschaffing van het gildenwezen. Dat artikel bepaalt dat het eenieder vrijstaat naar goeddunken elk beroep uit te oefenen. Bijgevolg dient ieder advocaat vrij te zijn in de wijze waarop hij zijn plicht tot bijscholing naleeft. Door de naleving van de deontologische plicht te beperken tot de vraag of een aantal punten werd verzameld, sluit het bestreden reglement de vrije beroepsuitoefening uit. Andere vormen van naleving van die plicht worden immers niet gehonoreerd en dreigen dan ook te verdwijnen. Het aan banden leggen van de vrije beroepsuitoefening beïnvloedt met andere woorden andermaal op negatieve wijze de kwaliteit van de bijscholing en dus ook van de dienstverlening door advocaten. Vooral advocaten die alternatieve vormen van bijscholing hebben of weinig middelen hebben om bovenop de door hemzelf gekozen efficiënte investeringen in vorming ook nog eens de erkende cursussen te volgen, worden daardoor ernstig benadeeld. Conclusie Het bestreden reglement is in strijd met de artikelen 495 en 496 van het Gerechtelijk Wetboek, evenals met artikel 7 van het decreet van 2-17 maart 1791 tot afschaffing van het gildenwezen en dient dan ook in zijn geheel vernietigd te worden.
  26. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 2 van de gecoördineerde wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de mededinging. Grieven
  27. Krachtens artikel 2 van de gecoördineerde wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de mededinging (hieronder afgekort als Mededingingswet) zijn verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging op de betrokken Belgische markt of een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Als onderneming in de zin van artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet wordt iedere entiteit begrepen die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm ervan en de wijze waarop ze wordt gefinancierd. Maakt onder andere een economische activiteit uit, het aanbieden van diensten op een bepaalde markt.
  28. Advocaten die lid zijn van een van de balies aangesloten bij de Orde van Vlaamse Balies, bieden op het vlak van rechtshulp tegen beloning diensten aan. Die diensten bestaan onder meer in het geven van adviezen, het redigeren van contracten en andere akten en de vertegenwoordiging van hun cliënten in rechte. De advocaten dragen zelf de risico's die met die dienstverlening gepaard gaan. Advocaten die lid zijn van een van de balies aangesloten bij de Orde van Vlaamse Balies zijn dan ook ondernemingen in de zin van artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet en de Orde van Vlaamse Balies is een vereniging van die ondernemingen en dus een ondernemingsvereniging in de zin van artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet. Het door de Orde van Vlaamse Balies aangenomen bestreden reglement heeft geen betrekking op een kerntaak van de overheid, maar strekt er enkel toe de interne organisatie en de verplichtingen van het beroep te regelen op de wijze die de Orde van Vlaamse Balies het meest doeltreffend beschouwt voor de gemeenschappelijke beroepsbelangen van haar leden. Bijgevolg komen de in het bestreden reglement opgenomen regels volledig voor rekening van de Orde van Vlaamse Balies en betreffen zijn niet de fundamentele regels van het beroep. Ten aanzien van het bestreden reglement treedt de Orde van Vlaamse Balies dan ook niet op als een overheid, maar ten volle als een ondernemingsvereniging in de zin van artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet. Het bestreden reglement is dus een besluit van een ondernemingsvereniging in de zin van artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet.
  29. De hierboven nader omschreven diensten die door advocaten aangeboden worden, vormen onmiskenbaar een markt. Naar die dienstverlening bestaat immers een constante behoefte en vraag. Zij is, zeker wat de vertegenwoordiging in rechte betreft, bovendien niet vervangbaar door andere diensten en kan slechts in zeer beperkte mate uitgeoefend worden door andere beroepsgroepen. Het bestreden reglement geldt, overeenkomstig de artikelen 488 en 498 van het Gerechtelijk Wetboek, voor alle advocaten die ressorteren onder de Orde van Advocaten te Antwerpen, Brugge, Dendermonde, Gent, Hasselt, Ieper, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oudenaarde, Tongeren, Turnhout, Veurne of de Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel. Het beïnvloedt aldus in de eerste plaats de mededinging tussen de advocaten van de genoemde balies. Het bestreden reglement verhindert en beperkt de mededinging dan ook minstens op een wezenlijk deel van de Belgische markt van dienstverlening door advocaten, met name voor dat deel van de markt waar de dienstverlening, zeker wat de vertegenwoordiging in rechte betreft, in hoofdzaak in het Nederlands wordt verleend.
