id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.12 Rolnummer: C.05.0080.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-04-21 Raadplegingen: 441 - laatst gezien 2026-07-04 07:37 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De redenen van een vonnis van de arrondissementsrechtbank hebben, wat de beoordeling van het geschil zelf betreft, geen gezag van gewijsde ten aanzien van de rechter naar wie de vordering wordt verwezen
(1).
(1)Cass., 25 juni 1990, AR 8554, nr 623; zie J. Laenens, " De procedure inzake bevoegdheidsincidenten voor de arrondissementsrechtbank", R.W., 1974-1975, 1537-
- Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Arrondissementsrechtbank Gezag van het rechterlijk gewijsde Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.23en660 Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Vrije woorden: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Arrondissementsrechtbank Omvang van het rechterlijk gewijsde Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.23en660 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0080.N VANDEN AVENNE Ooigem, naamloze vennootschap, met zetel te 8710 Wielsbeke-Ooigeme, Oostrozebeekstraat 160, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen VEEVOEDERS GEERINCKX, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 9240 Zele, Hansevelde 52, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 6 september 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde. De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 19, 23, 24, 25, 639 en 660, van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, artikel 591, enig lid, 18° (eerste), van hetzelfde wetboek; - artikel 25 van het Wetboek van Koophandel; - het algemeen rechtsbeginsel van de wilsautonomie der partijen, zoals bevestigd in artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek; - voor zoveel als nodig de artikelen 1 en 17 van de wet van 1 april 1976 betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke productie. Aangevochten beslissingen De vierde kamer van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde verklaart in het bestreden vonnis van 6 september 2004 eiseres' hoger beroep en verweersters incidenteel beroep ontvankelijk. De rechtbank van koophandel hervormt het bestreden vonnis daar waar het de aan verweerster toekomende ristorno's voor de jaren 1999 en 2000 voor een bedrag van 26.035,18 euro niet toekent en bevestigt het bestreden vonnis daar waar het aan eiseres de aankleven van de in rechte gevorderde facturen niet toekent. Vervolgens veroordeelt de rechtbank van koophandel verweerster om aan eiseres, na compensatie van de in rechte gevorderde facturen en de haar toekomende ristorno's, de som van 4.004,36 euro, verhoogd met de gerechtelijke interesten, te betalen. De rechtbank van koophandel bevestigt het bestreden vonnis daar waar het de door eiseres gevorderde dioxinevergoedingen afwijst en veroordeelt verweerster om, wat de eindafrekening inkomensgarantie betreft, aan eiseres de som van 4.808,17 euro, verhoogd met de gerechtelijke interesten, te betalen. Wat de door verweerster gevorderde tekorten betreft, stelt de rechtbank van koophandel een deskundige aan met de in het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis neergelegde opdracht. Met betrekking tot de silo's heropent de rechtbank van koophandel de debatten en verleent voorbehoud voor wat de uitspraak over de kosten betreft. De rechtbank van koophandel grondt deze beslissing onder meer op de volgende motieven: "I. Discussie of de wet van 1 april 1976 betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke productie van toepassing is. De Arrondissementsrechtbank van Kortrijk heeft in haar vonnis van 4 juni 2002 de zaak naar de Vrederechter van het kanton Zele verzonden op basis van de overweging dat (verweerster) verbintenissen had opgenomen ten aanzien van (eiseres), verbintenissen die kaderen binnen de voornoemde wet van 1 april 1976, en dit feit, met name het opnemen van verbintenissen, voldoende was om de bepalingen van voornoemde wet van toepassing te verklaren. Het debat is dan ook, zoals (verweerster) terecht voorhoudt, daaromtrent volledig uitgeput en (eiseres) kan daar niet meer op terugkomen in de huidige procedure. II. Wat betreft de aankleven en de in rekening te brengen ristorno's voor de jaren 1999 en
- 2.1.
