← België

ECLI:BE:CASS:2005:CONC.20050517.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:CONC.20050517.2 Rolnummer: P.04.1571.N Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Strafrecht Invoerdatum: 1970-01-01 Raadplegingen: 568 - laatst gezien 2026-07-04 10:15 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050517.2 Fiches 1 - 2 Het verbod om bepaalde functies, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, bepaald bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr 22 van 24 oktober 1934, was vroeger een ontzetting bij wijze van veiligheidsmaatregel, maar is thans, sinds de wijziging bij wet van 2 juni 1998, een ontzetting bij wijze van bijkomende straf en kan derhalve enkel worden opgelegd voor feiten gepleegd na de inwerkingtreding van voornoemde wet

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Strafzaken - Artikel 1, koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 - Beroepsverbod - Wetswijziging - Omzetting van het verbod van rechtswege in een facultatief verbod waarvan de strafrechter de duur bepaalt - Aard van het gewijzigde verbod - Nieuwe bijkomende straf - Veroordeling - Wettigheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van strafwetten Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Artikel 1, koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 - Beroepsverbod - Wetswijziging - Omzetting van het verbod van rechtswege in een facultatief verbod waarvan de strafrechter de duur bepaalt - Aard van het gewijzigde verbod - Nieuwe bijkomende straf - Veroordeling - Wettigheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van strafwetten Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. DUINSLAEGER, Cass., 17 mei 2002, AR P.04.1571.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Strafzaken - Artikel 1, koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 - Beroepsverbod - Wetswijziging - Omzetting van het verbod van rechtswege in een facultatief verbod waarvan de strafrechter de duur bepaalt - Aard van het gewijzigde verbod - Nieuwe bijkomende straf - Veroordeling - Wettigheid Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Artikel 1, koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 - Beroepsverbod - Wetswijziging - Omzetting van het verbod van rechtswege in een facultatief verbod waarvan de strafrechter de duur bepaalt - Aard van het gewijzigde verbod - Nieuwe bijkomende straf - Veroordeling - Wettigheid Tekst van de conclusie P.04.1571.N Advocaat-generaal P. Duinslaeger heeft in hoofdzaak gezegd: (…) 4. Het derde middel heeft betrekking op de veroordeling van eiser tot het beroepsverbod, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934, betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, zoals gewijzigd bij wet van 2 juni 1998. 5. In het eerste onderdeel van het derde middel voert eiser een schending van artikel 2, eerste lid, Strafwetboek en van artikel 7.1 van het E.V.R.M. evenals een miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake de niet-terugwerkende kracht van de strafwet aan, omdat uit de aard van de wijzigingen die de wet van 2 juni 1998 aan het beroepsverbod heeft aangebracht, volgt dat de appèlrechters deze bijkomende straf niet mochten toepassen op de aan eiser ten laste gelegde feiten, die dateren van vóór de inwerkingtreding van de wijzigende wet op 1 september 1998. De vraag of het beroepsverbod, zoals dit thans geregeld is, door de appèlrechters kon worden uitgesproken, vereist een onderzoek van de aard van dit beroepsverbod in vergelijking met de voorheen bestaande toestand. Vóór de wijziging bij wet van 2 juni 1998, gold het beroepsverbod van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 van rechtswege en voor het leven, zonder dat er enige specifieke rechterlijke tussenkomst vereist was
(1). Omwille van deze specifieke karakteristieken werd dit beroepsverbod algemeen aanzien als een beveiligingsmaatregel ter bescherming van derden en niet als een straf of een strafmaatregel
