← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051222.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051222.14 Rolnummer: C.04.0322.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2006-06-01 Raadplegingen: 365 - laatst gezien 2026-07-03 10:02 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De concessie van alleenverkoop is een kader-overeenkomst die zich onderscheidt van de achtereenvolgende koop-verkoopovereenkomsten die worden gesloten tussen concessiegever en concessiehouder in de loop van de uitvoering van de concessieovereenkomst en valt hiermede niet samen; dit neemt evenwel niet weg dat de verplichting van de concessiegever om aan de concessiehouder de goederen te leveren die het voorwerp uitmaken van de concessieovereenkomst rechtstreeks voortvloeit uit die overeenkomst en er een essentieel bestanddeel van uitmaakt als corrolarium van het recht die goederen te verkopen en voor de concessiehouder de overeenkomstige plicht inhoudt die goederen te verkopen teneinde de doelstelling van de concessieovereenkomst te realiseren; wanneer dit laatste impliceert dat de concessiehouder een stock aanlegt spruiten de daarmede verbonden rechten en verplichtingen uit de concessieovereenkomst zelf voort. Thesaurus CAS: KOOP UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - ARBITRAGE - Exequatur BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Algemene beginselen Vrije woorden: KOOP Concessie van alleenverkoop voor onbepaalde tijd Begrip Rechten en verplichtingen van partijen Wettelijke bepalingen: Wet - 27-07-1961 - Art.1,§2 Fiche 2 De bepaling krachtens welke, wanneer een verkoopconcessie voor bepaalde tijd wordt verleend, de partijen geacht worden te hebben ingestemd met een vernieuwing van het contract, behoudens opzegging overeenkomstig de wet, is toepasselijk op elke concessie van bepaalde duur, ook al werd ze "op proef" bedongen

(1).
(1)Zie Doc., Senaat, Buitengewone Zitting 1968, nr 117, 1-2 en Zitting 1968-1969, nr 265, 1-2 en 6-7; zie ook M. WILLEMART & A. DE STRYCKER, De concessieovereenkomst in België, Antwerpen, Kluwer, 1996, 36, nr
  1. Thesaurus CAS: KOOP Vrije woorden: KOOP Concessie van alleenverkoop voor bepaalde tijd Vernieuwing Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 27-07-1961 - Art.3bis,eerst Annotaties Publicaties: R.W. - X; Noot. - 2007-2008, 780 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0322.N GEDRIPLASTICS, naamloze vennootschap, met zetel te 3960 Bree, Toekomststraat 6, ingeschreven in de Kruispuntbank der Ondernemingen, nummer 0414.882.163, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen LATI INDUSTRIA TERMOPLASTICI S.p.a., vennootschap naar Italiaans recht, met zetel te 21040 Vadano Olona (Italië), Via Francesco Baracca 7, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 29 september 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Feiten Blijkens het verzoekschrift kunnen de feiten van de zaak als volgt samengevat worden : In de loop van 1977 werd tussen partijen een concessie van alleenverkoop voor onbepaalde duur afgesloten. Eiseres werd hierbij door verweerster aangesteld als exclusieve verdeler voor de Benelux. Bij brief van 1 september 1987 werd deze overeenkomst door verweerster opgezegd, met ingang van 1 januari
  2. Bij brieven van 10 en 18 december 1987 verklaarde verweerster zich bereid het contract te hernieuwen met een proefperiode van 6 maanden. Bij brief van 18 juli 1994 deelde verweerster aan eiseres mee dat zij een einde wenste te maken aan de contractuele relatie tussen de partijen en dit met ingang van 1 september
  3. Bij exploot van 26 oktober 1994 liet eiseres verweerster dagvaarden voor de Rechtbank van Koophandel te Tongeren tot betaling van een opzeggingsvergoeding, van een vergoeding wegens meerwaarde van het aangebracht cliënteel, van een vergoeding voor kosten gemaakt met het oog op de uitbating van de concessie en van een schadevergoeding wegens niet uitgevoerde bestellingen. Eiseres eiste nog dat verweerster veroordeeld zou worden tot terugname van de stocks en tot betaling van een schadevergoeding wegens schending van het exclusiviteitscontract. Verweerster stelde hierop een aantal tegenvorderingen in. Bij vonnis van 2 mei 1996 verklaarde de Rechtbank van Koophandel te Tongeren zich zonder rechtsmacht en dit met toepassing van artikel 17 van het EEX-Verdrag. Bij verzoekschrift van 3 september 1996 stelde eiseres hoger beroep in tegen dit vonnis. Verweerster stelde incidenteel beroep in. In het bestreden arrest worden het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk en zeer gedeeltelijk gegrond verklaard. De appèlrechters verklaren zich zonder rechtsmacht met betrekking tot de vorderingen tot betaling van een vergoeding wegens niet uitgevoerde bestellingen, tot terugname van de stocks en tot betaling van een schadevergoeding wegens het stilliggen van het kapitaal en winstverlies op de stock. De overige vorderingen van eiseres en van verweerster worden ongegrond verklaard. IV. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
  4. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; artikel 1 van de wet van 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop ; &§9472; artikel 17 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, goedgekeurd bij wet van 13 januari 1971, zoals van kracht voor de wijziging bij het Verdrag van 26 mei 1989 ondertekend te San Sebastian en goedgekeurd bij wet van 10 januari 1997 (hierna artikel 17 van het EEX-Verdrag). Aangevochten beslissingen De appèlrechters beslissen dat zij zonder rechtsmacht zijn om uitspraak te doen over vorderingen van eiseres tot betaling van een vergoeding wegens niet uitgevoerde bestellingen, tot terugname van de stocks en tot betaling van een schadevergoeding wegens het stilliggen van het kapitaal en winstverlies op de stock, op grond van de motieven dat : "A. Rechtsmacht a. In verband met de hoofdvordering
  5. (Eiseres) beoogt met haar hoger beroep in eerste orde de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken over onderhavig geschil te laten vaststellen.
