← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051222.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art.501

,§3,e Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: ADVOCAAT Orde van Vlaamse balies Reglement Vordering tot nietigverklaring Hof van Cassatie Vrijwillige tussenkomst Wettelijke bepalingen:

Art.501

,§3,e Fiches 3 - 4 Voor het indienen van een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst in de procedure tot nietigverklaring van een door de Orde van Vlaamse balies aangenomen reglement is de bijstand van een advocaat bij het Hof van cassatie niet verplicht

(1).
(1)Zie Arbitragehof nr 99/2005, 1 juni 2005, B.S. 21 juni 2005. Thesaurus CAS: CASSATIE - ARRESTEN. VORM - Rechtspleging. Voeging Vrije woorden: CASSATIE - ARRESTEN. VORM - Rechtspleging. Voeging Reglement van de Orde van Vlaamse balies Vordering tot nietigverklaring Vrijwillige tussenkomst Verzoekschrift Bijstand van een advocaat bij het Hof Wettelijke bepalingen:

Art.501

,§3 Thesaurus CAS: ADVOCAAT BIJ HET HOF VAN CASSATIE Vrije woorden: ADVOCAAT BIJ HET HOF VAN CASSATIE Hof van Cassatie Reglement van de Orde van Vlaamse balies Procedure tot nietigverklaring Vrijwillige tussenkomst Bijstand van een advocaat bij het Hof Wettelijke bepalingen:

Art.501

,§3 Fiche 5 De Orde van Vlaamse balies vermag, in het kader van het door haar aangenomen Reglement inzake Permanente Vorming, de erkenning van een door een advocatenkantoor intern georganiseerde cursus afhankelijk te stellen van de verplichte toegankelijkheid, tegen marginale kostprijs, voor advocaten die niet tot het kantoor behoren. Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: ADVOCAAT Orde van Vlaamse balies Taak Permanente vorming Door een advocatenkantoor georganiseerde cursus Erkenning Wettelijke bepalingen:

Art.495Tekst van de beslissing Nr.

C.04.0421.N

  1. ALLEN & OVERY Limited Liability Partnership, een maatschap naar Engels recht, waarvan de zetel gevestigd is in het Verenigd Koninkrijk, London EC4M 9QQ, One New Change, geregistreerd in Engeland en Wales onder nummer OC306763 en met een bijkantoor gevestigd te 1150 Brussel, Tervurenlaan 268A, ondernemingsnummer 0865.011.356,
  2. ALTIUS, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een CVBA, met zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 16,
  3. BAKER & McKENZIE, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een CVBA, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 149,
  4. BUYLE DIERYCK MAINGAIN, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een CVBA, met zetel te 1140 Evere, Auguste de Boeckstraat 54-56,
  5. CLIFFORD CHANCE Limited Liability Partnership, een maatschap opgericht naar het recht van de staat New York, waarvan de hoofdzetel gevestigd is in het Verenigd Koninkrijk, London E14 5JJ, 10 Upper Bank Street, en met een bijkantoor in België te 1050 Brussel, Louizalaan 65, bus 2,
  6. DLA Limited Liability Partnership, een maatschap naar Engels recht, waarvan de zetel gevestigd is in het Verenigd Koninkrijk, London EC2V7EE, Noble Street 3, en met een bijkantoor gevestigd te 1050 Brussel, Louizalaan 106,
  7. EUBELIUS, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een CVBA, met zetel te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5-7,
  8. FRESHFIELDS BRUCKHAUS DERINGER, een maatschap opgericht naar Engels recht onder de Engelse partnership Act 1890, waarvan de hoofdzetel gevestigd is in het Verenigd Koninkrijk, London EC4Y 1HS, 65 Fleet Street, en met een bijkantoor in België te 1050 Brussel, Bastion Tower, Marsveldplein 5,
  9. LINKLATERS, een maatschap opgericht in Engeland onder de Engelse partnership Act 1890, waarvan de hoofdzetel gevestigd is in het Verenigd Koninkrijk, London, 1 Silk Street, en met een bijkantoor handelend onder de benaming Linklaters De Bandt in België te 1000 Brussel, Brederodestraat 13,
  10. LOYENS, een burgerlijke vennootschap zonder handelsvorm, met zetel te 1200 Brussel, Neerveldstraat 101-103,
  11. NAUTA DUTILH, burgerlijk vennootschap onder de vorm van een BVBA, waarvan de zetel gevestigd is te 1170 Brussel, Watermaal-Bosvoorde, Terhulpsesteenweg 177, ondernemingsnummer 0479.249.878,