- De Arrondissementsrechtbank van Kortrijk heeft in haar vonnis van 4 juni 2002 de zaak naar de Vrederechter van het kanton Zele verzonden op basis van de overweging dat (verweerster) verbintenissen had opgenomen ten aanzien van (eiseres), verbintenissen die kaderen binnen de voornoemde wet van 1 april 1976, en enkel dit feit voldoende was om de bepalingen van voornoemde wet van toepassing te verklaren. Dit betekent dan ook dat, zoals door (verweerster) terecht wordt voorgehouden, de relaties tussen partijen niet worden beheerst door de in deze procedure overlegde factuurvoorwaarden, maar dat in het kader van de voornoemde wet van 1 april 1976 een afrekening tussen de partijen dient te worden opgesteld, zodat moet blijken wie aan wie nog iets verschuldigd is, en kan er geen sprake zijn van de toepassing van verkoopsof factuurvoorwaarden. 2.2.
- Stelt zich in deze een tweede probleem met name of (verweerster) al dan niet recht heeft op een ristorno voor de jaren 1999 en 2000 voor een bedrag van 26.035,19 euro dat van de niet betwiste in rechte gevorderde 18 facturen mag worden afgetrokken. 2.2.
- (...) Dat ten andere een ristorno als doel heeft een herstel van een te hoge prijs of een teruggave teneinde in deze (verweerster) toe te laten een marge ten nemen op leveringen die zij aan haar kwekers heeft doorgefactureerd, zodat in het kader van artikel 8 van de wet van 1 april 1976 deze ristorno door de rechter kan worden toegekend of aangezien worden als de correcte prijs die moet worden gehanteerd, zeker gelet op het "grootverbruik" in hoofde van (verweerster), element dat niet kan worden betwist. Dat dan ook dit onderdeel van het incidenteel hoger beroep als gegrond moet worden verklaard, en gelet op het feit dat (eiseres) de door (verweerster) gehanteerde cijfers niet betwist, én na compensatie van de hoofdvordering en van de tegenvordering is (verweerster) nog aan (eiseres) verschuldigd de som van 30.039,54 euro 26.035,18 euro = 4.004,36 euro meer de gerechtelijke intresten. III. Wat de eindafrekening inkomensgarantie betreft. De bespreking van de eindafrekening kan worden opgedeeld in drie delen met name 1) de afrekening van de laatste kweekronden in de diverse contracten, 2) de vordering van (verweerster) tot betaling van de tekorten in de garanties voor de afrekeningen opgemaakt tijdens de dioxinecrisis, en 3) de vordering van (eiseres) tot betaling van de door (verweerster) ontvangen dioxinevergoeding. 3.2.
- Wat de discussie betreffende de afrekening van de laatste kweekrondes betreft, (...). 3.2.
- (...) De rechtbank is van oordeel dat (...) (eiseres) wat dit onderdeel van haar vordering betreft recht heeft op een bedrag van 4.808,17 euro te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. Grieven Eerste onderdeel Artikel 639, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de arrondissementsrechtbank die uitspraak doet over bevoegdheidsgeschillen die op vraag van de partijen of ambtshalve door de rechter voor haar worden gebracht, niet bevoegd is inzake de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken. Luidens artikel 660, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek verwijst iedere beslissing betreffende de bevoegdheid, behalve wanneer het voorwerp van de vordering niet tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht behoort, de zaak zo nodig naar de bevoegde rechter die zij aanwijst. Het tweede lid van voormeld artikel 660 bepaalt verder dat de beslissing de rechter naar wie de vordering wordt verwezen bindt, met dien verstande dat zijn recht om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen onverkort blijft. Eiseres dagvaardde verweerster op 10 oktober 2000 voor de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk. Ter pleitzitting van 15 april 2002 werd de zaak overeenkomstig artikel 639 van het Gerechtelijk Wetboek naar de Arrondissementsrechtbank van Kortrijk verwezen, die bij vonnis van 4 juni 2002 de Vrederechter van het kanton Wetteren-Zele, afdeling Zele, als bevoegde rechter aanwees. De arrondissementsrechtbank oordeelde dat de wet van 1 april 1976 betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke productie van toepassing was op het geding zodat de vrederechter van de woonplaats van verweerster