  30. Het bestreden reglement heeft tot gevolg dat de mededinging op (een wezenlijk deel van) de Belgische markt van de dienstverlening door advocaten verhinderd, beperkt en vervalst wordt. Alle advocaten, leden van de balies aangesloten bij de Orde van Vlaamse Balies, worden in hun mededinging inderdaad gehinderd en beperkt door het bestreden reglement. Krachtens de artikelen 1 en 2 van het bestreden reglement wordt de advocaat immers slechts geacht zijn deontologische plicht tot bijscholing en vorming te hebben vervuld, indien hij één van de in artikel 3 van het bestreden reglement vastgelegde vormen van permanente vorming, in de omvang vastgelegd in artikel 2 van het bestreden reglement, heeft gerealiseerd. De door artikel 6 van het bestreden reglement opgelegde rapporteringplicht leidt ertoe dat de advocaat die de door het bestreden reglement omschreven permanente vorming niet realiseert, zich blootstelt aan tuchtrechterlijke vervolging en sancties. De advocaat heeft met ander woorden geen keuzemogelijkheid meer en wordt door het bestreden reglement er in ieder geval toe verplicht een bepaalde in het bestreden reglement vastgelegde vorm van bijscholing te volgen. Andere, niet in het bestreden reglement opgenomen vormen van bijscholing, zoals zelfstudie of het investeren in een bibliotheek, worden daardoor de facto uitgesloten, aangezien volgens het bestreden reglement op geen enkel wijze in rekening kunnen worden gebracht als vervulling van de deontologische plicht tot vorming. Vooral voor individueel en in kleinere kantoren werkende advocaten worden die alternatieven des te meer uitgesloten doordat de verplichte vormen van permanente vorming alle tijd en financiële middelen inpalmen die zij daarvoor kunnen aanwenden. De advocaten beschikken aldus niet langer over de nodige vrijheid om te bepalen op welke wijze zij hun plicht tot bijscholing vervullen, zoals die voortvloeit uit de op hen toepasselijke deontologie en uit de gemeenrechtelijke regelen betreffende de beroepsaansprakelijkheid. Daardoor kunnen zij niet meer de voor hen meest efficiënte weg kiezen om een doelmatige bijscholing en vorming te realiseren en aldus de kwaliteit van hun dienstverlening te optimaliseren. Bijgevolg ontneemt het bestreden reglement de advocaten die onder de toepassing van het reglement vallen ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de andere in België actieve advocaten een belangrijk mededingingsinstrument. Het reglement beperkt de technische ontwikkeling, in ruime zin opgevat, en de investeringsvrijheid van de advocaten en dient aldus als een verboden restrictieve mededingingspraktijk in de zin van artikel 2, b), van de Mededingingswet beschouwd te worden. Door de advocaten te verplichten één of meer van de in het bestreden reglement limitatief opgesomde wijzen van permanente vorming te volgen die voor hen niet noodzakelijk de meest doeltreffende zijn om een kwalitatieve bijscholing te garanderen, leidt het bestreden reglement er eveneens toe dat de advocaten, willen zij toch nog hetzelfde rendement halen, bijkomende kosten en investeringen moeten dragen. Dat heeft uiteraard een weerslag op de kostprijs van de diensten die zij aanbieden. Die prijs zal, door de grotere investeringslast, stijgen, zonder dat, gelet op het gebrek aan efficiëntie van het door het bestreden reglement opgelegde systeem van permanente vorming, daartegenover een hogere kwaliteit kan worden geplaatst. Dat gevolg treft vooral de individueel opererende advocaten en de kleinere advocatenkantoren, aangezien zij een geringere financiële marge hebben. Het zijn precies zij die veel vaker voor minder bemiddelde cliënten optreden, uitgerekend de groep cliënten die zeer gevoelig is voor een stijging van de prijs van de dienstverlening door de advocaat. Opnieuw moet met andere woorden vastgesteld worden dat de mededinging op de markt van de dienstverlening door advocaten, met name door de weerslag op de prijzen van die diensten, op de merkbare wijze wordt verhinderd en beperkt. Uit wat voorafgaat, volgt dat het bestreden reglement een besluit van een ondernemingsvereniging uitmaakt die de mededinging op de markt van de dienstverlening door advocaten op merkbare wijze verhindert en beperkt. Aldus is het bestreden reglement een verboden restrictieve mededingingspraktijk in de zin van artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet en is het overeenkomstig artikel 2, ,§2, van de Mededingingswet van rechtswege nietig.