  12. STIBBE, coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51,
  13. E.W.,
  14. D.H.,
  15. S.J.
  16. D.D.
  17. R.X.,
  18. B.Y.,
  19. W.M.,
  20. S.C.,
  21. D.T.,
  22. N.R.,
  23. F.P.,
  24. N.R., verzoekers, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Villain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, en ten aanzien van ORDE VAN VLAAMSE BALIES, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148, vertegenwoordigd door haar Raad van Bestuur door toedoen van haar voorzitter, vrijwillig tussenkomende partij, vertegenwoordigd door Mr. Paul Van Rillaer, advocaat bij de balie te Mechelen, kantoor houdende te 2820 Bonheiden, Putsesteenweg 8, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Vordering De vordering strekt tot nietigverklaring van het artikel 3.8 van het Reglement inzake Permanente Vorming van de Orde van Vlaamse Balies aangenomen op 2 juni
  25. De vordering luidt als volgt : "Overeenkomstig de artikelen 501 en 611 van het Gerechtelijk Wetboek stellen verzoekers met dit verzoekschrift een vordering in tot nietigverklaring van artikel 3.
  26. van het Reglement inzake Permanente Vorming van de Orde van Vlaamse Balies dat werd goedgekeurd tijdens diens algemene vergadering van 2 juni 2004 en gepubliceerd in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad van 18 juni 2004, waarvan de tekst luidt als volgt : '3.8 Een cursus georganiseerd door een advocatenkantoor kan enkel worden erkend indien hij ook gratis toegankelijk is voor advocaten die niet tot het kantoor behoren'". II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Feiten Op de algemene vergadering van 2 juni 2004 heeft de Orde van Vlaamse Balies het volgend reglement goedgekeurd "inzake Permanente Vorming". De tekst luidt als volgt : Artikel
  27. Permanente vorming betekent dat de advocaat zich op regelmatig basis bekwaamt en bijschoolt in juridische of praktijkondersteunende materies, door het volgen van erkende cursussen, of het doceren of het houden van voordrachten, of het publiceren, in de zin van dit reglement. Artikel
  28. Het is een deontologische plicht voor ieder advocaat zich permanent te vormen. Het volgen van permanente vorming levert punten op. Elke advocaat dient per gerechtelijk jaar minstens 16 punten te behalen. Voor de stagiairs gelden de BUBA-lessen als permanente vorming voor de eerste 3 jaar van hun stage. Indien de eerste 3 jaar aflopen in de loop van het gerechtelijk jaar of een advocaat in de loop van het gerechtelijk jaar heringeschreven wordt, wordt het minimum aantal te bekomen punten pro rata bepaald. Artikel
  29. 3.1 Het volgen van een erkend lesuur levert één punt op. 3.2 Het doceren : - aan een universiteit of een instelling van het hoger onderwijs ; - van een erkende cursus of een cursus gegeven in het kader van de opleiding van de advocaat-stagiairs ; levert twee punten per uur op met een maximum van tien punten. 3.3 Het geven van een juridische lezing op academisch niveau levert twee punten per lesuur op. 3.4 Het schrijven van een juridisch artikel, gepubliceerd in de rechtsliteratuur of een daaraan gelijkwaardige publicatie, levert tot 1.000 woorden één punt op en vervolgens één punt per 1.000 bijkomende woorden. 3.5 Een cursus die werd erkend hetzij door de 'Ordre des barreaux francophones et germanophone', hetzij door een buitenlandse balie die lid is van de Raad van de Balies van de Europese Unie (CCBE), kan worden erkend. Een advocaat die dergelijke cursus wenst te volgen of gevolgd heeft, kan om een erkenning verzoeken. Na advies van de erkenningcommissie kan de Orde van Vlaamse Balies met andere balies of organisaties akkoorden tot erkenning van cursussen sluiten. 3.6 Het volgen van een regulier, decretaal erkend curriculum aan een in België gevestigde rechtsfaculteit en dat leidt tot het behalen van een bijkomend diploma levert 32 punten op. 3.7 Het volgen van de cursus 'beroepsopleiding cassatieprocedure', georganiseerd door de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie, levert per jaar 32 punten op. 3.8 Een cursus georganiseerd door een advocatenkantoor kan enkel worden erkend indien hij ook gratis toegankelijk is voor advocaten die niet tot het kantoor behoren. Het kantoor dat de cursus organiseert, is verplicht het dossierrecht zoals vermeld in artikel 5.3 aan de Orde van Vlaamse Balies te betalen. 3.9 Een overschot van punten, met een maximum van 16 punten, kan enkel worden overgedragen naar het daaropvolgend gerechtelijk jaar. 3.10 De advocaat stelt vrij zijn jaarlijks vormings- en bijscholingsprogramma samen, met dien verstande dat het voor minstens de helft van de punten betrekking heeft op juridische materies. Artikel
  30. 4.1 De Orde van Vlaamse Balies richt een erkenningcommissie op. Artikel
