id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051222.12 Rolnummer: D.04.0021.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2006-04-05 Raadplegingen: 574 - laatst gezien 2026-07-04 11:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De organieke onpartijdigheid van een rechtsprekend orgaan, zoals een raad van de Orde van architecten is niet bestaanbaar met een stelsel waarin een lid ervan, zoals een rechtskundig bijzitter, het recht heeft om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing ervan; het is zonder belang in dit verband dat dit lid alleen een raadgevende stem heeft
(1).
(1)Zie concl. van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie Organieke onpartijdigheid Orde van architecten Raad van de Orde Rechtskundig bijzitter Wettelijke bepalingen: Wet - 26-06-1963 - Art.26,vierde Thesaurus CAS: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) Vrije woorden: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) Orde van architecten Tuchtzaken Raad van de Orde Rechtskundig bijzitter Recht om hoger beroep aan te tekenen Organieke onpartijdigheid Wettelijke bepalingen: Wet - 26-06-1963 - Art.26,vierde Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. m.o. CORNELIS, Cass., 22 dec. 2005, AR D.04.0021.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie Organieke onpartijdigheid Orde van architecten Raad van de Orde Rechtskundig bijzitter Thesaurus CAS: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) Vrije woorden: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) Orde van architecten Tuchtzaken Raad van de Orde Rechtskundig bijzitter Recht om hoger beroep aan te tekenen Organieke onpartijdigheid Nota: D.04.0021.N Advocaat-generaal met opdracht P. Cornelis heeft in substantie gezegd: In zijn derde middel voert eiser aan dat het feit dat de rechtskundige bijzitter van de raad van de orde aanwezig was en deelnam aan de beraadslagingen en ook hoger beroep tegen elke beslissing in tuchtzaken kon instellen, zijn recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank en zijn recht van verdediging schond. Het bestaan van een rechtskundige bijzitter in de tuchtorganen van de beroepsorden met gelijke rollen en taken wordt in verschillende wetten voorzien, met name betreffende de geneesheren, de veeartsen, de apothekers en de architecten.
(1)Uw arrest van 24 december 1993 besliste dat de magistraat-assessor van de provinciale raad van de geneesheren slechts een raadgevende stem heeft en niet mede beslist en dat hij aldus geen rechter is en niet gewraakt kan worden. In zijn conclusie vóór uw arrest besloot de toenmalige advocaat-generaal DE SWAEF : "Bij herhaling heeft het Hof beslist dat de functie van magistraat-assessor in de provinciale raad geen wettige reden oplevert om eraan te twijfelen dat over de tuchtzaak regelmatig kan worden geoordeeld (...) Ook de omstandigheid dat hem het recht van hoger beroep is toegekend tegen de beslissing van de provinciale raad doet hieraan geen afbreuk."
(2)Uw arrest van 1 april 2004
(3)heeft uw rechtspraak bevestigd inzake de wraking van een rechtskundig bijzitter van de orde van architecten. Het middel kan niet worden aangenomen. Ik concludeer tot de verwerping. Strijdige conclusie _____________
(1)Zie art. 21, lid 1, van het K. B. nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren; art. 21, lid 1, van het K. B. nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers; art. 17, lid 1, van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der Dierenartsen; art. 26, lid 4 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten.
(2)Cass., 24 december 1993, AR 8110, nr 550, met conclusie A.-G. DE SWAEF, betreffende de wraking van de magistraat-assessor van de provinciale raad van de Orde van Geneesheren en de geciteerde referenties ervan.