  6. De wet van 27 juni 1961 wordt ingeroepen door (eiseres) inzake de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken. Zij is er evenwel mede akkoord dat het EEX-Verdrag toepassing vindt boven deze wet (zie zittingsblad). Door (verweerster) wordt anderzijds een bevoegdheidsclausule ingeroepen. De kwestie van de rechtsmacht is hier dus een afwegen van drie rechtsbronnen dienaangaande.
  7. De eerste rechter heeft zich 'onbevoegd' verklaard op grond van de motivering, dat er betwisting bestaat tussen partijen over het al dan niet bestaan van een concessieovereenkomst die onder de toepassing van de wet van 27 juni 1961 valt en dat daardoor (omdat hij oordeelde dat niet eerst kon gestatueerd worden over het bestaan van zulke concessieovereenkomst) de bevoegdheidsprincipes van de Wet van 27 juni 1991 buiten beschouwing moeten gelaten worden en enkel de algemene bevoegdheidsprincipes van het EEX-Verdrag hier van toepassing zijn. Deze laatste leiden dan volgens de eerste rechter, meer bepaald door toepassing van artikel 17 van dit verdrag, samen met de bevoegdheidsclausule, tot het besluit van de 'onbevoegdheid'. Evenwel is het principe over het hoofd gezien door de eerste rechter, dat een rechter teneinde zijn 'bevoegdheid' te bepalen zich niet moet richten naar de grond van de zaak, maar zich moet richten naar het 'voorwerp' van de vordering. Voor het bepalen van de bevoegdheid moet immers gekeken worden naar wat als voorwerp gesteld werd in de inleidende dagvaarding, zonder voorafgaand onderzoek van de grond van de zaak. In de inleidende dagvaarding is gesteld dat het in voorliggend geval gaat om een opzegging van een voor onbepaalde tijd verleende concessie van alleenverkoop (exclusieve verkoopsconcessie) en het voorwerp van de vordering was onder meer het bekomen van de vergoedingen die voorzien zijn door de Belgische wet van 27 juli 1961, meer bepaald een 'verbrekingsvergoeding', benevens een meerwaardevergoeding voor cliënteel en een vergoeding voor gemaakte kosten. In tegenstelling tot wat de eerste rechter besliste kunnen de bevoegdheidsprincipes van de wet van 27 juni 1961 en meer bepaald dan artikel 4 van deze wet aldus door (eiseres) mede ingeroepen worden om de 'bevoegdheid' te bepalen.
  8. De verhouding van de drie rechtsbronnen, die hier moeten onderzocht worden inzake de rechtsmacht, kan als volgt geschetst worden. Artikel 4 van de wet van 27 juli 1961 dat stelt dat de benadeelde concessiehouder, in de nader bepaalde omstandigheden omschreven in dit artikel, de concessiegever kan dagvaarden hetzij voor de rechter van zijn eigen woonplaats, hetzij voor de rechter van de woonplaats (zetel) van de concessiegever gaat 'normaal' voor op een ervan afwijkende bevoegdheidsclausule in de concessieovereenkomst. Immers gaat het bij de wet van 27 juli 1961 om een politiewet. Indien het EEX-Verdrag toepassing vindt primeert echter een contractuele bevoegdheidsclausule. Meer bepaald op grond van artikel 17 EEX-Verdrag. Het gemeenschapsrecht gaat immers voor het nationale recht. Indien het EEX-Verdrag toepassing vindt moet bovendien artikel 4 van de wet van 27 juli 1961 ook wijken voor de 'gewone' bevoegdheidsregels van het EEX-Verdrag. Zo er geen geldende bevoegdheidsclausule kan ingeroepen worden, komen dus de artikelen 2 en 5.1° van het EEX-Verdrag ter sprake.