  31. Uit het voorgaande volgt evenzeer dat het bestreden reglement onder geen van de omstandigheden bedoeld in artikel 2, ,§3, van de Mededingingswet kan begrepen worden en bijgevolg niet buiten het verbod valt. Krachtens artikel 2, ,§3, van de Mededingingswet kan een overeenkomstig artikel 2, ,§1, van diezelfde wet verboden besluit van een ondernemingsvereniging slechts buiten de toepassing van dat verbod vallen indien het bijdraagt tot verbetering van de productie of van de verdeling of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang of de kleine en middelgrote ondernemingen de mogelijkheid biedt om hun concurrentiepositie op de betrokken markt of op de internationale markt te verstevigen, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt. Het bestreden reglement heeft geen enkel van de opgesomde positieve effecten. Zoals hierboven werd aangetoond, is het bestreden reglement inefficiënt om een kwaliteitsvolle bijscholing te garanderen en leidt het tot een verhoging van de kost- en afnameprijs van de dienstverlening door advocaten. Het kan dan ook onmogelijk een bijdrage leveren tot het verbeteren van de productie of verdeling van door advocaten aangeboden diensten, noch stimuleert het de technische en economische vooruitgang. Het bestreden reglement zal vooral een grote weerslag hebben op de concurrentiepositie van de advocaten die alleen of in kleine samenwerkingsverbanden werkzaam zijn. Zij beschikken immers wat de te investeren tijd en financiële middelen betreft over een geringere flexibiliteit dan de grotere kantoren, samenwerkingsverbanden en ondernemingen. Aldus verstevigt het bestreden reglement de concurrentiepositie van de kleinere ondernemingen niet, integendeel, het leidt tot een verzwakking ervan. Ten slotte zij nog benadrukt dat die verhindering en beperking van de mededinging door het bestreden reglement voor de gebruikers geen enkel voordeel meebrengt. Zoals hierboven uiteengezet, kan en moet de advocaat immers niet meer die vorm van bijscholing kiezen die voor hem, gelet op zijn praktijk en de materies waarin hij werkzaam is, het meest aangewezen is om de kwaliteit van zijn dienstverlening te verbeteren. De opgelegde permanente vorming geeft aan de verbruiker dus niet de minste garantie dat de aangezochte advocaat zich op doeltreffende wijze bijschoolde en aldus de blijvende bekwaamheid heeft zijn dienstverlening naar behoren uit te oefenen. Anderzijds leidt het bestreden reglement ertoe, zeker wanneer de betrokken advocaat de kwaliteit van zijn bijscholing wenst te behouden, dat de investeringskost van de advocaat, en dus ook de prijs voor zijn dienstverlening, stijgt. Aldus zal de verbruiker geconfronteerd worden met stijgende prijzen, andermaal een negatief gevolg van het bestreden reglement voor de verbruikers. Er moet besloten worden dat het bestreden reglement op geen enkele wijze buiten het toepassingsgebied van het verbod van artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet valt.