(3)Cass., 1 april 2004, AR D.03.0009.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040401.19, nr
- Tekst van de beslissing Nr. D.04.0021.N G.G., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ORDE VAN ARCHITECTEN, publiekrechtelijke rechtspersoon, optredend door haar nationale raad, vertegenwoordigd door zijn voorzitter, met zetel te 1000 Brussel, Livornostraat 160, bus 2, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 27 oktober 2004 gewezen door de raad van beroep van de Orde van architecten met het Nederlands als voertaal. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift vier middelen aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 46 van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten ; &§9472; de artikelen 2 en 783, lid 3, van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 1 en 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955 ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen De raad van beroep van de Orde van architecten verklaart het hoger beroep van eiser dat er in hoofdorde toe strekt eiser te horen vrijspreken van de tenlastelegging zoals bewezen verklaard in de sententie van de raad van de Orde van architecten te Limburg van 26 januari 2004, desgevallend en voor zover de inhoud van de brief van G. Woonprojecten nog twijfels zou overlaten omtrent de werkelijke verhouding en de werkelijke afspraken tussen de bouwpartners, ambtshalve een getuigenverhoor te bevelen van de heer G. en de heer P., al dan niet in confrontatie met elkaar en met eiser, minstens in de meest ondergeschikte orde voor zover toch bij onmogelijkheid zou worden vastgesteld dat de tenlastelegging geheel of gedeeltelijk bewezen is, de opgelegde tuchtstraf te herleiden, rekening houdende met verzachtende omstandigheden van de zaak en met het gunstige verleden van eiser en alsdan vast te stellen dat er geen aanleiding bestaat voor de tuchtstraf van schorsing en een lagere tuchtstraf is aangewezen onder de vorm van een waarschuwing of ten hoogste een afkeuring, ongegrond op basis van de volgende overwegingen : "Architect G. (eiser) merkt op dat de zittingsbladen en/of eensluidend verklaarde uittreksels van de notulen van de zittingen van de Raad van 24 februari 2003, 27 oktober 2003, 1 december 2003 en 26 januari 2004, zoals deze zich in het dossier bevinden, niet ondertekend werden. Het is juist dat de voor eensluidend verklaarde uittreksels uit de notulen van deze vergaderingen niet ondertekend werden en dat de echtheid (te dezen de overeenstemming tussen het uittreksel en het origineel) niet kan gecontroleerd worden aan de hand van de stukken die zich in het dossier bevinden. Gelet op het feit dat uitdrukkelijk vermeld werd dat het slechts om 'uittreksels' gaat moet het origineel wel bestaan spijts stuk 15 van het dossier dat architect G. (eiser) overlegt (waaruit zou moeten blijken dat er zich geen enkel document van het dossier nog bevindt op de zetel van de Provinciale Raad). Hoe dan ook volstaat het niet erop te wijzen dat de genoemde stukken niet ondertekend werden om te besluiten tot de nietigheid van de procedure. Uiteindelijk beklaagt architect G. (eiser) er zich alleen over dat op de kwestieuze stukken geen melding werd gemaakt van de zittingsincidenten die zich voordeden en ook geen melding werd gemaakt van alle door hem (eiser) neergelegde stukken. De afwezigheid van deze vermeldingen in de notulen tast evenwel de geldigheid van de procedure niet aan. De leden van de raad die over de gegrondheid van de tuchtvervolging hebben moeten oordelen hebben immers het verloop van de zittingen meegemaakt en waren aldus op de hoogte van de incidenten die zich desgevallend bij de behandeling hebben voorgedaan. Niet is aangetoond dat de vermelding ervan in de notulen van aard is geweest hun beoordeling te beïnvloeden. Ook heeft de raad bij het beraad kennis kunnen nemen van alle stukken van het dossier van architect G. (eiser) dat trouwens als stuk 26 aan het dossier werd toegevoegd en dat zich hierin nog steeds bevindt. Ook desbetreffend is niet aangetoond hoe de rechten van architect G. (eiser) miskend werden door de niet vermelding van de neerlegging van zijn dossier in de notulen". Grieven
- Artikel 46 van de Wet van 26 juni 1963 schrijft de ondertekening voor van de notulen van de raden van de Orde en van de nationale raad van de Orde door de voorzitter en, naargelang het geval, door de secretaris of de twee secretarissen. De ondertekening van de beslissing genomen door een tuchtrechtelijk college heeft tot doel het bestaan van de beslissing te bevestigen en de inhoud ervan te legaliseren en maakt om die reden een substantiële vormvereiste van de beslissing uit welke is voorgeschreven op straffe van nietigheid.