bevoegd was. De rechtbank van koophandel stelde in het bestreden vonnis vooreerst vast dat naar het vonnis van 4 juni 2002 van de Arrondissementsrechtbank van Kortrijk, op onderhavig geschil de wet van 1 april 1976 betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke productie van toepassing is (vonnis p. 2, in fine) en oordeelde vervolgens dat het debat betreffende de toepasselijkheid van voormelde wet van 1 april 1976 derhalve volledig was uitgeput, zodat eiseres er niet langer op kon terugkomen. Eiseres had in de beroepsprocedure echter aangevoerd dat de gegrondheid van zowel hoofd- als tegeneis niet diende te worden beoordeeld in het licht van voornoemde wet van 1 april 1976, maar op grond van het handelsrecht. Bovendien voerde eiseres aan dat het in de artikelen 23, 24 en 25 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde gezag van rechterlijk gewijsde van het vonnis van de arrondissementsrechtbank zich beperkte tot de beslissing inzake de bevoegdheid. De arrondissementsrechtbank is immers uitsluitend bevoegd om uitspraak te doen over geschillen van bevoegdheid. Haar beslissing inzake de bevoegdheid bindt de rechter naar wie de zaak verwezen wordt, met dien verstande dat zijn recht om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen onverkort blijft. De redenen van de arrondissementsrechtbank tot verwijzing van het geschil op zich hebben geen gezag van rechterlijk gewijsde. De beslissing bindt de rechter enkel op het vlak van de bevoegdheid. Het vonnis van 4 juni 2002 van de Arrondissementsrechtbank van Kortrijk had dan ook enkel gezag van gewijsde in zoverre het de vrederechter van het kanton Zele als bevoegde rechter aanwees, maar niet betreffende de overwegingen en redenen die de arrondissementsrechtbank tot dat oordeel noopten. De rechtbank van koophandel, als appèlrechter op het vonnis van de door de arrondissementsrechtbank overeenkomstig artikel 591, enig lid, 18° (eerste) van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd verklaarde vrederechter, beschikte derhalve nog steeds over een volledige beoordelingsvrijheid betreffende de grond van de zaak en was dan ook bevoegd om na te gaan of voormelde wet van 1 april 1976 al dan niet van toepassing was op onderhavig geschil, inzonderheid in het licht van artikel 1 van deze wet. Door te oordelen dat het debat betreffende de vraag of de wet van 1 april 1976 betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke productie op onderhavig geschil van toepassing is, volledig was uitgeput ingevolge de beslissing van de Arrondissementsrechtbank van Kortrijk van 4 juni 2002 en er niet meer op kon worden teruggekomen in de procedure ten gronde die aanleiding gaf tot het thans bestreden vonnis, schendt de rechtbank van koophandel de artikelen 19, 23, 24, 25, 639, in fine, en 660, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en voor zoveel als nodig artikel 1 van de genoemde wet van 1 april
- Tweede onderdeel Luidens artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek strekken geldig aangegane overeenkomsten partijen tot wet. De overeenkomsten kunnen op grond van artikel 1134, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek niet worden herroepen dan met wederzijdse toestemming van de partijen of op gronden door de wet erkend. Ingevolge het algemeen rechtsbeginsel van de wilsautonomie der partijen kan elkeen zijn rechtstoestand, binnen de grenzen van het gebiedend en verbiedend recht, naar eigen goedvinden regelen. Eiseres' vordering strekte er in de eerste plaats toe om verweerster te horen veroordelen tot betaling van de door haar verschuldigde facturen, te verhogen met de conventionele interesten. De rechtbank van koophandel stelde in het bestreden vonnis op grond van het vonnis van de arrondissementsrechtbank vast dat de relatie tussen partijen beheerst werd door de wet van 1 april