  9. Het EEX-Verdrag is hier van toepassing : niet betwist. Dit maakt dat de bevoegdheidsprincipes van de wet van 27 juni 1961 en meer bepaald dan artikel 4 van de wet, reeds buiten beschouwing kunnen gelaten worden. Het resultaat is hier dus hetzelfde als hetgeen vooropgesteld werd door de eerste rechter, maar is bekomen op grond van andere overwegingen.
  10. In de eerste plaats moet er dus verder gekeken worden naar het bestaan van een geldige bevoegdheidsclausule. De bevoegdheidsclausule ingeroepen door (verweerster) is deze van haar verkoopsvoorwaarden zoals vermeld op haar orderbevestigingen en van haar algemene verkoopsvoorwaarden zoals vermeld op haar facturen. Beide voorwaarden stellen de bevoegdheid van de Rechtbank van Varese (It). Deze bevoegdheidsclausule is geldig en voldoet aan de vereisten van artikel 17 EEX-Verdrag. (Verweerster) verwijst dienaangaande terecht naar artikel
  11. al.
  12. litt. c. Aan het vormvereiste van artikel 17, eerste lid, onder c, van het bedoeld verdrag is immers voldaan, indien in de internationale handel, het zonder bezwaar herhaaldelijk betalen door de ene contractpartij van facturen van de andere contractpartij waarop een voorgedrukte aanwijzing van de bevoegde rechter voorkomt, moet gezien worden als een handelwijze die naar gewoonte overeenstemt met een vorm waarin een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter wordt gesloten en indien deze gewoonte in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen, terwijl tevens de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn van deze gewoonte. Dit is hier het geval. Deze bevoegdheidsclausule is evenwel niet opgenomen in een concessieovereenkomst. Daar een concessieovereenkomst verschillend is van de aan- en verkopen waartoe zij aanleiding geeft, kan deze bevoegdheidsclausule geen invloed hebben op het bepalen van de rechtsmacht inzake de vorderingen van (eiseres) voorzover deze steun vinden in de ingeroepen concessieovereenkomst.
  13. Hier dient bijgevolg vervolgens na te worden gegaan, in hoeverre de vorderingen van (eiseres) steunen op de ingeroepen concessieovereenkomst zelf, dan wel op de aan- en verkopen die er tussen partijen zijn geweest (ongeacht hier de kwestie of deze naar aanleiding van een concessieovereenkomst zijn gebeurd of niet). De vorderingen van (eiseres) in de inleidende dagvaarding zijn te omschrijven als volgt : 1° een 'verbrekingsvergoeding' (artikel 2 van de wet van 24 juli 1961) ; 2° een meerwaardevergoeding voor cliënteel (artikel 3.1° van de wet van 27 juli 1961) ; 3° een vergoeding voor gemaakte kosten (artikel 3.2° van de wet van 27 juli 1961) ; 4° een vergoeding voor beweerde bestellingen die niet zouden zijn uitgevoerd ; 5° een vordering in verband met het terugnemen van stocks en de terugbetaling van de aankoopprijs ervan ; 6° een vergoeding in verband met stilliggen van kapitaal (geïnvesteerd in de stocks) en winstverlies op de stocks ; 7° een vergoeding in verband met de schending van de exclusiviteit. Het is duidelijk dat de 4°, 5° en 6° vorderingen buiten de ingeroepen concessieovereenkomst zelf vallen, maar steunen op de aan- en verkopen die er tussen partijen zijn geweest. Deze 4°, 5° en 6° vorderingen vallen bijgevolg buiten de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken, dit ingevolge de bevoegdheidsclausule". Grieven Artikel 17 van het EEX-Verdrag bepaalt dat indien de partijen een gerecht van een Verdragsluitende Staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, dit gerecht bij uitsluiting bevoegd is. Te dezen stellen de appèlrechters vast dat in het kader van de tussen partijen gesloten concessieovereenkomst geen bevoegdheidsbeding werd afgesloten, doch dat in het kader van de individuele verkoopovereenkomsten die in uitvoering van de concessieovereenkomst werden afgesloten een beding was opgenomen waarin de rechtbank van Varese, Italië, als bevoegde rechtbank werd aangewezen. De appèlrechters beslissen dat de vorderingen van eiseres tot betaling van een vergoeding wegens niet uitgevoerde bestellingen, tot terugname van de stocks en tot betaling van een schadevergoeding wegens het stilliggen van het kapitaal en winstverlies op de stock niet voortvloeien uit de concessieovereenkomst, maar wel uit de individuele verkoopovereenkomsten die in het kader van de concessieovereenkomst werden gesloten en beslissen dat zij geen rechtsmacht hebben om over deze vorderingen te oordelen, gelet op het in de verkoopovereenkomsten opgenomen bevoegdheidsbeding. Aldus verantwoorden de appèlrechters hun beslissing dat zij geen rechtsmacht hebben om uitspraak te doen over voormelde vorderingen niet naar recht, en wel om de volgende redenen. 1.