- De raad van beroep van de Orde van architecten stelt vast dat de voor eensluidend verklaarde uittreksels uit de notulen van de vergaderingen van de Raad van de Orde van architecten van de provincie Limburg van 24 februari 2003, 27 oktober 2003, 1 december 2003 en 26 januari 2004 niet ondertekend werden en dat de echtheid, hetzij de overeenstemming tussen het uittreksel en het origineel van de notulen, niet kan worden nagegaan aan de hand van de stukken die zich in het dossier bevinden. De raad van beroep overweegt verder dat, gelet op het feit dat uitdrukkelijk vermeld wordt dat het slechts uittreksels betreft, het origineel ervan wel moet bestaan niettegenstaande het stuk 15 van eiser waaruit zou moeten blijken dat er zich geen enkel document uit het dossier meer bevindt op de zetel van de Provinciale Raad. Volgens de raad van beroep volstaat de niet ondertekening van de genoemde stukken echter niet om te besluiten tot de nietigheid van de procedure omdat eiser zich in essentie enkel zou beklagen over de niet vermelding hierin van zittingsincidenten en alle door hem neergelegde stukken en eiser bovendien niet zou aantonen in welke mate zijn rechten hierdoor werden miskend. Met deze overwegingen en vaststellingen oordeelt de raad van beroep van de Orde van architecten in wezen dat niet kan worden nagegaan of de substantiële vormvereiste van de ondertekening van de notulen geëerbiedigd werd, maar het gebrek aan ondertekening hoe dan ook van geen belang is omdat eiser in essentie enkel het ontbreken van bepaalde vermeldingen in notulen aanklaagt.
- Uit deze overwegingen kon de raad van beroep van de Orde van Architecten niet naar recht afleiden dat de procedure gevoerd voor de raad van de Orde van architecten van de provincie Limburg en de op grond daarvan uitgesproken sententie van 27 januari 2004, welke de raad van beroep bevestigt met overname van de motieven, niet aangetast zijn door nietigheid en het recht van eiser op een eerlijk, tegensprekelijk en openbaar proces niet werd geschonden, nu de raad van beroep in de bestreden sententie zelf vaststelt dat de uittreksels van de notulen niet ondertekend werden en de eerbiediging van de substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste van de ondertekening van de originele notulen niet kan worden gecontroleerd omdat deze uit het dossier zijn verdwenen (schending van artikel 46 van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten, de artikelen 2 en 783, lid 3, van het Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 1 en 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955). In zoverre aan eiser ingevolge het ontbreken van de originelen van de notulen uit het dossier tevens de mogelijkheid werd ontnomen om de regelmatigheid van deze notulen te verifiëren, schendt de bestreden sententie tevens het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 148 en 149 van de gecoördineerde Grondwet ; &§9472; de artikelen 21, ,§1, 25 en 46, lid 1, lid 3 en lid 5, van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten ; &§9472; de artikelen 2, 779, lid 1, 780, lid 1, 2°, 3° en 5°, 780, lid 2, 782 en 783 van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 1 en 6, 1, van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955 ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem". Aangevochten beslissingen De raad van beroep van de Orde van architecten verklaart het hoger beroep van eiser dat er in hoofdorde toe strekt eiser te horen vrijspreken van de tenlastelegging zoals bewezen verklaard in de sententie van de raad van de Orde van architecten te Limburg van 26 januari 2004, desgevallend en voor zover de inhoud van de brief van G. Woonprojecten nog twijfels zou overlaten omtrent de werkelijke verhouding en de werkelijke afspraken tussen de bouwpartners, ambtshalve een getuigenverhoor te bevelen van de heer G. en de heer P., al dan niet in confrontatie met elkaar en met eiser, minstens in de meest ondergeschikte orde voor zover toch bij onmogelijkheid zou worden vastgesteld dat de tenlastelegging geheel of gedeeltelijk bewezen is, de opgelegde tuchtstraf te herleiden, rekening houdende met verzachtende omstandigheden van de zaak en met het gunstige verleden van eiser en alsdan vast te stellen dat er geen aanleiding bestaat voor de tuchtstraf van schorsing en een lagere tuchtstraf is aangewezen onder de vorm van een waarschuwing of ten hoogste een afkeuring, ongegrond op basis