  32. Andere dan de in artikel 2, ,§3, van de Mededingingswet opgesomde redenen kunnen niet worden ingeroepen om het bestreden reglement te verantwoorden en het verbod van artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet buiten toepassing te verklaren. Dat zou indruisen tegen de normatieve structuur van artikel 2 van de Mededingingswet. Dat artikel bepaalt immers zelf welke gevallen bij uitzondering niet onder het verbod van artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet vallen. Dat gebeurt enkel en alleen in artikel 2, ,§3, van de Mededingingswet, zonder dat ,§1 van datzelfde artikel al kan geacht worden een beperking in te houden op het verbod dat die paragraaf zelf oplegt. Bijgevolg valt een restrictieve mededingingspraktijk die in strijd is met artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet, slechts buiten het in die bepaling geformuleerde verbod indien het vervuld zijn van de voorwaarden van artikel 2, ,§3, van de Mededingingswet wordt bewezen. Zoals hierboven aangetoond, is dat niet het geval voor het bestreden reglement, zodat iedere mogelijkheid om alsnog het bestreden reglement buiten het toepassingsgebied van het verbod te situeren, uitgesloten is. Het loutere feit dat de Orde van Vlaamse Balies de bevoegdheid heeft regelen uit te vaardigen waaraan de beroepsuitoefening door advocaten is onderworpen, kan in geen geval ertoe leiden dat het bestreden reglement niet meer onder het verbod van artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet valt. Slechts wanneer de regelen uitgevaardigd in uitoefening van die bevoegdheid noodzakelijk zijn om een behoorlijke beroepsuitoefening te garanderen en een mededingingsbeperking inherent is aan de door die regelen beoogde doelstellingen, vallen zijn niet onder het verbod. Het bestreden reglement voldoet evenwel niet aan die voorwaarden. In de eerste plaats is het bestreden reglement niet noodzakelijk voor de goede uitoefening van het beroep van advocaat. De plicht voor advocaten om zich op permanente wijze bij te scholen en aldus hun kennis te verdiepen en te actualiseren bestaat immers al, ongeacht een reglement dat permanente vorming oplegt, aangezien ze voortvloeit uit het gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsrecht. Dat laatste bestraft de advocaat die zich niet naar behoren bijschoolt en aldus een gebrekkige dienstverlening aanbiedt. Het bestreden reglement is dan ook niet noodzakelijk om die doelstelling te realiseren. Het bestreden reglement is niet alleen niet noodzakelijk, het sorteert, zoals hierboven werd aangetoond, negatieve gevolgen en kan de doelstellingen van een kwalitatieve bijscholing en een betere dienstverlening niet bevorderen, laat staan realiseren. Bovendien is het niet inherent aan de betrokken doelstelling dat ze een beperking op de mededinging inhoudt. De doelstelling wordt immers ook gediend door regelen die in geen geval een beperking van de mededinging tot gevolg hebben. Opnieuw kan hierbij melding gemaakt worden van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsregelen. Zij leiden ertoe dat ieder advocaat ertoe gehouden is zich op efficiënte wijze bij te scholen, maar leggen aan advocaten geen beperkingen op hoe dat dient te gebeuren. Aldus behoudt de advocaat de keuzevrijheid om de voor hem meest doeltreffende manier te kiezen en wordt zijn concurrentiepositie niet aangetast door beperkende verplichtingen. Aangezien een beperking van de mededinging aldus niet inherent is aan de doelstelling op constante en kwaliteitsvolle wijze te laten bijscholen en het bestreden reglement in geen geval nuttig en noodzakelijk is om die doelstelling te bereiken, valt het bestreden reglement onverminderd binnen het toepassingsgebied van het in artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet vastgelegde verbod. Conclusie Het bestreden reglement maakt een in artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet bedoeld en verboden besluit van een ondernemingsvereniging uit, is van rechtswege nietig overeenkomstig artikel 2, ,§2, van de Mededingingswet en dient ook nietig verklaard te worden. V. Beslissing van het Hof
  33. Verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst Overwegende dat, overeenkomstig artikel 501, ,§3, van het Gerechtelijk Wetboek, de Orde van Vlaamse Balies een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst kan indienen waarin zij nieuwe middelen kan aanvoeren gegrond op een bevoegdheidsoverschrijding, de strijdigheid met de wetten of de onregelmatige aanneming van het bestreden reglement ; Dat de bijstand van een advocaat bij het Hof niet verplicht is voor de balie die op grond van artikel 501, ,§3, zou tussenkomen in het geding ; Dat waar de tussenkomst van een advocaat bij het Hof niet verplicht is gesteld door een uitdrukkelijke bepaling, het Hof de bijstand niet oplegt in civiele zaken andere dan cassatieberoepen ; Dat het verzoek ontvankelijk is ;