  14. Eerste onderdeel Eiseres voerde in de gedinginleidende dagvaarding en in haar latere conclusies aan dat er tussen partijen een concessieovereenkomst was afgesloten en dat verweerster eenzijdige contractbreuk pleegde door te weigeren een aantal geplaatste bestellingen uit te voeren. Eiseres vorderde een vergoeding voor de commerciële schade die wegens de niet uitgevoerde bestellingen ontstond. Eiseres voerde nog aan dat verweerster ingevolge deze contractbreuk de voorraden diende terug te nemen en dat zij een vergoeding diende te betalen voor het stilliggen van het kapitaal en winstverlies op dit deel van de stock. Aldus steunde eiseres haar vorderingen op de ingeroepen concessieovereenkomst. Door te beslissen dat deze vorderingen buiten de concessieovereenkomst vallen, maar steunen op de aanen verkopen die er tussen partijen zijn geweest, schenden de appèlrechters de bewijskracht van de gedinginleidende dagvaarding en van de conclusies van eiseres (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Door op grond van deze overwegingen te beslissen dat zij geen rechtsmacht hebben om van de vordering tot betaling van een vergoeding voor beweerde niet-uitgevoerde bestellingen kennis te nemen, gelet op het in de individuele verkoopovereenkomsten vervatte bevoegdheidsbeding, schenden de appèlrechters verder voormelde bepalingen en artikel 17 van het EEX-Verdrag. 1.
  15. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 1, ,§2, van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, is een verkoopconcessie iedere overeenkomst krachtens welke een concessiegever aan een of meer concessiehouders het recht voorbehoudt in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen die hijzelf vervaardigt of verdeelt. In een concessieovereenkomst neemt de concessiegever ten aanzien van de concessiehouder in principe de verplichting op zich om de concessiehouder te bevoorraden. Overeenkomstig artikel 1, ,§2, van de voormelde wet van 27 juli 1961, behoudt de concessiegever aan de concessiehouder immers het recht voor om de producten van de concessiegever te verkopen. De vraag of de concessiegever een dergelijke verplichting op zich genomen heeft en of het niet uitvoeren van bestellingen een tekortkoming aan deze verplichting tot bevoorrading uitmaakt, dient derhalve beoordeeld te worden op grond van de inhoud van de concessieovereenkomst en houdt geen verband met de in het kader van de concessieovereenkomst gesloten individuele verkoopovereenkomsten. Door te beslissen dat het duidelijk is dat de vordering tot betaling van een vergoeding voor beweerde niet uitgevoerde bestellingen buiten de ingeroepen concessieovereenkomst valt, maar steunt op de aanen verkopen die er tussen partijen zijn geweest, schenden de appèlrechters het wettelijk begrip concessieovereenkomst (schending van artikel 1, ,§2, van voornoemde wet van 27 juli 1961) en miskennen zij de verbindende kracht van de concessieovereenkomst en van het in de individuele verkoopovereenkomsten vervatte bevoegdheidsbeding (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek). Door op grond van deze overweging te beslissen dat zij geen rechtsmacht hebben om van de vordering tot betaling van een vergoeding voor beweerde niet-uitgevoerde bestellingen kennis te nemen, gelet op het in de individuele verkoopovereenkomsten vervatte bevoegdheidsbeding, schenden de appèlrechters verder de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 1, ,§2, van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop en 17 van het EEX-Verdrag. 1.
  16. Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 1, ,§2, van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor bepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop is een verkoopconcessie iedere overeenkomst krachtens welke een concessiegever aan een of meer concessiehouders het recht voorbehoudt in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen die hijzelf vervaardigt of verdeelt. De concessieovereenkomst houdt voor de concessiehouder in principe een verplichting in om een voorraad aan te leggen. De vraag of de concessiegever bij beëindiging van de concessieovereenkomst de door de concessiehouder aangelegde voorraad dient terug te nemen, dan wel te vergoeden, maakt dan ook een vraag uit die beoordeeld dient te worden op grond van de inhoud van de concessieovereenkomst en houdt geen verband met de in het kader van deze concessieovereenkomst afgesloten individuele verkoopovereenkomsten. Ook de vraag of de concessiegever bij het beëindigen van de concessieovereenkomst gehouden was tot betaling van een schadevergoeding wegens het stilliggen van het kapitaal en winstverlies op de stock dient beoordeeld te worden op grond van de inhoud van de concessieovereenkomst zelf, en houdt geen verband met de individuele verkoopovereenkomsten. Door te beslissen dat de bevoegdheidsclausules die opgenomen waren in de individuele verkoopovereenkomsten van toepassing zijn op de vorderingen tot terugname van de stocks en tot betaling van een schadevergoeding wegens het stilliggen van het kapitaal en winstverlies op de stock, hoewel deze vorderingen voortvloeien uit de beëindiging van de concessieovereenkomst zodat zij op grond van deze concessieovereenkomst beoordeeld dienen te worden, en geen betrekking hebben op de individuele verkoopovereenkomsten, schenden de appèlrechters de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 1, ,§2, van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop en 17 van het EEX-Verdrag.