(2). Sinds de wijziging bij wet van 2 juni 1998, bepaalt het artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 dat de rechter, wanneer ook aan de andere in dat artikel opgesomde voorwaarden is voldaan, de veroordeling gepaard kan doen gaan met een beroepsverbod, waarvan hij de duur vaststelt, zonder dat die duur minder dan drie jaar of meer dan tien jaar mag bedragen. Sinds deze wetswijziging voorziet het koninklijk besluit nr. 22 dus in een door de strafrechter facultatief uit te spreken beroepsverbod. Op grond van de parlementaire werkzaamheden, die leidden tot de wet van 2 juni 1998, en omwille van de precieze aard van dit nieuwe beroepsverbod oordeelde de rechtsleer al vrij vlug dat dit beroepsverbod niet langer kon aanzien worden als een beveiligingsmaatregel, maar als een bijkomende straf
(3). Het Hof volgde deze stelling in zijn arrest van 2 juni 1999
(4), waar geoordeeld werd dat het beroepsverbod, sinds de wijziging bij wet van 2 juni 1998, als bijkomende straf moet worden aanzien en dus niet kan worden toegepast op feiten die gepleegd zijn vóór de inwerkingtreding van die wet. Het Hof geeft in zijn arrest van 2 juni 1999, uitgaande van de traditionele benadering van het probleem van de toepassing van de wet in de tijd, een pasklare oplossing voor het probleem dat ons thans bezighoudt. Wanneer het “oude” beroepsverbod een veiligheidsmaatregel is en het “gewijzigde” beroepsverbod daarentegen moet aanzien worden als een bijkomende straf, dan kan die bijkomende straf, die “nieuw” is, niet opgelegd worden voor feiten die gepleegd werden vóór de inwerkingtreding van de wet die deze bijkomende straf instelt: de artikelen 2 Strafwetboek, 7.1 E.V.R.M. en 15.1 I.V.B.P.R. houden immers in dat geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd. Anderzijds kan uiteraard ook geen toepassing meer gemaakt worden van het “oude” automatische beroepsverbod, aangezien deze beveiligings- of beschermingsmaatregel niet meer bestond op het ogenblik van de veroordeling
(5). Deze regels lijken niet voor kritiek vatbaar, maar toch was er een dissonant geluid, toen het Hof bij arrest van 14 mei 2002
(6)oordeelde dat, ongeacht de aard van het beroepsverbod, voor feiten die vóór de wetswijziging van 2 juni 1998 werden gepleegd, er overeenkomstig artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, slechts een voor de beklaagde meer gunstige nieuwe bepaling met betrekking tot een op het ogenblik van de feiten reeds bestaande maatregel of straf wordt toegepast. Door dit arrest wordt aan de toch fundamentele en principiële regel van de niet-retroactiviteit van de nieuwe strafwet een mildering aangebracht die door de wetgever niet werd voorzien, aangezien het artikel 2 Strafwetboek niets zegt over de hypothese, waarin een vroegere beveiligingsmaatregel later vervangen wordt door een straf. Het Hof oordeelde herhaaldelijk dat artikel 2 Strafwetboek enkel betrekking heeft op de eigenlijke straffen en niet op beveiligingsmaatregelen
(7). Het arrest van 14 mei 2002 wijkt af van deze vaststaande rechtspraak en past vervolgens, ten onrechte abstractie makend van de aard van dit “nieuwe” beroepsverbod, artikel 2, tweede lid, Strafwetboek toe. Indien de vroegere rechtspraak met betrekking tot het toepassingsgebied van artikel 2 Strafwetboek ware gevolgd, had het Hof wel degelijk rekening moeten houden met de aard van het “oude” beroepsverbod, meer bepaald met de omstandigheid dat dit “oude” beroepsverbod aanzien moet worden als een beveiligingsmaatregel. De regel die diende toegepast te worden kon dan ook geen betrekking meer hebben op het principe van de “meest gunstige wet” van artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, maar enkel nog op het principe van artikel 2, eerste lid, Strafwetboek, dat bepaalt dat geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die niet bij wet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd. Het lijkt mij dan ook aangewezen dat het Hof het standpunt, dat ingenomen werd in het geïsoleerde arrest van 14 mei 2002, verlaat, om opnieuw aansluiting te zoeken bij de eerdere rechtspraak van 2 juni 1999, die gestoeld is op de traditionele zienswijze. Wanneer deze eerdere rechtspraak gevolgd wordt, kan enkel vastgesteld worden dat het eerste onderdeel van het derde middel