  31. 5.1 De erkenningcommissie oordeelt welke activiteiten, bedoeld in artikel 1 van dit reglement, worden erkend. 5.2 Zowel de cursusaanbieder als de individuele advocaat kunnen een aanvraag tot erkenning richten tot de erkenningcommissie. 5.3 Een aanvraag tot erkenning door de cursusaanbieder is slechts ontvankelijk indien hij aan de Orde van Vlaamse Balies een vergoeding heeft vereffend gelijk aan éénmaal het volledige inschrijvingsrecht per potentiële deelnemer, met een minimum van 100 euro en met een maximum van 625 euro. Deze bepaling geldt niet voor cursussen die door de balies, samenwerkingsverbanden tussen balies, of door de conferenties volledig zelfstandig worden georganiseerd. 5.4 Bij de aanvraag tot erkenning van een cursus dient de aanvrager een dossier in met de verbintenis tot afgifte van aanwezigheidsattesten na controle van de aanwezigheid en met minstens vermelding van de volgende gegevens :
  32. datum en plaats van de cursus ;
  33. onderwerp van de cursus, desgevallend met titels van de verschillende lezingen ;
  34. aantal uren waarvoor de erkenning wordt gevraagd ;
  35. identiteit van de spreker ;
  36. doelgroep ;
  37. deelnameprijs ;
  38. melding van het al dan niet voorhanden zijn van een syllabus ten behoeve van de deelnemers ;
  39. de wijze waarop aan het cursusaanbod publiciteit wordt gegeven. 5.5 Bij de beslissing tot erkenning en bij de toekenning van de punten houdt de erkenningcommissie rekening met de kwaliteit van de cursus en de toegankelijkheid ervan. De erkenningcommissie kan te allen tijde de kwaliteit van de aangeboden cursus ter plaatse controleren. 5.6 De erkenningcommissie neemt een beslissing binnen de maand na de aanvraag. De erkenningcommissie motiveert elke afwijzing van een vraag tot erkenning. 5.
  40. De cursusaanbieder mag melding maken van de erkenning van de toegekende punten. Het erkende cursusaanbod wordt opgenomen op de website van de Orde van Vlaamse Balies. Artikel
  41. 6.1 De advocaat dient jaarlijks, uiterlijk op 30 september volgend op het opleidingsjaar, schriftelijk aan de stafhouder van zijn balie verslag uit te brengen over het door hem gevolgde programma, met toevoeging van de overtuigingsstukken. 6.2 De stafhouder deelt de verwerkte gegevens van zijn balie mee aan de Orde van Vlaamse Balies uiterlijk op 31 maart. IV. Middelen De verzoekers voeren in hun verzoekschrift drie middelen aan.
  42. Eerste middel Overschrijding van bevoegdheid en schending van de wet waarbij volgende wetsbepalingen als geschonden worden aangeduid : &§9472; de artikelen 495, 496 en 498 van het Gerechtelijk Wetboek. Bestreden bepaling Artikel 3.8 van het bestreden reglement van de Orde van Vlaamse Balies inzake permanente vorming, waarin wordt bepaald : "Een cursus georganiseerd door een advocatenkantoor kan enkel worden erkend indien hij ook gratis toegankelijk is voor advocaten die niet tot het kantoor behoren". Grieven Overeenkomstig artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek heeft de Orde van Vlaamse Balies voor de balies die er deel van uitmaken de taak te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van zijn leden en is zij bevoegd voor juridische bijstand, de stage, de beroepsopleiding van de advocatenstagiairs en de vorming van alle advocaten behorende tot de balies die er deel van uitmaken. Tevens kan zij initiatieven en maatregelen nemen die nuttig zijn voor de opleiding. Artikel 496 van het Gerechtelijk Wetboek verleent aan de Orde van Vlaamse Balies de bevoegdheid om passende reglementen vast te stellen met betrekking tot de beroepsopleiding van de advocaten/stagiaires en de vorming van alle advocaten behorende tot de balies die er deel van uitmaken. Luidens artikel 498 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de reglementen, die overeenkomstig artikel 496 aangenomen zijn, bindend voor alle advocaten van de balies die van de Orde van Vlaamse Balies deel uitmaken wanneer dergelijk reglement door de Orde van Vlaamse Balies werd aangenomen. Het reglement inzake permanente vorming voert in zijn artikel 2 een deontologische verplichting in voor iedere advocaat om zich permanent te vormen hetgeen overeenkomstig artikel 1 betekent dat hij zich op regelmatige basis bekwaamt en bijschoolt in juridische of praktijkondersteunende materies door ondermeer het volgen van erkende cursussen. Bij artikel 4 van datzelfde reglement wordt een erkenningcommissie opgericht die overeenkomstig artikel 5 zal oordelen welke activiteiten worden erkend. Luidens artikel 5.5 van het reglement zal de erkenningcommissie bij de beslissing tot erkenning en bij de toekenning van punten rekening houden ondermeer met de kwaliteit van de cursus en zal de erkenningcommissie te allen tijde de kwaliteit van de aangeboden cursus ter plaatse kunnen controleren. De bevoegdheid die de Orde van Vlaamse Balies put uit de artikelen 495 en 496 van het Gerechtelijk Wetboek om reglementen vast te stellen inzake de beroepsopleiding en de vorming strekt er derhalve toe een kwalitatief hoogstaande permanente vorming van zijn leden te waarborgen. De