van de volgende overwegingen : "Na behandeling heeft de raad op de zitting van 20 november 2003 de zaak in beraad genomen. Zoals blijkt uit de notulen van de vergadering van de raad van 1 december 2003 werd op die datum beraadslaagd over de tuchtvervolging tegen architect G. (eiser) en kwamen de leden van de raad tot een beslissing (zes maanden schorsing), hetgeen genoteerd werd in de notulen. De beslissing werd uitgesproken op de zitting van 26 januari 2004 en januari vastgelegd in een sententie van dezelfde datum. Onterecht gaat architect G. (eiser) ervan uit dat er zodoende twee 'beslissingen' bestaan. Er bestaat immers slechts één beslissing, deze die werd uitgesproken op 26 januari
- De vermelding dat op 1 december 2003 de raad tot een beslissing is gekomen duidt er alleen op dat de raad toen bij de vereiste meerderheid besloten heeft dat de betichting bewezen was en dat die bepaalde tuchtsanctie moest worden opgelegd. Deze 'beslissing' heeft evenwel geen waarde bij gebreke aan formele uitspraak. De middelen die architect G. (eiser) uit voorgaande feiten afleidt zijn dan ook ongegrond. Dat de tuchtsanctie genomen werd met de vereiste meerderheid van twee derden van de raad blijkt uit de bewoordingen van de behoorlijk ondertekende sententie van 26 januari
- Hetzelfde geldt voor wat betreft de uitspraak in openbare zitting. De omstandigheid dat architect G. (eiser) niet in kennis werd gesteld van de datum van de zitting waarop uitspraak zou worden gedaan houdt geen schending in van art. 6 EVRM. Ook in dat verband kan slechts worden vastgesteld dat architect G. (eiser) niet aanduidt waarin zijn rechten van verdediging geschonden werden". Grieven
- Luidens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de in dat wetboek gestelde regels in beginsel van toepassing op alle rechtsplegingen, inclusief deze voor tuchtrechtelijke organen. De met redenen omklede beslissing in tuchtzaken van een provinciale raad van de Orde van architecten dient op straffe van nietigheid te worden genomen met de vereiste twee derden meerderheid van de stemmen van de aanwezige leden (artikel 21, ,§1, en artikel 46, lid 1 en lid 5, Wet tot instelling van de Orde van architecten ; artikel 779, lid 1, en 780, lid 1, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek). De tuchtstraf lastens een lid van de Orde van architecten wordt uitgesproken in openbare zitting (artikel 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955 ; artikel 148 en 149 gecoördineerde Grondwet). De beslissing dient bovendien te worden ondertekend door de leden van de raad die ze hebben uitgesproken en dient de bij wet voorgeschreven vermeldingen te bevatten (artikel 46, lid 3, Wet tot instelling van de Orde van architecten ; 780, lid 1, 2° en 5°, 780, lid 2, 782 en 783 van het Gerechtelijk Wetboek). De beslissing wordt vervolgens onmiddellijk bij aangetekende brief aan de partij en aan de nationale raad betekend (artikel 25 Wet tot instelling van de Orde van architecten ).
- Na te hebben vastgesteld dat uit de notulen van de vergadering van de raad van 1 december 2003 blijkt dat de leden van de raad op die datum bij de vereiste meerderheid beslisten dat de betichting bewezen was en een tuchtsanctie van zes maanden moest worden opgelegd aan eiser, oordeelt de raad van beroep van de Orde van architecten achtereenvolgens dat deze beslissing bij gebrek aan formele uitspraak zonder waarde is en enkel de sententie uitgesproken op de daaropvolgende openbare zitting van 26 januari 2004 als beslissing over de grond van de zaak kan gelden waarbij uit de bewoordingen van deze sententie bovendien blijkt dat de tuchtsanctie met de vereiste meerderheid werd genomen en in openbare zitting werd uitgesproken. Met deze vaststellingen en overwegingen oordeelt de raad van beroep in wezen dat door de raad van de Orde van architecten van de provincie Limburg tijdens de vergadering van 1 december 2003 wel beslist werd over de tenlastelegging en de aangewezen tuchtstraf maar deze beslissing bij gebrek aan formele uitspraak geen waarde als tuchtsanctie kan hebben en de eigenlijke sanctie werd uitgesproken op de daaropvolgende zitting van 26 januari 2004, zodat geen sprake zou zijn van twee achtereenvolgende beslissingen over de grond van de zaak. Uit de sententie van 26 januari 2004 leidt de Raad van beroep tevens af dat de tuchtsanctie met de vereiste meerderheid werd opgelegd en in openbare zitting werd uitgesproken.