gegrond is. 6. In het tweede onderdeel van het derde middel wordt aangevoerd dat de appèlrechters het algemeen rechtsbeginsel van het recht verdediging miskennen en het artikel 6 E.V.R.M. schenden door eiser, zonder vordering van het openbaar ministerie en zonder hem uit te nodigen zich te verdedigen, als bijkomende straf een facultatief beroepsverbod op te leggen. Bijkomend wordt voorgesteld een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof, waarbij een vergelijking gemaakt wordt tussen de facultatieve bijkomende straf van het beroepsverbod en de bijkomende facultatieve verbeurdverklaring van de artikelen 43bis en 43quater Strafwetboek, waar wel een schriftelijke vordering van het openbaar ministerie vereist is, zodat de beklaagde uitdrukkelijk uitgenodigd wordt zich hierover te verdedigen. Dit probleem is bijzonder interessant, in de mate dat de discussie die opgeroepen wordt betrekking heeft op de vraag of de rechter een door de wet voorziene bijkomende straf kan opleggen, die niet bepaald is in de wetsbepalingen die het misdrijf omschrijven, maar in een bijzondere wet, zonder dit specifieke punt in het debat te brengen en zonder dat er op dat punt een vordering was van het openbaar ministerie. De vraag rijst met name of de beklaagde in die omstandigheden de mogelijkheid had zich op dat punt te verdedigen. Indien Uw Hof zou oordelen dat er dient te worden geantwoord op dit tweede onderdeel, kan alvast vastgesteld worden dat ook het Arbitragehof in zijn arresten nr. 57/98 van 27 mei 1998 (overweging B.5) en nr. 87/98 van 15 juli 1998
(8)(overweging B.7), waarbij telkens geoordeeld werd dat de artikelen 1 en 1bis van het K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934, zoals deze bestonden vóór de wetswijziging van 2 juni 1998, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, kritiek had op het feit dat het beroepsverbod niet diende gevorderd te worden door het openbaar ministerie en dat er geen debat over diende te worden gevoerd. Ook bij de parlementaire voorbereiding werd aan de mogelijkheid van een debat gedacht
(9). Tenslotte zijn ook sommige auteurs van oordeel dat de overstap van het automatische en definitieve karakter van het beroepsverbod naar een facultatief en tijdelijk beroepsverbod een gunstige evolutie is, omdat aldus aan de beklaagde de mogelijkheid wordt geboden om zich ook hierover in een contradictoir debat naar behoren te verdedigen
(10). Niets belet uiteraard dat de beklaagde zich verdedigt omtrent het feit dat al dan niet de bijkomende straf van het beroepsverbod moet worden opgelegd of omtrent de duur van deze ontzetting, net zoals hij dat ook kan doen wat de aard, de duur of de modaliteiten van de hoofdstraf betreft. Dit houdt, naar mijn oordeel, evenwel niet in dat daaruit moet worden afgeleid dat deze mogelijkheid van verdediging meteen ook impliceert dat de beklaagde noodzakelijkerwijze vooraf moet worden ingelicht, hetzij door de dagvaarding, hetzij door de vordering van het openbaar ministerie, hetzij door de rechter ter terechtzitting, van de wettelijk voorziene eventualiteit dat een dergelijk beroepsverbod kan worden opgelegd. Is het onderscheid dat aldus zou gemaakt worden, waarbij de beklaagde vooraf dient te worden verwittigd, door de inleidingsakte, door het openbaar ministerie of door de rechter ter terechtzitting, van het feit dat eventueel een bijkomende straf onder de vorm van een beroepsverbod kan worden opgelegd, teneinde hieromtrent een (specifiek) debat te openen, wel verantwoord wanneer anderzijds dient te worden vastgesteld dat diezelfde verplichting niet bestaat ten aanzien van de hoofdstraffen die op diezelfde misdrijven, die tot een beroepsverbod aanleiding kunnen geven, zijn gesteld en dit, louter en alleen omwille van het gegeven dat deze facultatieve bijkomende straf niet voorzien is in de wetsbepalingen die het misdrijf omschrijven, maar in een bijzondere wet? Moet deze verplichting dan ook niet gelden voor andere vormen van facultatieve bijkomende straffen onder de vorm van ontzettingen, waarvan voorbeelden te vinden zijn in de artikelen 32 en 33 Strafwetboek? Geldt deze verplichting