voorwaarde bepaald in artikel 3.8 van het Reglement, met name dat een cursus georganiseerd door een advocatenkantoor enkel kan worden erkend indien hij ook gratis toegankelijk is voor advocaten die niet tot het kantoor behoren, is evenwel niet pertinent of relevant voor de beoordeling van de vraag of de georganiseerde cursus kwaliteitsvol is. De aangevochten voorwaarde, bepaald in artikel 3.8 van het Reglement, heeft kennelijk geen uitstaans met de doelstelling en de wettelijke verantwoording van het reglement, nl. een permanente, kwaliteitsvolle vorming van de advocaten. Zij is niet aantoonbaar vereist voor de handhaving van de belangen die de wetgever aan de Orde van Vlaamse Balies heeft toevertrouwd in de artikelen 495 en 496 van het Gerechtelijk Wetboek (zie Cass., 25 september 2003, C.03.0179.N, Reglement over de samenwerking met niet-advocaten). De kwaliteit van een cursus georganiseerd door een advocatenkantoor is immers niet afhankelijk van de omstandigheid of hij ook gratis toegankelijk is voor advocaten die niet tot dat kantoor behoren. Dergelijke voorwaarde voor erkenning wordt overigens niet gesteld in het Reglement van 27 mei 2002 van de Brusselse Franse Orde. Zelfs indien tussen enerzijds het doel van het reglement en de volgens de ingeroepen wetsbepalingen te handhaven belangen en anderzijds de aangevochten beperking van artikel 3.8 toch enig verband aantoonbaar zou zijn -quod non- is deze voorwaarde een minstens kennelijk onevenredig middel om het nagestreefde doel te bereiken (zie Cass., 25 september 2003, C.03.0179.N. Reglement over de samenwerking met niet-advocaten). Immers, om zich van de kwaliteit van de aangeboden cursussen te vergewissen werd een procedure vastgelegd in artikel 5 van het reglement. Zo moet de cursusaanbieder een aanvraag tot erkenning indienen waarbij een dossier dient te worden gevoegd met de gegevens opgesomd in artikel 5.4 teneinde precies de erkenningcommissie in staat te stellen de kwaliteit ervan te beoordelen. Tot slot bepaalt artikel 5.5 van het Reglement uitdrukkelijk dat de erkenningcommissie te allen tijde de kwaliteit van de aangeboden cursus ter plaatse kan controleren welke bepaling eveneens toepasselijk is op de cursussen georganiseerd door een advocatenkantoor. Uit het voorgaande volgt dat de beperking, opgelegd aan eisers door artikel 3.8 van het reglement, geen verantwoording vindt in de wetsbepalingen die de grondslag moeten vormen voor het reglement. Door in de geschetste omstandigheden, op een wettelijk niet verantwoorde wijze, bedoelde beperking op te leggen, is de Orde van Vlaamse Balies buiten haar wettelijke bevoegdheid getreden. Het aangevochten artikel 3.8 is om die reden aangetast door machtsoverschrijding en schendt de artikelen 495, 496 en 498 van het Gerechtelijk Wetboek.
  43. Tweede middel Overschrijding van bevoegdheid en schending van de wet waarbij volgende wetsbepalingen als geschonden worden aangeduid : &§9472; de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de daarin neergelegde beginselen van gelijkheid en verbod van discriminatie ; &§9472; de artikelen 495 en 496 van het Gerechtelijk Wetboek. Bestreden bepaling Artikel 3.8 van het Reglement van de Orde van Vlaamse Balies inzake permanente vorming waarin wordt bepaald : "Een cursus georganiseerd door een advocatenkantoor kan enkel worden erkend indien hij ook gratis toegankelijk is voor advocaten die niet tot het kantoor behoren". Grieven Artikel 10 van de Grondwet bevat de regel van de gelijkheid voor de wet terwijl artikel 11 de regel van de niet discriminatie in het genot van de rechten en vrijheden vastlegt. Hieruit vloeit het verbod voort om een onderscheid te maken waarvoor geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Door artikel 3.8 van het reglement wordt een onderscheid ingevoerd tussen twee categorieën van cursusaanbieders, met name advocatenkantoren en alle andere cursusaanbieders. Enkel aan de advocatenkantoren wordt de verplichting opgelegd om de door hen georganiseerde cursussen gratis toegankelijk te maken voor advocaten die niet tot het kantoor behoren indien zij wensen dat deze cursussen worden erkend terwijl deze verplichting en voorwaarde niet wordt opgelegd aan andere cursusaanbieders zoals de balie zelf, samenwerkingsverbanden tussen balies, conferenties, universiteiten of professionele organisatoren van dergelijke cursussen en seminaries. Voor dit onderscheid bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording, waaruit volgt dat artikel 3.8 van het reglement een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het daarin vervatte gelijkheidsbeginsel en beginsel houdende verbod van discriminatie. Artikel 3.8 van het reglement heeft tevens tot gevolg dat een tweede onderscheid wordt gemaakt, namelijk dat tussen advocatenkantoren waarvan de leden uitsluitend behoren tot een balie die deel uitmaakt van de Ordre des Barreaux francophones et germanophone en