- De raad van beroep kon uit deze vaststellingen en overwegingen niet wettig afleiden dat de beslissing genomen tijdens de vergadering van 1 december 2003 geen beslissing over de grond van de zaak betreft op grond van de enkele vaststelling dat deze beslissing op die datum niet formeel werd uitgesproken, aangezien de formele uitspraak van een beslissing in tuchtzaken een afzonderlijke op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste uitmaakt waaraan de tuchtsanctie moet voldoen zodat het gebrek aan formele uitspraak enkel invloed kan hebben op de geldigheid van de beslissing doch niet op de aard daarvan als tuchtsanctie (schending van de artikelen 1 en 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955, de artikelen 148 en 149 van de gecoördineerde Grondwet en artikel 21, ,§1, Wet 26 juni 1963). Door op deze enkele grond te oordelen dat de raad van de Orde van architecten van de provincie Limburg zich geen twee maal over de tenlastelegging en aan eiser op te leggen tuchtstraf heeft uitgesproken, schendt de raad van beroep eveneens het non bis in idem-beginsel. Nu de raad van beroep uit de vaststellingen niet wettig kon afleiden dat de beslissing van 1 december 2003 geen tuchtsanctie betreft doch een beslissing zonder waarde uitmaakt bij gebrek aan formele uitspraak, konden zij hieruit evenmin wettig afleiden dat de beslissing over de tenlastelegging en tuchtstraf in openbare zitting en met de vereiste meerderheid werd uitgesproken alsook met eerbiediging van alle overige vormvereisten evenals de bij wet voorgeschreven vermeldingen en kennisgeving aan de betrokkene, nu de raad van beroep deze beslissing integraal afleidt uit het bestreden oordeel dat enkel de sententie van 26 januari 2004 als enige beslissing over de grond van de zaak dient te voldoen aan deze wettelijke vereisten en uit de notulen van de vergadering van 1 december 2003 niet blijkt dat de op die zitting genomen beslissing aan deze vereisten voldoet, waardoor de raad van beroep de beslissingen van 1 december 2003 en 26 januari 2004 bevestigt met overname van de motieven en zich aldus de nietigheid van deze beslissingen eigen maakt (schending van de artikelen 1 en 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955, de artikelen 148 en 149 van de gecoördineerde Grondwet, de artikelen 779, lid 1, 780, lid 1, 2°, 3° en 5°, 780, lid 2, 782 en 783 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 21, ,§1, 25, 46, lid 1, lid 3 en lid 5, Wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van Architecten ).
- Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 1 en 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955 ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid van wapens tussen partijen. Aangevochten beslissingen De raad van beroep van de Orde van architecten verklaart het hoger beroep van eiser dat er in hoofdorde toe strekt eiser te horen vrijspreken van de tenlastelegging zoals bewezen verklaard in de sententie van de raad van de Orde van architecten te Limburg van 26 januari 2004, desgevallend en voor zover de inhoud van de brief van G. Woonprojecten nog twijfels zou overlaten omtrent de werkelijke verhouding en de werkelijke afspraken tussen de bouwpartners, ambtshalve een getuigenverhoor te bevelen van de heer G. en de heer P., al dan niet in confrontatie met elkaar en met eiser, minstens in de meest ondergeschikte orde voor zover toch bij onmogelijkheid zou worden vastgesteld dat de tenlastelegging geheel of gedeeltelijk bewezen is, de opgelegde tuchtstraf te herleiden, rekening houdende met verzachtende omstandigheden van de zaak en met het gunstige verleden van eiser en alsdan vast te stellen dat er geen aanleiding bestaat voor de tuchtstraf van schorsing en een lagere tuchtstraf is aangewezen onder de vorm van een waarschuwing of ten hoogste een afkeuring, ongegrond op basis van de volgende overwegingen : "De middelen die architect G. (eiser) in conclusies ontwikkelt over