- In het raam van voornoemde wet diende naar (het oordeel van) de rechtbank van koophandel tussen partijen een afrekening te worden opgemaakt en kon er geen sprake zijn van de toepassing van de tussen partijen overeengekomen verkoopof factuurvoorwaarden. Wat de afrekening van de laatste kweekrondes betreft, vorderde eiseres een bedrag van 4.808,17 euro. Deze som werd door de rechtbank van koophandel volledig toegekend. De door eiseres gevorderde conventionele interesten en schadebeding werden evenwel niet toegekend, nu de rechtbank van koophandel oordeelde dat de wet van 1 april 1976 van toepassing was en de factuurvoorwaarden derhalve, gelet op artikel 17 van de genoemde wet van 1 april 1976, buiten beschouwing dienden te worden gelaten. Luidens artikel 25 van het Wetboek van Koophandel levert de factuur die stilzwijgend wordt aanvaard tussen handelaars het bewijs op van het bestaan van de overeenkomst. Deze bewijskracht strekt zich uit tot alle bepalingen van de factuur, met inbegrip van de contractvoorwaarden die erop worden aangebracht. Bij een niet-geprotesteerde factuur maken de factuurvoorwaarden, die onder meer conventionele interesten kunnen voorzien, integraal deel uit van de contractuele handelsrelatie tussen partijen. In het thans bestreden vonnis stelde de rechtbank van koophandel vast dat onder meer moest worden nagegaan of verweerster "al dan niet recht heeft op een ristorno voor de jaren 1999 en 2000 voor een bedrag van 26.035,19 euro dat van de niet betwiste in rechte gevorderde facturen mag worden afgetrokken". Nu de rechtbank van koophandel vaststelde dat de in rechte gevorderde facturen niet geprotesteerd werden, maakten de factuurvoorwaarden deel uit van de tussen partijen gesloten overeenkomsten. Gelet op de in hoger vermeld artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek neergelegde regel, dient de rechter de verbindende kracht van de overeenkomst te eerbiedigen, zodat hij de inhoud, zin en draagwijdte ervan niet mag wijzigen en hij de tussen partijen gesloten overeenkomst niet zomaar buiten toepassing mag laten. Door te stellen dat bij de beoordeling van het verschuldigd karakter van de facturen geen toepassing mag worden gemaakt van de factuurvoorwaarden, zoals die waren overeengekomen tussen partijen, en door te oordelen dat eiseres in het raam van de afrekening van de laatste kweekrondes geen recht had op de conventionele interesten, schendt de rechtbank van koophandel artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 25 van het Wetboek van Koophandel en het algemeen rechtsbeginsel van de wilsautonomie der partijen en voor zoveel als nodig 17 van de genoemde wet van 1 april
- III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling van het eerste onderdeel van het middel
- Artikel 660, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat iedere beslissing betreffende de bevoegdheid de rechter bindt naar wie de vordering wordt verwezen, met dien verstande dat zijn recht om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen, onverkort blijft. De redenen van de beslissing tot verwijzing hebben wat de beoordeling van het geschil zelf betreft, derhalve ten aanzien van die rechter geen gezag van gewijsde.
- De appèlrechters oordelen dat, ingevolge de verzending door de arrondissementsrechtbank naar de eerste rechter op grond van een door die rechtbank in haar vonnis van 4 juni 2002 aangehaalde reden, het debat omtrent de vraag of de wet van 1 april 1976 betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke productie van toepassing is "volledig uitgeput (is) en (eiseres) daar(op) niet meer kan terugkomen in huidige procedure". De appèlrechters weigeren aldus bij de beoordeling van het geschil zelf na te gaan of de voornoemde wet van 1 april 1976 van toepassing is op de rechtsverhouding tussen partijen. Door aldus te oordelen schenden zij artikel 660, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
- Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet omtrent de ristorno's ten voordele van verweerster en de toepasselijkheid van de factuurvoorwaarden van eiseres, verweerster veroordeelt tot betaling van een bedrag van 4.004,36 euro en beslist dat de wet van 1 april 1976 niet voorziet in de telastneming door de integrator van expertisekosten; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Koophandel te Gent, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Dirk Debruyne, en in openbare terechtzitting van 5 januari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080128.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250210.3F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div