anderzijds de advocatenkantoren waarvan de leden hetzij uitsluitend behoren tot een balie die deel uitmaakt van de Orde van Vlaamse Balies hetzij gedeeltelijk tot een balie die deel uitmaakt van de ene en gedeeltelijk tot een balie die deel uitmaakt van de andere Orde. Immers, nu het reglement van 27 mei 2002 van de Franse Orde bij de balie te Brussel dergelijke voorwaarde voor erkenning niet bevat heeft de invoering van deze voorwaarde bij artikel 3.8 van het Reglement door de Orde van Vlaamse Balies tot gevolg dat enkel die advocatenkantoren waarvan sommige of alle leden toebehoren tot een balie die deel uitmaakt van de Vlaamse Orde verplicht zijn de door hen georganiseerde cursussen gratis toegankelijk te maken voor advocaten die niet tot hun kantoor behoren terwijl deze verplichting niet geldt voor deze advocatenkantoren waarvan de leden uitsluitend behoren tot een balie die deel uitmaakt van de Ordre des Barreaux francophones et germanophone. Aldus worden de advocatenkantoren die ook advocaten van een balie behorend tot de Orde van Vlaamse Balies tussen hun leden tellen op onrechtmatige wijze benadeeld ten aanzien van de andere kantoren die geen dergelijke advocaten tussen hun leden tellen. Voor dergelijk onderscheid bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording zodat de bestreden bepaling een schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Tot slot wordt door artikel 3.8 van het reglement nog een derde onderscheid gemaakt waarvoor geen redelijke en objectieve verantwoording bestaat, nl. tussen de advocaten-leden van een kantoor die behoren tot een balie die deel uitmaakt van de Ordre des Barreaux francophones et germanophone en anderzijds deze die behoren tot een balie die deel uitmaakt van de Orde van Vlaamse Balies. Daar waar de eerste categorie ten einde te voldoen aan de vereisten inzake permanente vorming kan volstaan met het volgen van de lessen die intern worden georganiseerd door het kantoor waartoe zij behoren, hetgeen ook voor deze advocaten tijd- en kostenbesparend is, dient de tweede categorie daarentegen deel te nemen aan cursussen buiten het kantoor die meestal tegen betaling zijn, hetgeen voor deze tweede categorie een nadeel oplevert qua kostprijs en tijdverlies. Voor dit onderscheid bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording nu de intern georganiseerde cursussen net dezelfde zijn voor beide categorieën advocaten, zodat artikel 3.8 van het reglement eens te meer een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
  44. Derde middel Overschrijding van bevoegdheid en schending van de wet waarbij volgende wetsbepalingen als geschonden worden aangeduid : &§9472; de artikelen 495, 496 en 498 van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 1 en 2 van de wet van 5 augustus 1991 op de Bescherming van de Economische Mededinging ; &§9472; de artikelen 49 en 81, lid 1 en 2, van het Verdrag van Rome van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, gewijzigd door het Verdrag van Maastricht van 7 februari 1992, goedgekeurd bij wet van 26 november 1992 en geconsolideerd bij het Verdrag van Amsterdam van 2 oktober 1997, goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1998, zoals gewijzigd door het Verdrag van Nice van 26 februari 2001, goedgekeurd bij wet van 7 juni 2002 (geconsolideerde versie Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, C-325, 24 december 2002). Bestreden bepaling Artikel 3.8 van het reglement van de Orde van Vlaamse Balies inzake permanente vorming waarin wordt bepaald : "Een cursus georganiseerd door een advocatenkantoor kan enkel worden erkend indien hij ook gratis toegankelijk is voor advocaten die niet tot het kantoor behoren". Grieven Krachtens artikel 1 van de Mededingingswet van 5 augustus 1991 dienen voor de toepassing van de wet als ondernemingen te worden verstaan alle natuurlijke of rechtspersonen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven. Krachtens artikel 2 van die wet, zijn verboden alle besluiten van ondernemingsverenigingen welke ertoe strekken of tengevolge hebben dat de mededinging op de Belgische Markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Advocaten, ook al zijn zij geen kooplieden in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel en ook al hebben zij een maatschappelijke functie, oefenen een activiteit uit die gericht is op de uitwisseling van goederen of diensten. Zij streven op duurzame wijze een economisch doel na en zijn aldus in de regel ondernemingen in de zin van artikel 1 van de Mededingingswet. De Orde van Vlaamse Balies is een beroepsvereniging. Om het beroep van advocaat te kunnen uitoefenen moet men lid zijn van één van de ordes van advocaten. De wetgever heeft aan de Orde bepaalde taken opgedragen inzonderheid te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van haar leden en haar tevens bevoegdheid verleend inzake de beroepsopleiding van de advocaten/stagiairs