de aanwezigheid van de rechtskundig bijzitter in de raad en diens rol in het procesverloop en in de besluitvorming gaan er aan voorbij dat deze rechtskundig bijzitter deel uitmaakt van het rechtscollege dat de raad vormt zodat de vergelijking met de rechtspraak in verband met de aanwezigheid en de rol van het Openbaar Ministerie in de behandeling voor het Hof van Cassatie (of voor de gewone rechtbanken) onterecht is. De omstandigheid dat de rechtskundig bijzitter slechts een raadgevende stem heeft staat de vaststelling niet in de weg dat hij deel uitmaakt van de raad zelf. Zijn deelname aan het beraad, met raadgevende stem, is dan ook niet strijdig met art. 6 EVRM. De onpartijdigheid van de rechtskundig bijzitter wordt niet in het gedrang gebracht door het recht dat hem bij art. 26 Wet van 26 juni 1963 werd toegekend om hoger beroep aan te tekenen tegen de sententies van de raad waarvan hij deel heeft uitgemaakt. Daarbij gaat architect G. (eiser) er onterecht van uit dat de rechtskundig bijzitter een 'tegenpartij' voor hem is. Het is immers niet de taak van de rechtskundig bijzitter die zitting neemt in de raad die over de tuchtvervolgingen uitspraak doet te zorgen voor de tuchtrechtelijke vervolging van de architect". Grieven
- Conform de artikelen 12 en 13, van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten wordt elke raad van de Orde bijgestaan door een rechtskundig bijzitter met raadgevende stem. De raad van de Orde kan slechts geldig beraadslagen indien de voorzitter of de ondervoorzitter en twee derden van de leden aanwezig zijn en indien hij bijgestaan wordt door de in artikel 12 bedoelde rechtskundig bijzitter of plaatsvervangend rechtskundig bijzitter (artikel 16 van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten ). De rechtskundig bijzitter kan bovendien, net zoals de nationale raad en de betrokkene hoger beroep instellen tegen elke beslissing in tuchtzaken van de raad, ook deze beslissingen waarvan hij de beraadslaging vooraf met raadgevende stem heeft bijgewoond (artikel 26, lid 4, van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten ).
- Op grond van artikel 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955, dat eveneens geldt in tuchtzaken, heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij wet is ingesteld.
- Na te hebben vastgesteld dat de rechtskundig bijzitter de beraadslagingen van de raad van de Orde bijwoont met raadgevende stem en tevens over de mogelijkheid beschikt om desgevallend tegen de daaropvolgende beslissing van de betrokken raad hoger beroep in te stellen, oordeelt de raad van beroep dat de aanwezigheid en bijstand bij de beraadslaging van de rechtskundig bijzitter niet strijdig is met het beginsel van artikel 6 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955, omdat de rechtskundig bijzitter deel uitmaakt van de raad zelf en hij niet als tegenpartij kan worden beschouwd aangezien het volgens de raad van beroep niet zijn taak is om te zorgen voor de tuchtrechtelijke vervolging van de betrokken architect.
- De raad van beroep kon op grond van deze overwegingen niet wettig oordelen dat de aanwezigheid en deelname van de rechtskundig bijzitter bij de beraadslagingen van de raad van de Orde waarvan hij deel uitmaakt geen schending inhoudt van het recht op behandeling van de zaak door een onafhankelijke en onpartijdige instantie, nu uit artikel 26, lid 4, van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten blijkt dat de rechtskundig bijzitter de beslissing waarvan hij de beraadslaging met raadgevende stem bijwoonde vervolgens tegen de betrokken architect in hoger beroep aanhangig kan maken waardoor hij in deze beroepsprocedure de hoedanigheid van tegenpartij verkrijgt in relatie tot de betrokken architect (schending van de artikelen 1 en 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955 alsook van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en de gelijkheid van wapens tussen partijen).