  34. Ten gronde 2.
  35. Eerste middel Overwegende dat, overeenkomstig artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophone et germanophone, elk voor de balies die er deel van uitmaken, de taak hebben te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van hun leden ; dat zij bevoegd zijn voor de juridische bijstand, de stage, de beroepsopleiding van de advocatenstagiairs en de vorming van alle advocaten behorende tot de balies die er deel van uitmaken ; dat zij initiatieven en maatregelen nemen die nuttig zijn voor de opleiding, de tuchtrechtelijke regels en de loyauteit in het beroep en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende ; Dat, overeenkomstig artikel 496 van hetzelfde wetboek, de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophone et germanophone met betrekking tot de bevoegdheden bepaald in artikel 495, passende reglementen vaststellen ; Overwegende dat overeenkomstig artikel 501, ,§1, en artikel 611 van het Gerechtelijk Wetboek, het Hof op vordering van de belanghebbende de nietigverklaring van reglementen kan vorderen die door overschrijding van bevoegdheid zijn aangetast, tegen de wetten indruisen of op onregelmatige wijze zijn aangenomen ; Overwegende dat het tot de bevoegdheid behoort van de Orde erover te waken dat de advocaten worden bijgeschoold ; dat de Orden hierbij een zekere mate van vrijheid hebben bij de beoordeling van de vorm van opleiding ; dat de appreciatie van wat nuttig is en passend voor het te bereiken doel door het Hof mag worden getoetst op zijn redelijkheid ; Overwegende dat het niet onredelijk is de cursussen te selecteren die de advocaten moeten volgen en daarover geen of een beperkte keuzevrijheid te laten aan de advocaat ; dat de Orde op die wijze de opleiding kan sturen ; Dat verzoeker geen precieze kritiek uitoefent tegen de toegepaste selectie of selectiemethode maar alleen zeer algemeen kritiek uitoefent op het feit dat de Orde de wijze bepaalt van opleiding ; Dat die principiële keuze door de Orde geen van de gronden van nietigheid oplevert ; Overwegende dat het door eiser in het middel aangevoerde artikel 7 van het revolutionaire decreet van 2-17 maart 1791 "portant suppression de tous les droit d'aides, de toutes les maîtrises et jurandes et établissement de patentes" ertoe strekt de handel te beschermen tegen administratieve of corporatieve beperkingen ; Overwegende dat deze bepaling niet eraan in de weg staat dat de Orde van Vlaamse Balies overeenkomstig de haar door de wetgever in artikel 495 en artikel 496 van het Gerechtelijk Wetboek toegekende bevoegdheden, de wijze bepaalt waarop de advocaat zijn plicht tot permanente vorming naleeft ; Dat het middel moet worden verworpen ; 2.
  36. Tweede middel Overwegende dat de Orde van Vlaamse Balies in het bestreden reglement inzake permanente vorming heeft gekozen voor het opleggen van een programma waarbij aan bepaalde vormen van permanente vorming punten worden toegekend, waarvan de advocaat er jaarlijks een welbepaald minimum aantal moet behalen ; dat daarvoor onder meer in aanmerking komen : het volgen van de door de Orde erkende cursussen, het geven van bepaalde lessen, het schrijven van bepaalde artikels ; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Orde van Vlaamse Balies aan alternatieve vormen zoals individuele studie en investeren in een bibliotheek geen punten toekent en haar keuze er toe kan leiden dat kosten en investeringen moeten worden gedragen in zoverre het programma van de permanente vorming aan een advocaat niet zou voldoen ; dat volgens verzoeker dit alles telkens vooral werkt in het nadeel van de individuele en in kleinere kantoren werkende advocaten ; Overwegende dat, krachtens artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet alle besluiten van ondernemingsverenigingen verboden zijn, welke ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Belgische markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst ; Dat het begrip onderneming in het kader van het mededingingsrecht elke eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd ; Dat onder economische activiteit onder meer moet begrepen worden een activiteit die bestaat in het aanbieden van diensten op een bepaalde markt ; Dat advocaten, leden van de balies aangesloten bij de Orde van Vlaamse Balies, tegen beloning diensten aanbieden op het gebied van de rechtshulp, bestaande uit het geven van adviezen, het redigeren van contracten en andere stukken en akten alsmede de vertegenwoordiging van de cliënt in rechte, en zelf aan deze dienstverlening verbonden risico's dragen ; dat de leden van die balies, aldus ondernemingen zijn in de zin van het voornoemde artikel 2 ; Overwegende dat de Orde van Vlaamse balies, krachtens artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, voor de balies die er deel van uitmaken en die uitsluitend samengesteld zijn uit advocaten, de taak heeft te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van zijn leden ; dat zij ook initiatieven en maatregelen neemt die nuttig zijn voor de opleiding, de tuchtrechtelijke regels en de loyauteit in het beroep en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende ; dat zij betreffende die aangelegenheden voorstellen doet aan de bevoegde overheden ; Overwegende dat het bestreden reglement, niet