en de vorming van alle advocaten behorende tot de balies die er deel van uitmaken. Daartoe kan de Orde initiatieven en maatregelen nemen die nuttig zijn voor de opleiding (zie artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek). De Orde streeft hierbij geen economisch doel na maar vervult een wettelijke taak waarvoor zij overigens een regulerende bevoegdheid heeft gekregen van de wetgever bij artikelen 495 en 496 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit belet evenwel niet dat zij een ondernemingsvereniging is in de zin van artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet, waarvan de besluiten, in de mate zij ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging wordt aangetast, dient getoetst te worden aan de eisen van de Mededingingswet. Een reglement van de Orde dat aan één of meer van zijn leden beperkingen oplegt in de mededinging die niet vereist zijn om de fundamentele regels van het beroep te handhaven maar dat er in werkelijkheid toe strekt bepaalde materiële belangen van anderen te begunstigen of economische stelsels te installeren of in stand te houden, kan een besluit zijn van een ondernemingsvereniging waarvan de nietigheid kan worden vastgesteld door het Hof van Cassatie overeenkomstig artikel 611 van het Gerechtelijk Wetboek (vgl. Cass., 25 september 2003, C.03.0179.N8). Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap, inzonderheid uit het arrest van 19 februari 2002 in de zaak C-309/99 (hierna het arrest Wouters genoemd) blijkt de uitlegging die het Hof van Justitie geeft aan de voormelde verdragsbepalingen. Het bestreden reglement dient aldus te worden aangemerkt als een besluit van een ondernemingsvereniging in de zin van artikel 81, lid 1 en 2, van het EG-Verdrag. Het beperkt de vrije mededinging en het beïnvloedt het intracommunautair handelsverkeer ongunstig. Er kan geen betwisting bestaan over het feit dat zelfstandige advocaten en advocatenkantoren zoals verzoeksters ondernemingen zijn in de zin van artikel 81.1 van voormeld Verdrag en dat de Orde van Vlaamse Balies wanneer zij krachtens een bij wet verleende verordende bevoegdheid algemeen verbindende maatregelen vaststelt die binnen de sfeer van het economisch verkeer vallen, een ondernemingsvereniging is in de zin van datzelfde verdragsartikel. Verschillende advocatenkantoren die in deze zaak optreden als verzoeksters zijn overigens werkzaam in verschillende lidstaten van de EG en ook daarbuiten, en hun vennoten en medewerkers worden regelmatig overgeplaatst van het ene kantoor naar het andere kantoor. Het kan niet worden betwijfeld dat artikel 3.8 van het bestreden reglement negatieve gevolgen heeft voor de mededinging in die zin dat de advocatenkantoren/verzoeksters op eigen kosten belangrijke investeringen doen voor de interne organisatie van de permanente vorming van hun vennoten en medewerkers intern zodat enerzijds op een efficiënte en kostenbesparende wijze de opleiding van de advocaten-vennoten en -medewerkers kan worden verzekerd door beperking van de kosten, beperking van de tijd die verloren gaat met verplaatsingen buiten het kantoor hetgeen kostenbesparend is, en anderzijds het verzekeren van een kwalitatief hoogstaande opleiding die specifiek is toegespitst op de noden van de eigen praktijk en waarbij, indien mogelijk, aan de hand van concrete dossiers van het kantoor, de interne know-how wordt doorgegeven aan de andere advocaten van het kantoor. Bovendien wordt het hoogstaande niveau van de interne permanente opleiding aangewend als een concurrentieel voordeel bij de aanwerving van jonge medewerkers, alsook bij het behoud van de medewerkers, gezien de kwaliteit van de opleiding die wordt verstrekt binnen het kantoor één van de belangrijke zo niet de doorslaggevende factor is aan de zijde van kandidaat-medewerkers bij de keuze van het kantoor waar zij willen werken. Dit concurrentieel voordeel wordt evenwel totaal ongedaan gemaakt door artikel 3.8 van het bestreden reglement nu de advocatenkantoren daardoor verplicht worden de andere advocaten die niet tot het kantoor behoren gratis te laten mee genieten van de investeringen die zij doen voor de uitbouw van een kwalitatief hoogstaande permanente interne opleiding en dus van de schaalvergroting en de daarmeegaande kostenbesparing daar zij verplicht worden de cursussen die zij intern organiseren gratis toegankelijk te maken voor de advocaten die niet tot het kantoor behoren. Bovendien worden deze kantoren op de koop toe nog verplicht om aan de Orde van Vlaamse Balies een dossierrecht te betalen zoals vastgesteld in artikel 5.3 van datzelfde reglement hetgeen medebrengt dat alle kosten verbonden aan de inrichting van de interne opleiding en het cursusrecht gedragen moeten worden door de advocatenkantoren zelf die deze cursussen organiseren terwijl de advocaten die geen deel uitmaken van dergelijk kantoor gratis tot deze cursussen toegang moeten