  17. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 3bis van de wet van 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop. Aangevochten beslissingen De appèlrechters verklaren de vorderingen van eiseres tot betaling van een opzeggingsvergoeding, tot betaling van een meerwaardevergoeding voor cliënteel, tot betaling van een vergoeding voor gemaakte kosten en tot betaling van een vergoeding in verband met de schending van de exclusiviteit ongegrond, op grond dat niet blijkt dat er op het ogenblik van het beëindigen van de tussen partijen bestaande overeenkomst, er tussen partijen nog een overeenkomst van concessie van alleenverkoop in de zin van de wet van 27 juli 1961 bestond. De appèlrechters steunen hun beslissing op de volgende overwegingen : "E. Grond van de hoofdvordering
  18. Het wordt niet betwist door (verweerster) dat er een exclusieve concessieovereenkomst bestond met (eiseres) in de periode 1977 tot 31 december
  19. (Verweerster) houdt echter voor dat deze overeenkomst beëindigd werd per 31 december 1987, ingevolge haar brief van 1 september
  20. De stelling van (eiseres) is dat er nadien op deze beëindiging werd teruggekomen door (verweerster) en dat de eerdere overeenkomst in haar geheel werd hernomen.
  21. De vraag is dus of er op het moment van de definitieve beëindiging van de 'relatie' tussen partijen nog een exclusieve concessieovereenkomst tussen hen bestond.
  22. De brief van 1 september 1987 houdt een verwijt in over het aankopen van producten door (eiseres) bij de concurrentie van (verweerster). De brief eindigt met de woorden : '... het hierboven vermeld contract, definitief aflopend op 31 december 1987'. De bedoeling van (verweerster) werd nogmaals verduidelijkt in een bericht van 10 november 1987 aan (eiseres), hetwelk eindigt met de woorden : 'Vanaf 1 januari 1988 af zult u geen exclusieve agent van LATI voor Benelux meer zijn. Onthoudt dit.' Op 10 december 1987 heeft (eiseres), in een brief aan (verweerster) de aan haar gerichte verwijten 'ten zeerste' beleden en om verontschuldiging gevraagd voor haar onvolkomenheden (' ... we confess to the utmost what is happened and we kindly beg you to apologize us for the passed imperfections'). In die brief wordt ook om 'vergeving' gevraagd voor de begane fouten (' ... to be pardoned for our mistakes') en om een terugkomen op de maatregelen (' ... that the intended measurements could be nullified').
  23. Hier kan benadrukt worden dat de huidige vorderingen van (eiseres) niet gaan over de periode voor 31 december 1987, noch over de toen gegeven opzegging. (Eiseres) heeft trouwens met de laatst aangehaalde brief alle discussie uitgesloten over de haar door (verweerster) verweten feiten en over de juistheid van de gegeven opzegging.
  24. Na dit laatste schrijven van 10 december 1987 komt er een 'toegeving' vanwege (verweerster). Reeds onderaan dit schrijven verwoordde (verweerster) haar intern genomen beslissing : 'wij hernemen voor een proefperiode van zes maanden' ('riprendiamo con prova di 6 mesi'). Dit ondanks het feit dat de houding van (eiseres) niet volledig geapprecieerd werd, want in de rand van dit schrijven werd tevens een grove verwensing aan het adres van (eiseres) genoteerd ('figlio di p...'). De beslissing van (verweerster) werd kenbaar gemaakt aan (eiseres) per bericht van 18 december
  25. Daarin staat : 'Wij verwijzen naar uw brief van 10 december 1997 en wij delen u mede dat wij bereid zijn om het contract te hernieuwen ('to renew') met een proefperiode van zes maanden. Wij wachten op uw bevestiging'. De bevestiging van (eiseres) volgde op 21 december 1987 : 'Wij zijn verheugd te horen dat onze relatie zal voortgezet worden ('will be continued')'. Op deze bevestiging kwam vanwege (verweerster) geen reactie om de inhoud ervan te bekritiseren.