rechtstreeks betrekking heeft op de kerntaak van de overheid, maar in hoofdzaak ertoe strekt de interne organisatie van het beroep te regelen op een wijze die de beroepsorganisatie zelf als de meest doeltreffende beschouwt voor de gemeenschappelijke beroepsbelangen van haar leden ; dat het niet tot hoofdstrekking heeft de fundamentele regels van het beroep te bepalen ook al kan het op de handhaving van die fundamentele regels van het beroep te bepalen een invloed hebben ; dat de vastgestelde regels enkel voor rekening van de Orde komen ; Dat het reglement vastgesteld door de Orde van Vlaamse Balies derhalve als een besluit van een ondernemingsvereniging in de zin van artikel 2 van de Mededingingswet dient te worden aangemerkt : Overwegende dat de beperkingen die door het bestreden reglement worden opgelegd de besteding van de middelen door de advocaat beïnvloeden en diens economische vrijheid beperken in de zin van artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet ; dat zij de mededinging op een wezenlijk deel van de Belgische markt kan beperken , nu zij geldt voor alle Vlaamse advocaten ; Overwegende dat het verbod neergelegd in artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet evenwel niet onbeperkt is in zaken waarin de openbare orde moet worden gehandhaafd, zoals de regels die de uitoefening van het beroep van advocaat regelen ; dat niet elke overeenkomst tussen ondernemingen of elk besluit van een ondernemingsvereniging die de handelingsvrijheid van de partijen of een van hen beperkt, automatisch onder het verbod valt ; dat bij de toepassing van deze bepaling op een concreet geval namelijk in de eerste plaats rekening moet worden gehouden met de algehele context waarbinnen het betrokken besluit van de ondernemersvereniging is genomen of zijn werking ontplooit, en meer in het bijzonder met de doelstellingen daarvan, welke in casu verband houden met de noodzaak om de regels vast te stellen inzake organisatie, bekwaamheid, deontologie, toezicht en aansprakelijkheid, die aan de eindgebruikers van juridische diensten de nodige garantie van integriteit en ervaring bieden en een goede rechtsbedeling verzekeren ; dat vervolgens moet worden onderzocht of de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de mededinging inherent zijn aan deze nagestreefde doeleinden ; Dat hieruit volgt dat artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet niet geschonden wordt doordat vrije beroepsbeoefenaren zoals advocaten of de Orde van hun balies door middel van zelfregulering bepaalde beroepsregels vastleggen indien deze regels evenredig blijven met het nagestreefde en door de openbare overheid opgelegde doel ; Overwegende dat het bestreden reglement er toe strekt er over te waken dat alle advocaten aan hun verplichting tot permanente vorming voldoen ; dat de Orde van Vlaamse Balies daartoe een objectief controlemechanisme heeft uitgewerkt dat gebaseerd is op het vooraf toekennen van punten aan bepaalde vormen van permanente vorming ; Dat de noodgedwongen keuze voor bepaalde vormen van permanente vorming die met het oog op het vooraf toekennen van punten moet worden gemaakt, niet uitsluit dat een advocaat binnen de limitatief opgesomde wijzen van permanente vorming deze vorming vindt die voor zijn rendement passend is ; dat meer bepaald het bestreden reglement daartoe in artikel 3 voorziet in de erkenning van doceren van lessen, geven van een juridische lezing of schrijven van juridische artikels waarbij geen enkele beperking wordt opgelegd inzake het onderwerp ; dat ook wat de te erkennen wijzen van permanente vorming betreft geen enkele rechtsmaterie wordt uitgesloten en artikel 5.
  37. van het bestreden reglement uitdrukkelijk voorziet dat ook de individuele advocaat een aanvraag tot erkenning kan richten tot de erkenningcommissie ; Dat aldus, anders dan verzoeker aanvoert, het niet vaststaat dat het bestreden reglement in geen geval nuttig en noodzakelijk is om de advocaat op constante en kwaliteitsvolle wijze te laten bijscholen ; Overwegende dat uit die elementen volgt dat het reglement in zijn geheel een mededingingsbeperking oplegt in de zin van artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet, die redelijk verantwoord is voor de handhaving van de belangen die de wetgever aan de Orde van Vlaamse Balies heeft toevertrouwd in artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek ; Dat het middel moet worden verworpen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de vordering ; Laat de kosten ten laste van eiser, met uitzondering van de kosten van vrijwillige tussenkomst die ten laste blijven van de Orde van Vlaamse Balies. De kosten begroot op de som van driehonderd zesendertig euro jegens de eisende partij en op de som van nul euro jegens de vrijwillig tussenkomende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig december tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051222.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170203.2 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180208.2 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180208.3 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210326.1N.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030925.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.