krijgen waardoor hun een abnormaal voordeel wordt toegekend dat concurrentievervalsend is. Juridische dienstverlening door de advocaat, aan wie een quasi- monopolie is toegekend met betrekking tot de vertegenwoordiging van de partijen voor de hoven en de rechtbanken, is van wezenlijk belang in de rechtsstaat. Een goede rechtsbedeling is niet mogelijk zonder de correcte uitoefening van het beroep van advocaat. Onafhankelijkheid, (on)partijdigheid, bescherming van het beroepsgeheim en het vermijden van elk belangenconflict behoren tot de essentie van het beroep. Verzoekers betwisten evenmin dat de permanente vorming en bijscholing een deontologische verplichting uitmaakt voor de advocaat. De ordes van advocaten genieten dan ook van een ruime vrijheid bij de beoordeling van de noodzaak en proportionaliteit van een maatregel met het oog op het bevorderen van een goede praktijkuitoefening. De negatieve effecten op het vlak van de mededinging dienen evenwel afgewogen te worden met het doel dat men nastreeft. Wanneer deontologische regels redelijkerwijze noodzakelijk kunnen worden geacht om een legitieme doelstelling na te streven vormen zij geen mededingingsbeperking in de zin van artikel 81.1 EG-Verdrag of artikel 2 van de Belgische Mededingingswet, ook niet als ze schadelijke gevolgen hebben voor de mededinging. Daartoe is evenwel vereist dat deze maatregelen niet verder gaan dan ook noodzakelijk is. Het is echter duidelijk dat artikel 3.8 van het reglement verder gaat dan noodzakelijk is. Zoals aangetoond onder het eerste middel, heeft de beperking opgelegd in artikel 3.8 van het reglement, zelfs geen uitstaans met de handhaving van de wettelijke belangen die de Orde van Vlaamse balies, door middel van het betrokken reglement, kan nastreven. Er is geen reden van algemeen belang om de erkenning van cursussen georganiseerd door een advocatenkantoor te onderwerpen aan de voorwaarde dat deze cursus ook gratis toegankelijk zou zijn voor de advocaten die niet tot het kantoor behoren om erkend te worden. Immers, het reglement voorziet in een controlemechanisme om de kwaliteit van deze cursussen te kunnen beoordelen, met name dienen de kantoren een aanvraag in te dienen voor de erkenning overeenkomstig artikel 5 van het reglement waarbij zij de nodige gegevens dienen te verstrekken die de erkenningcommissie in staat moeten stellen de kwaliteit ervan te beoordelen. Bovendien bepaalt artikel 5.5 dat de erkenningcommissie te allen tijde de kwaliteit van de aangeboden cursus ter plaatse kan controleren. Deze maatregelen zijn op zich voldoende om de kwaliteit te waarborgen. Dat deze cursussen bovendien gratis toegankelijk moeten zijn voor de advocaten die niet tot het kantoor behoren houdt geen enkele bijkomende waarborg in voor de kwaliteit. Het volstaat te verwijzen naar het reglement van de Franse Orde bij de balie te Brussel om vast te stellen dat reglement geen dergelijke voorwaarde stelt (zie reglement van de Brusselse Franse Orde van 27 mei 2002 inzake de permanente vorming). De voorwaarde vervat in artikel 3.8 van het bestreden reglement kan niet noodzakelijk en proportioneel worden geacht. Het gaat integendeel om een disproportionele maatregel die verder gaat dan noodzakelijk is ter verzekering van de goede uitoefening van het beroep van advocaat. Artikel 3.8 van het bestreden reglement schendt derhalve artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag en is derhalve overeenkomstig artikel 81, lid 2, van het EG-Verdrag van rechtswege nietig. Volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie strekt het bepaalde in artikel 49 van het EG-Verdrag zich ook uit tot niet-publiekrechtelijke regelingen die op collectieve wijze de verrichtingen van diensten beogen te regelen. Een regeling is strijdig met artikel 49 van het EG-Verdrag wanneer hierdoor het recht van in een bepaalde lidstaat gevestigde dienstverrichters om diensten aan te bieden aan cliënten die in een andere lidstaat zijn gevestigd, beperkt wordt. Verzoeksters sub 1, 5, 6, 8 en 9 zijn advocatenkantoren waarvan de hoofdzetel in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd. Zij bieden ook diensten aan in België gevestigde cliënten via een bijkantoor gevestigd te Brussel. Artikel 3.8 van het bestreden reglement brengt evenwel mede dat zodra hun bijkantoor in Brussel of Antwerpen advocaten als vennoten of medewerkers telt die lid zijn van de Orde van Vlaamse Balies, zij verplicht worden om de door hen georganiseerde cursussen van interne vorming gratis toegankelijk te maken voor de advocaten van andere kantoren indien zij de erkenning wensen te bekomen van deze cursussen. Dit houdt een belemmering in van de diensten die zij via hun bijkantoren in België wensen aan te bieden aan het in België gevestigde cliënteel. Deze beperking van het vrij verkeer van diensten kan niet worden gerechtvaardigd om dwingende redenen van algemeen belang, met name de verzekering van de goede uitoefening van het beroep van advocaat in België. Artikel 3.8 van het bestreden reglement gaat dan ook verder dan hetgeen noodzakelijk is voor de goede uitoefening van het beroep van advocaat in België en druist dientengevolge in tegen artikel 49 van het EG-Verdrag. V. Beslissing van het Hof