- Vierde middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 1 en 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955 ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel van het recht op verdediging. Aangevochten beslissingen De raad van beroep van de Orde van architecten verklaart het hoger beroep van eiser dat er in hoofdorde toe strekt eiser te horen vrijspreken van de tenlastelegging zoals bewezen verklaard in de sententie van de raad van de Orde van architecten te Limburg van 26 januari 2004, desgevallend en voor zover de inhoud van de brief van G. Woonprojecten nog twijfels zou overlaten omtrent de werkelijke verhouding en de werkelijke afspraken tussen de bouwpartners, ambtshalve een getuigenverhoor te bevelen van de heer G. en de heer P., al dan niet in confrontatie met elkaar en met eiser, minstens in de meest ondergeschikte orde voor zover toch bij onmogelijkheid zou worden vastgesteld dat de tenlastelegging geheel of gedeeltelijk bewezen is, de opgelegde tuchtstraf te herleiden, rekening houdende met verzachtende omstandigheden van de zaak en met het gunstige verleden van eiser en alsdan vast te stellen dat er geen aanleiding bestaat voor de tuchtstraf van schorsing en een lagere tuchtstraf is aangewezen onder de vorm van een waarschuwing of ten hoogste een afkeuring, ongegrond op basis van de volgende overwegingen : "De betichting maakt gewag van 'projecten' en heeft aldus niet enkel betrekking op voornoemd appartementsgebouw te Erps-Kwerps. Wel merkt architect G. (eiser) terecht op dat de betichting onnauwkeurig geformuleerd werd aangezien met betrekking tot de bouwwerken gerealiseerd in de verkaveling te Herent (bouw van 9 woningen), NV D. (groep Pelsmaekers) niet optrad als bouwheer maar slechts als verkavelaar van de gronden. De werkelijke bouwheren waren de kopers van de percelen die er zich toe verbonden te bouwen met aannemer G.. In zijn brief aan het Bureau van de Orde dd. 2 sept. 2002 (stuk 15) erkent architect G. (eiser) dat het ter zake gaat om een dossier van de BVBA G. en dat hij (eiser) zijn ereloon aan G. factureerde en ook door deze betaald werd. Ter zitting van de raad van beroep heeft architect G. (eiser) in dat verband toegelicht dat hij (eiser) eerst een overeenkomst maakte met de kandidaat bouwers en een voorontwerp opstelde in functie van hun verlangens waarna de kandidaat bouwers konden beslissen om op basis hiervan verder te werken dan wel af te zien van hun bouwplannen (hetgeen volgens architect G. (eiser) enkel malen ook gebeurd is), in welk geval hij (eiser) hun ereloon voor het voorontwerp aanrekende. Het was na de beslissing van de kandidaat bouwers om verder te werken dat zij een overeenkomst afsloten met aannemer G. waarin ook het ereloon van architect G. (eiser) reeds begrepen was, ereloon dat hem (eiser) ook betaald werd door G.. Aldus is bewezen dat architect G. (eiser) in feite optrad in opdracht van G., de aannemer. Onterecht tracht hij (eiser) de zaken zo voor te stellen als ware G. de bouwheer. Het is immers duidelijk dat de overeenkomst die de bouwheren afsloten met G. geen koop-verkoop is maar een aannemingsovereenkomst. In het licht hiervan is het dan ook aannemelijk dat architect G. (eiser), in strijd met de werkelijkheid, aparte overeenkomsten met betrekking tot zijn opdracht liet tekenen door de bouwheren zoals D. beweert en zoals bevestigd wordt door makelaar L. in een document van 5 april
- De betichting, in zover betrekking hebbend op de handelwijze van architect G. (eiser) in verband met de bouwwerken
(9)op de verkaveling te Herent is dan ook gegrond. Door zich rechtstreeks door de aannemer te laten betalen heeft hij (eiser) zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. Een schorsing van 4 maanden is passend rekening houdend met de gedeeltelijke gegrondheid van de betichting en de ernst van de feiten" (bladzijde 5-6 bestreden sententie). Grieven
- Eenieder heeft bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen het recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdige rechterlijke instantie die bij wet is ingesteld (artikel 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955). Het recht op een eerlijk proces, dat ook in tuchtzaken geldt, impliceert tevens dat de rechtsonderhorige kennis heeft van de precieze feiten die hem ten laste worden gelegd en over de mogelijkheid beschikt hiertegen zijn verweermiddelen aan te voeren.