  26. (Eiseres) kan gevolgd worden waar zij stelt dat daardoor het 'oude' contract gewoon werd 'hernomen', zij het voor een proef van zes maanden. (Verweerster) kan dus niet gevolgd worden waar zij voorhoudt, dat er in deze proefperiode geen exclusieve verkoopsconcessie aan (eiseres) werd verleend. De gewisselde briefwisseling spreekt ondubbelzinnig over een hernieuwen van 'het contract' voor zes maanden en over een 'voortzetten van de relatie', niet over een gewijzigd contract. Anderzijds kan (eiseres) niet gevolgd worden in haar bewering, dat de beëindiging van de overeenkomst werd 'ingetrokken' door (verweerster). (Verweerster) spreekt klare taal als ze zegt dat het contract 'hernieuwd' wordt. Een 'hernieuwen' is een handeling die na een 'afsluiten' gebeurd. De vraag is echter wat er gebeurde na deze zes maanden. Op te merken valt, dat er duidelijk geen stipulatie overeengekomen was, die een automatisme inhield waardoor het 'contract op proef' een definitief contract werd als er geen tegenbericht werd gegeven. Het ging niet om een contract van onbepaalde duur met een clausule in verband met een 'proefperiode', maar om een speciale hernieuwing 'op proef' van een eerder beëindigd contract, waardoor er een contract van bepaalde termijn (zes maanden) ontstond. Logisch gezien waren er dus vier mogelijkheden : Ofwel het contract van exclusieve verkoopsconcessie geldend voor zes maanden als beëindigd beschouwen, ofwel dit contract verder laten lopen in de vorm van een contract voor onbepaalde of bepaalde termijn, ofwel een gewijzigd contract van exclusieve verkoopsconcessie aangaan, ofwel een andere vorm van relatie aangaan. Het is ook onmiskenbaar dat de beslissing terzake in handen van (verweerster) lag, die de proefperiode had gesteld.
  27. Door (verweerster) werd er duidelijk geopteerd voor een gewijzigd contract van exclusieve verkoopsconcessie. Dit laatste dan ingaande na het verloop van de proefperiode, zijnde vanaf 1 juli
  28. Bewijs daarvan ligt voor in de vorm van een voorstel van schriftelijke overeenkomst. Dit werd aan (eiseres) toegezonden door (verweerster) op 4 juli 1988 (stuk 8 (verweerster) : ontwerp overeenkomst gedateerd 1 juli 1988) en nogmaals in een definitieve versie op 7 november 1988 (stuk 8 (eiseres) : ontwerp overeenkomst ook gedateerd 1 juli 1988). Dit ontwerp voorzag onder andere in een uitdrukkelijk verbod opgelegd aan (eiseres) om op enigerlei wijze concurrerende producten te commercialiseren. Het ontwerp werd niet ondertekend door (eiseres). Zij kon er zich niet met akkoord verklaren. Er is dus geen gewijzigd contract van exclusieve verkoopsconcessie tot stand gekomen, zoals (verweerster) wilde. De redenen van deze weigering door (eiseres) doen hier niet terzake. Het besluit hieruit kan niet zijn, dat 'oude' contract van exclusieve verkoopsconcessie dan automatisch verder liep. Zie dienaangaande hoger. Het besluit moet zijn dat er geen contract van exclusieve verkoopsconcessie meer bestond tussen partijen. Dit geldt als bewezen door vermoeden. (Verweerster) kan niet vermoed worden te hebben afgezien van haar stelling, dat zo er nog exclusiviteit zou verleend worden aan (eiseres) er dan een overeenkomst moest afgesloten worden, die haar betere waarborgen bood in verband met een getrouwe houding van (eiseres). Het kan daarbij nog benadrukt worden dat de plooien tussen partijen niet waren gladgestreken op het moment van de 'toegeving' van (verweerster) in verband met 'het proefcontract' : zie hoger de vermelde 'grove verwensing'. Het feit dat er dienaangaande geen briefwisseling tussen partijen voorligt is bijgevolg zonder belang.
  29. (Eiseres) verwijst nog tevergeefs naar een aantal zaken om haar stelling van het verderzetten van het oude contract van exclusieve verkoopsconcessie te bewijzen. De vermelding van (eiseres) in brieven en brochures uitgaande van (verweerster) als haar 'agent' of als 'algemene agent en verdeler' ('agent général et distributeur'), bewijst nog geen exclusiviteit. Zelfs het feit dat er in deze brieven sprake is van 'uw markten' (' your markets') bewijst nog geen exclusiviteit op die markten. Een vraag naar informatie uitgaande van (verweerster), hoe gedetailleerd ook, is nog geen bewijs van de bedoelde exclusiviteit. De formulering van de uiteindelijke beëindiging van de relatie door (verweerster), in haar schrijven van 18 juli 1994, met verwijzing naar de Europese wetgeving, bewijst het hebben bestaan van een contract van exclusieve verkoopsconcessie ook niet. Immers is er geen Europese wetgeving in verband met contracten van exclusieve verkoopsconcessie. De stelling van (verweerster) dat zij daarmede de Richtlijn in verband met de handelsagenten voor ogen had, is aan te nemen. Het weze daarbij onmiddellijk aangestipt dat de vordering van (eiseres) niet steunt op een hoedanigheid van handelsagent.