  45. Verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst Overwegende dat, overeenkomstig artikel 501, ,§3, van het Gerechtelijk Wetboek, de Orde van Vlaamse balies een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst kan indienen waarin zij nieuwe middelen kan aanvoeren gegrond op een bevoegdheidsoverschrijding, de strijdigheid met de wetten of de onregelmatige aanneming van het bestreden reglement ; Dat de bijstand van een advocaat bij het Hof niet verplichtend is voor de balie die op grond van artikel 501, ,§3, zou tussenkomen in het geding ; Dat waar de tussenkomst van een advocaat bij het Hof niet verplichtend is gesteld door een uitdrukkelijke bepaling, het Hof de bijstand niet oplegt in civiele zaken andere dan cassatieberoepen ; Dat het verzoek ontvankelijk is ;
  46. Ten gronde Overwegende dat permanente vorming overeenkomstig artikel 1 van het reglement inzake permanente vorming betekent dat de advocaat zich op regelmatige basis bekwaamt en bijschoolt in juridische of praktijkondersteunende materies, door het volgen van erkende cursussen, of het doceren of het houden van voordrachten, of het publiceren, in de zin van dit reglement ; Dat het reglement opsomt welke vorming kan worden beschouwd als permanente vorming die punten oplevert teneinde het in artikel 2 van het reglement bepaalde minimum aantal punten te behalen ; Dat het reglement in artikel 3 een beperkende lijst geeft van vormingen die voor de toekenning van punten in aanmerking komt en meer bepaald in artikel 3.8 bepaalt dat een cursus georganiseerd door een advocatenkantoor enkel kan worden erkend indien hij ook gratis toegankelijk is voor advocaten die niet tot het kantoor behoren ; 2.
  47. Eerste middel Overwegende dat de Orde van Vlaamse Balies, krachtens artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, voor de balies die er deel van uitmaken en uitsluitend samengesteld zijn uit advocaten, de taak heeft te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van zijn leden ; dat zij ook initiatieven en maatregelen neemt die nuttig zijn voor de opleiding, de tuchtrechtelijke regels en de loyauteit in het beroep en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende ; dat zij betreffende die aangelegenheden voorstellen doet aan de bevoegde overheden ; Overwegende dat op grond van deze bepaling de Orde van de Vlaamse Balies een reglement heeft uitgewerkt dat er moet voor zorgen dat elke advocaat door een gepaste permanente vorming zou voldoen aan zijn verplichting kwaliteitsvolle diensten te verlenen ; Overwegende dat wanneer een reglement inzake permanente vorming ervan uitgaat dat een door een advocatenkantoor intern georganiseerd cursus in aanmerking komt voor erkenning, de verplichte toegankelijkheid voor advocaten die niet tot het kantoor behoren, ertoe kan bijdragen dat de Orde op die manier een onrechtstreekse en bijkomende controle kan uitoefenen op de wijze waarop voormelde cursus bijdraagt tot bedoelde permanente vorming ; Overwegende dat, overeenkomstig artikel 3.8 van het bestreden reglement, de cursus intern georganiseerd door een advocatenkantoor enkel kan worden erkend indien hij ook gratis toegankelijk is voor advocaten die niet tot het kantoor behoren ; Dat de voorwaarde van kosteloze toegang voor advocaten die niet tot het kantoor behoren, met het oog op het realiseren van de voormelde controle een kennelijk onevenredig middel is ; dat deze doelstelling evenzeer zou kunnen worden bereikt wanneer de toegang voor deze advocaten zou worden opgelegd tegen betaling van de marginale kostprijs ; Dat deze bepaling derhalve niet aantoonbaar verantwoord is voor de handhaving van de belangen die de wetgever aan de Orde van Vlaamse Balies heeft toevertrouwd in artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek ; Dat artikel 3.8 derhalve moet worden vernietigd in zoverre het de gratis toegang oplegt voor advocaten die niet tot het kantoor behoren ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verklaart artikel 3.8 van het reglement van permanente vorming, zoals goedgekeurd op de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies van 2 juni 2004, nietig in zoverre het de gratis toegang oplegt voor advocaten die niet tot het kantoor behoren ; Laat de kosten ten laste van de Staat ; De kosten begroot op de som van driehonderd zesendertig euro vijftig cent jegens de verzoekende partij en op de som van nul euro jegens de vrijwillig tussenkomende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig december tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051222.11 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.