enkel wanneer de facultatieve bijkomende straf in een bijzondere wet te vinden is of moet deze verplichting eveneens worden nageleefd wanneer deze sanctie in een ander wetboek moet gezocht worden of in een ander artikel van dezelfde wet? Wordt de beklaagde niet geacht te weten of, minstens te moeten weten, welke sancties, weze het facultatieve bijkomende straffen, de wet stelt op het hem verweten misdrijf? Volstaat het niet voor de integrale eerbiediging van het recht van verdediging dat de beklaagde in alle duidelijkheid wordt ingelicht omtrent het feit en omtrent het misdrijf waarvoor hij vervolgd wordt, zonder dat de verschillende wetsbepalingen die het feit strafbaar stellen worden opgegeven
(11)? Wordt de beklaagde wel “verschalkt” wanneer de rechter, die hem schuldig verklaart, naderhand niets meer doet dan de door de wet zelf voorziene hoofdstraffen en bijkomende straffen toe te passen? Is het recht van verdediging dan wel geschonden, nu aangenomen wordt dat het niet noodzakelijk is voor elke beklaagde de straffen en veiligheidsmaatregelen op te sommen waaraan hij blootgesteld is of zou kunnen worden ingeval het feit bewezen wordt verklaard
(12)? Ik bied het Hof graag deze enkele vragen ter overweging aan, zonder evenwel nu een antwoord te formuleren, omdat ik meen deze kleine excursie hier te moeten afronden, aangezien de cassatietechniek voor gevolg heeft dat het Hof vandaag niet aan een antwoord op deze vraag zal toekomen: het gegrond bevinden van het eerste onderdeel van het derde middel heeft immers reeds een gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest tot gevolg, die verder reikt dan een mogelijke vernietiging op grond van het tweede onderdeel, omdat het Hof op basis van de inhoud van het antwoord op dit eerste onderdeel meteen ook zal moeten vaststellen dat er geen grond meer is tot verwijzing. Het tweede onderdeel kan dus onmogelijk tot een ruimere cassatie leiden en het behoeft dan ook geen antwoord meer. Daardoor vervalt ook de verplichting om de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen. 7. Tot slot meen ik te moeten afsluiten met enkele korte beschouwingen omtrent de omvang van de cassatie: in het eerder besproken arrest van het Hof van 2 juni 1999
(13)werd de vernietiging van de bestreden beslissing beperkt tot de veroordeling tot het beroepsverbod. Dit is een zuivere toepassing van de door het Hof gehanteerde regel dat de gehele cassatie slechts wordt toegepast wanneer de nietigheid die bij de straftoemeting wordt vastgesteld betrekking heeft op wat het Hof acht te behoren tot de hoofdstraffen
(14). Wanneer daarentegen de vastgestelde nietigheid, die tot cassatie aanleiding geeft, enkel en alleen betrekking heeft op wat beschouwd wordt te behoren tot de bijkomende straffen of maatregelen, dan wordt de omvang van de cassatie beperkt tot die bijkomende straf of maatregel
(15). Het leidt geen twijfel meer dat het beroepsverbod waartoe eiser werd veroordeeld inderdaad behoort tot de categorie van de bijkomende straffen, zodat de cassatie tot het uitgesproken beroepsverbod beperkt kan blijven. Het feit dat de rechter zelf de duur van dit beroepsverbod, variërend tussen drie en tien jaar, bepaalt doet aan de toepasselijkheid van hogervermelde regel van de beperkte cassatie geen afbreuk: er mag immers niet uit het oog verloren worden dat dit beroepsverbod, zoals de appèlrechters zelf ook stellen, wordt opgelegd met een bijzonder oogmerk, met name om te voorkomen dat de beklaagde nieuwe bedrieglijke handelingen in het kader van vennootschappen stelt. Het beroepsverbod staat dus volkomen los van de redenen die ten grondslag liggen aan het opleggen van de gevangenisstraf en de geldboete. Conclusie: Vernietiging van het arrest in zoverre het eiser veroordeelt tot de bijkomende straf van ontzetting en verwerping voor het overige, terwijl er geen grond meer is tot verwijzing. _______________________________________
(1)SCHOORENS, G. en WINDEY, B., “Het K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934, anno 1999: Recente (r)evoluties in het beroepsverbod voor gefailleerden en bepaalde veroordeelden”, RW 1999-2000, 169.