- De raad van beroep stelt vast dat de betichting welke verwijst naar projecten van de bouwheer D. onnauwkeurig was aangezien D. met betrekking tot de 9 bouwwerken gerealiseerd in de verkaveling te Herent niet als bouwheer maar enkel als verkavelaar optrad, en verklaart de betichting vervolgens gegrond in zoverre zij betrekking had op het optreden van eiser in verband met de bouwwerken op de verkaveling te Herent. Met deze overwegingen en vaststelling oordeelt de raad van beroep in wezen dat, hoewel de betichting onnauwkeurig was in zoverre zij verwijst naar projecten van bouwheer D. terwijl deze enkel voor het project van het appartementsgebouw te Erps-Kwerps optrad als bouwheer en niet met betrekking tot de negen woningen op de verkaveling te Herent, deze onnauwkeurigheid geen schending van artikel 6 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955 en het daarin vervatte recht op een eerlijk proces oplevert en er bijgevolg niet aan in de weg staat dat de raad van beroep dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen verklaart en vervolgens op basis hiervan een tuchtstraf van 4 maanden schorsing oplegt.
- Uit de vaststellingen en overwegingen van de raad van beroep blijkt dat de tenlastelegging enkel verwijst naar projecten waarvoor de NV D. als bouwheer optrad en de NV D. in het project binnen de verkaveling te Herent enkel tussenkwam als verkavelaar. De raad van beroep kon de tenlastelegging in zoverre zij verwijst naar de negen woningen te Herent, bijgevolg niet met overname van de motieven uit de sententie van 26 januari 2004 van de raad van de Orde van de provincie Limburg waardoor de raad van beroep zich deze beslissing eigen maakt, bewezen verklaren zonder miskenning van het recht op een eerlijk proces en het algemeen rechtsbeginsel van het recht op verdediging nu deze tenlastelegging enkel verwijst naar projecten waarvoor de NV D. als bouwheer optrad en blijkens de vaststellingen van de raad van beroep onnauwkeurig werd geformuleerd (schending van de artikelen 1 en 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955 en van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op verdediging). IV. Beslissing van het Hof Derde middel
- Grond van niet-ontvankelijkheid : over de door verweerster opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid van het derde middel : het middel heeft louter betrekking op de in eerste aanleg gevoerde procedure : Overwegende dat het middel gericht is tegen de beslissing die de appèlrechters genomen hebben over de regelmatigheid van de in eerste aanleg gevoerde procedure waarbij zij na de verweermiddelen van eiser te hebben onderzocht, beslist hebben dat er geen gegronde redenen waren om de gevoerde tuchtprocedure en de bestreden beslissing nietig te verklaren ; Dat de grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen ;
- Middel zelf Overwegende dat, krachtens artikel 6, 1, van het EVRM, eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij wet is ingesteld ; Dat de organieke onpartijdigheid niet bestaanbaar is met een stelsel waarin een lid van een rechtsprekend orgaan het recht heeft om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van dat orgaan ; Dat het in dit verband zonder belang is dat dit lid alleen een raadgevende stem heeft ; Overwegende dat elke raad van de Orde krachtens artikel 12 van de wet van 26 juni 1963, wordt bijgestaan door een rechtskundig bijzitter met raadgevende stem die bij de beraadslaging moet aanwezig zijn ; dat de rechtskundig bijzitter krachtens artikel 26, vierde lid, van de wet van 26 juni 1963 over de mogelijkheid beschikt om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de raad waarvan hij deel heeft uitgemaakt ; Dat die toestand niet verenigbaar is met de eisen van het EVRM ; Overwegende dat de raad van beroep oordeelt dat de beroepen beslissing niet nietig is omdat de onpartijdigheid van de rechtskundig bijzitter niet in het gedrang wordt gebracht door het recht dat hem wordt toegekend tegen de beslissing van de raad waarvan hij deel heeft uitgemaakt hoger beroep aan te tekenen en hieruit afleidt dat er geen reden is aan te nemen dat de raad zelf niet onafhankelijk en onpartijdig is ; Dat de raad van beroep aldus zijn beslissing niet naar recht verantwoordt ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN HET HOF, Vernietigt de bestreden beslissing ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing ; Veroordeelt verweerster in de kosten. Verwijst de zaak naar de anders samengestelde raad van beroep van de Orde van de architecten met het Nederlands als voertaal ; De kosten begroot op de som van vijfhonderd zeventig euro drieëndertig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en negen euro zevenenzestig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig december tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051222.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170623.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040401.19 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090424.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div