  30. De stelling van (eiseres) in verband met de exclusiviteit wordt dus niet bewezen. Daar (eiseres) zich enkel steunt voor haar vorderingen op de wet van 27 juni 1961, is de kwestie rond de wijze van de uiteindelijke beëindiging van de relatie door (verweerster) niet aan de orde. Deze beëindiging moet immers niet beoordeeld worden naar conformiteit aan de wet van 27 juni
  31. Het besluit is bijgevolg dat de 1°, 2°, 3° en 7° vorderingen van (eiseres) ongegrond zijn". Grieven Artikel 3bis, eerste lid, van de wet van 27 juli 1961 bepaalt dat wanneer een aan deze wet onderworpen verkoopconcessie voor bepaalde tijd wordt verleend, de partijen geacht worden te hebben ingestemd met een vernieuwing van het contract, hetzij voor onbepaalde tijd, hetzij voor de in een eventueel beding van stilzwijgende verlenging vastgestelde tijd, tenzij zij bij een ter post aangetekende brief ten minste drie maanden en ten hoogste zes maanden vóór de overeengekomen termijn opzegging hebben gegeven. Uit deze bepaling volgt dat de vernieuwing van de voor bepaalde tijd aangegane verkoopconcessie van rechtswege plaatsvindt, behoudens wanneer de overeenkomst werd opgezegd overeenkomstig de in voormeld artikel 3bis vervatte voorwaarden. De beëindiging van een concessieovereenkomst die voor bepaalde tijd werd verleend, met inbegrip van een overeenkomst op proef, kan derhalve slechts worden bewezen aan de hand van een ter post aangetekende brief houdende opzegging van deze overeenkomst binnen de in voormelde bepaling vervatte termijn. Terzake stellen de appèlrechters vast dat er tussen partijen een concessie van alleenverkoop in de zin van de wet van 27 juli 1961 bestond in de periode vanaf 1977 tot 31 december 1987, dat er vanaf 1 januari 1988 een nieuwe concessie van alleenverkoop voor bepaalde tijd "op proef" tot stand kwam voor de duur van zes maanden en dat er bij gebrek aan akkoord tussen de partijen over een nieuwe overeenkomst op het einde van de proefperiode, de concessie van alleenverkoop op dat ogenblik beëindigd werd. Deze beëindiging van de concessie van alleenverkoop wordt door de appèlrechters als bewezen aangenomen op grond van vermoedens. Aldus stellen de appèlrechters vast dat de voor bepaalde tijd gesloten concessie van alleenverkoop beëindigd werd, zonder dat de bij artikel 3bis van de wet van 27 juli 1961 vereiste opzegging gegeven werd. Door aldus te beslissen schenden de appèlrechters artikel 3bis van de wet van 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop. IV. Beslissing van het Hof
  32. Eerste middel 1.
  33. Tweede onderdeel Overwegende dat, overeenkomstig artikel 1, ,§2, van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, een verkoopconcessie iedere overeenkomst is krachtens welke een concessiegever aan een of meer concessiehouders het recht voorbehoudt in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen, die hijzelf vervaardigt en verdeelt ; Dat dergelijke verkoopconcessie een kader-overeenkomst is die zich onderscheidt van de achtereenvolgende koop-verkoopovereenkomsten die worden gesloten tussen concessiegever en concessiehouder in de loop van de uitvoering van de concessieovereenkomst en hiermede niet samen valt ; Dat dit evenwel niet wegneemt dat de verplichting van de concessiegever om aan de concessiehouder de goederen te leveren die het voorwerp uitmaken van de concessieovereenkomst, rechtstreeks voortvloeit uit die overeenkomst en er een essentieel bestanddeel van uitmaakt als corrolarium van het recht die goederen te verkopen ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat :
  34. de betwisting tussen partijen een beweerde exclusieve concessieovereenkomst betreft ;
  35. de vordering van eiseres in de inleidende dagvaarding, onder meer, te omschrijven is als "een vergoeding voor beweerde bestellingen die niet zouden zijn uitgevoerd" ; Dat de appèlrechters vervolgens oordelen dat de sub 2 omschreven vordering buiten de ingeroepen concessieovereenkomst zelf valt, maar steunt op de aan- en verkopen die er tussen partijen zijn geweest en dat ze bijgevolg buiten de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken valt ingevolge de bevoegdheidsclausule in de verkoopsvoorwaarden van verweerster ; Dat zij door aldus te oordelen artikel 1, ,§2, van de wet van 27 juli 1961 schenden ; Dat het onderdeel gegrond is ; 1.