(2)Zie KB nr. 22 van 24 oktober 1934, Verslag aan de Koning, Pasin., 1934, 383, waar gepreciseerd wordt dat dit beroepsverbod geen straf is, maar een “burgerlijke onbekwaamheid”, waarop het artikel 2 Strafwetboek niet van toepassing is; Cass. 13 juli 1936, Pas. 1936, I, 351; Cass. 19 februari 1940, Pas. 1940, I, 56; Cass. 26 september 1966, Pas. 1967, I, 89 en Rev. Dr. Pén. 1966-1967, p. 301 met concl. van advocaat-generaal COLARD; GOEDSEELS, J., “Nature et portée de l’interdiction pour certains condamnés et pour les faillis, de participer à l’administration et à la surveillance de certaines sociétés et d’exercer la profession d’agent de change ou l’activité de banques de dépôts”, Rev. Prat. Soc., 1948, p. 139; SCREVENS, R., “L’interdiction professionnelle en droit pénal”, p. 302, nr. 265 . SPRIET, B., “Het vennootschaps-beroepsverbod uit het K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934” in Ondernemingsstrafrecht, Die Keure 1999, p. 191; DE WILDE, L., “Het vernieuwde K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934”, RW, 1978-79, 932; VANDEPLAS, A., “Betreffende het K.B. van 24 oktober 1934”, noot onder Cass, 2 juni 1982, RW, 1982-83, 2469, nr. 2; HUYBRECHTS, L., “Vermogensdelicten”, C.B.R., 1995, 79; SCHOORENS, G. en WINDEY, B., “Het K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934, anno 1999: Recente (r)evoluties in het beroepsverbod voor gefailleerden en bepaalde veroordeelden”, RW 1999-2000, 171, voetnoot 22; SCHOORENS, G. en WINDEY, B., “Het rechtskarakter van het beroepsverbod opgelegd krachtens het K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934, als gewijzigd door de wet van 2 juni 1998”, noot onder Cass. 2 juni 1999, RW, 1999-2000, 1268.
(3)DAL, G.-A., “Les interdictions professionnelles ou l’interdiction judiciaire faite à certains condamnés et faillis d’exercer certaines foncions, professions ou activité”, J.T. 2001, p. 771; SCHOORENS, G. en WINDEY, B., “Het K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934, anno 1999: Recente (r)evoluties in het beroepsverbod voor gefailleerden en bepaalde veroordeelden”, RW 1999-2000, 183, nr. 83; TRAEST, Ph., “Misdrijven die verband houden met de staat van faillissement” in Ondernemingsstrafrecht, p. 39; SPRIET, B., “Het vennootschapsberoepsverbod uit het K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934” in Ondernemingsstrafrecht, Die Keure 1999, p. 190.
(4)Cass. 2 juni 1999, AR P.99.0192.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990602.9, AC 1999, nr. 326; RW 1999-2000, p. 1267 met noot SCHOORENS, G., en WINDEY, B.
(5)SPRIET, B., “Het vennootschaps-beroepsverbod uit het K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934” in Ondernemingsstrafrecht, Die Keure 1999, p. 193.
(6)Cass. 14 mei 2002, AR P.02.0261.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020514.16, AC 2002, nr. 294, met andersluidende concl. OM.
(7)Zie Cass. 1 februari 2005, AR P.04.1676.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050201.9, AC 2005, nr. 64; Cass. 26 februari 1934, Pas. 1934, I, 180; Cass. 21 juni 1965, Pas. 1965, I, 1149; Cass. 22 november 1977, Arr.Cass. 1978, 335; DUPONT, L. en VERSTRAETEN, R., “Handboek Belgisch Strafrecht”, Acco Leuven-Amersfoort 1990, p. 131, nr. 175; VAN DEN WYNGAERT, Chr., “Strafrecht en Strafprocesrecht”, Maklu 1998, p. 91.
(8)Arbitragehof nr. 57/98, 27 mei 1998, B.S. 3 september 1998, R.W., 1998-99, 743, J.T., 1998, 571, T.B.P., 1998, 680, Rev. Dr. Pén., 1998, 923, Soc. Kron., 1998, 371; Arbitragehof nr. 87/98, 15 juli 1998, B.S., 21 augustus 1998.
(9)Parl. St. Kamer 1997-98, nr. 1311/5, 3.
(10)SCHOORENS, G. en WINDEY, B., “Het K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934, anno 1999: Recente (r)evoluties in het beroepsverbod voor gefailleerden en bepaalde veroordeelden”, RW 1999-2000, 182, nr. 79.
(11)DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 3de Ed., 2003, p. 543, nr. 1160.
(12)Ibid., p. 550, nr. 1177.
(13)Cass. 2 juni 1999, AR P.99.0192.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990602.9, AC 1999, nr. 326.
(14)DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 3de Ed., 2003, p. 1247, nr. 2896.
(15)Ibid. I, p 1249, nr. 2899; Cass. 14 november 1989, AR 3123, AC 1989, nr. 158, met noot R.D. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:CONC.20050517.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050517.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990602.9 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020514.16 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050201.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.