  36. Derde onderdeel Overwegende dat, overeenkomstig artikel 1, ,§2, van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, een verkoopconcessie iedere overeenkomst is krachtens welke een concessiegever aan een of meer concessiehouders het recht voorbehoudt in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen, die hijzelf vervaardigt en verdeelt ; Dat dergelijke verkoopconcessie een kader-overeenkomst is die zich onderscheidt van de achtereenvolgende koop-verkoopovereenkomsten die worden gesloten tussen concessiegever en concessiehouder in de loop van de uitvoering van de concessieovereenkomst en hiermede niet samen valt ; Dat dit evenwel niet wegneemt dat de verplichting van de concessiegever om aan de concessiehouder de goederen te leveren die het voorwerp uitmaken van de concessieovereenkomst, voor de concessiehouder de overeenkomstige plicht inhoudt die goederen te verkopen teneinde de doelstelling van de concessieovereenkomst te realiseren ; Dat wanneer dit laatste impliceert dat de concessiehouder een stock aanlegt, de daarmede verbonden rechten en verplichtingen uit de concessieovereenkomst zelf voortspruiten ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat :
  37. de betwisting tussen partijen een beweerde exclusieve concessieovereenkomst betreft ;
  38. de vorderingen van eiseres in de inleidende dagvaarding, onder meer, te omschrijven zijn als "5° een vordering in verband met het terugnemen van stocks en de terugbetaling van de aankoopprijs ervan" en als "6° een vergoeding in verband met stilliggen van kapitaal (geïnvesteerd in de stocks) en winstverlies op de stocks" ; Dat de appèlrechters vervolgens oordelen dat de sub 2 omschreven vorderingen buiten de ingeroepen concessieovereenkomst zelf vallen, maar steunen op de aan- en verkopen die er tussen de partijen zijn geweest en dat ze bijgevolg buiten de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken vallen ingevolge de bevoegdheidsclausule in de verkoopvoorwaarden van verweerster ; Dat zij aldus artikel 1, ,§2, van de wet van 27 juli 1961 schenden ; Dat het onderdeel gegrond is ;
  39. Tweede middel Overwegende dat, luidens artikel 3bis, eerste lid, van de Alleenverkoopwet, wanneer een aan deze wet onderworpen verkoopconcessie voor bepaalde tijd wordt verleend, de partijen geacht worden te hebben ingestemd met een vernieuwing van het contract, hetzij voor onbepaalde tijd, hetzij voor de in een eventueel beding van stilzwijgende verlenging vastgestelde tijd, tenzij zij bij een ter post aangetekende brief ten minste drie maanden en ten hoogste zes maanden voor de overeengekomen termijn opzegging hebben gegeven ; Dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 april 1971 waarbij dit artikel werd ingevoegd in de Alleenverkoopwet, blijkt dat die wettelijke bepaling, die van dwingend recht is, beoogt te verhinderen dat de concessiehouder verstoken blijft van de bescherming die de wet hem biedt door het afsluiten van achtereenvolgende concessieovereenkomsten van bepaalde duur ; Dat hieruit volgt dat voormeld artikel 3bis van toepassing is op elke concessie van bepaalde duur, ook al werd zij "op proef" bedongen ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat :
  40. de bestaande concessieovereenkomst voor onbepaalde duur na haar beëindiging werd "hernieuwd" voor een periode van zes maanden gaande van 1 januari 1988 tot 1 juli 1988, waardoor een overeenkomst van bepaalde duur ontstond ;
  41. die concessieovereenkomst van bepaalde duur werd bedongen "op proef" ;
  42. niet werd bedongen dat dit contract op proef na verloop automatisch een definitief contract werd bij gebrek aan tegenbericht ; Dat de appèlrechters vervolgens oordelen dat er na het verstrijken van de periode van zes maand geen exclusieve concessieovereenkomst meer bestond op grond van vermoedens geput uit de omstandigheid dat "er dus geen gewijzigd contract van exclusieve verkoopconcessie tot stand (is) gekomen, zoals ( verweerster) wilde" en dat "(verweerster) niet (kan) vermoed worden te hebben afgezien van haar stelling dat zo er nog exclusiviteit zou verleend worden aan (eiseres) er dan een overeenkomst moest afgesloten worden, die haar betere waarborgen bood in verband met een getrouwe houding van (eiseres)" ; Dat de appèlrechters door aldus te oordelen, artikel 3bis van Alleenverkoopwet schenden ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat de Belgische rechtbanken zonder rechtsmacht zijn met betrekking tot de vorderingen van eiseres betreffende een vergoeding voor beweerde bestellingen die niet zouden zijn uitgevoerd, de terugname en terugbetaling van de stocks, de vergoeding in verband met het stilliggen van kapitaal geïnvesteerd in de stocks en winstverlies op de stocks, het de vordering van eiseres voor het overige afwijst en uitspraak doet over de kosten ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitter Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig december tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051222.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100430.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.