← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.4 Rolnummer: C.05.0051.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2006-04-21 Raadplegingen: 250 - laatst gezien 2026-07-03 09:55 Versie(s): Vertaling FR Fiche De wettelijke bepaling van dwingend recht die de termijn voor de uitwerking van de opzegging van de verzekeringsovereenkomst regelt, verhindert dat de partijen een kortere opzeggingstermijn bedingen, maar staat er niet aan in de weg dat zij, nadat de opzeg is gegeven, een kortere opzeggingstermijn aanvaarden en aldus afstand doen van de bij de wet geboden bescherming

(1).
(1)Zie Cass., 15 maart 1968, A.C., 1968, 936; zie ook Ph. Colle, 'La protection du consommateur d'assurance: loi impérative et clauses abusives', in La loi du 25 juin 1992 sur le contrat d'assurance terrestre, Ed. Jeune Barreau de Bruxelles, 1995, p. 3; zie G. Baeteman, 'Les effets des dispositions légales impératives protégeant des intérêts privés', nota onder Cass., 6 dec. 1956, R.C.J.B., 1960, p. 160; A. Meeùs, 'La notion de loi impérative et son incidence sur la procédure en cassation et sur l'office du juge', nota onder Cass., 17 maart 1986, R.C.J.B., 1988, p. 498 e.v. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Landverzekeringscontract in het algemeen Vrije woorden: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Verzekeringsovereenkomst Opzegging Uitwerking Termijn Bepaling van dwingend recht Kortere termijn Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Art.29,§2 Annotaties Publicaties: R.D.C./T.B.H. - Caroline VAN SCHOUBROECK; Vragen bij de dwingende bepaling van de opzegging van verzekeringsovereenkomsten. - 2007, 773-777 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0051.N
  1. AGF BELGIUM INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Lakenstraat 35,
  2. AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25,
  3. FORTIS AG, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53,
  4. WINTERTHUR EUROPE VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Kunstlaan 56,
  5. WINTERTHUR EUROPE VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Kunstlaan 56,
  6. AGF BELGIUM INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Lakenstraat 35,
  7. KBC VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 3000 Leuven, Waaistraat 6,
  8. ZELIA, naamloze vennootschap, met zetel te 1040 Brussel, de Meeusplein 37,
  9. WINTERTHUR EUROPE VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Kunstlaan 56,
  10. DE VOLKSVERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Livingstonelaan 6,
  11. FIDEA, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Van Eycklei 14,
  12. GENERALI BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel 1050 Brussel, Louizalaan 149,
  13. ING INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Marnixlaan 24,
  14. P&V VERZEKERINGEN, coöperatieve vennootschap met beperkte aanpsrakelijkheid, met zetel te 1000 Brussel, Koningstraat 15,
  15. AVERO SCHADEVERZEKERING BENELUX, naamloze vennootschap naar Nederlands recht, met zetel in België, te 1000 Brussel, Woluwelaan 64,
  16. ZURICH, naamloze vennootschap, met zetel te 1050 Brussel, Lloyd Georgelaan 7,
  17. NAVIGA-MARETUS, naamloze vennootschap, met zetel te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 79, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523 alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ANGLO-BELGE SPECIAL RISKS, naamloze vennootschap, met zetel te 2600 Antwerpen, Frans Van Hombeeckplein 10, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. en ten aanzien van
  18. KASHISH DIAMONDS INC., met zetel te 10036 New-York, (Verenigde Staten van Amerika), West 47th Street, suite 1205,
  19. SHAITUR INTERNATIONAL Ltd., met zetel te 10036 New-York, (Verenigde Staten van Amerika), West 47th Street, suite 1205, in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partijen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 september 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De eiseressen voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 3 en 29 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst; - artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verbiedt zich over niet gevorderde zaken uit te spreken; - het beschikkingsbeginsel. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest, doordat het beslist dat de brief van 12 april 1994 van de eiseressen tot beëindiging van de beroepsaansprakelijkheidspolis, door verweerster ondertekend, bij ontstentenis van regelmatige minimum opzegtermijn van een maand overeenkomstig artikel 29, ,§2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, geen uitwerking kan hebben en dat de periode van dekking tot 31 december 1994 doorliep, en derhalve de tussenvordering in vrijwaring van verweerster lastens eiseressen deels gegrond verklaart en dit op grond van onder andere de volgende motieven: "Het verweer van (de eiseressen) dat aan hun verbintenissen aangegaan in de verzekeringsovereenkomst door hun mandataris ondertekend op 17 december 1992 en die jaarlijks werd verlengd, een einde is gekomen door opzegging ervan bij brief van 12 april 1994 uitgaande van hun mandataris, de CV 'Cobegas' en dit overeenkomstig artikel II.C van de algemene polisvoorwaarden, is ongegrond. Overeenkomstig artikel II.C.2 van de algemene polisvoorwaarden, hebben (de eiseressen) het recht de polis op te zeggen door middel van een aangetekend schrijven houdende een opzeggingstermijn van 15 dagen te rekenen vanaf zijn verzending na elke aangifte van schadegeval, doch uiterlijk 30 dagen na de betaling van de vergoeding of de weigering van tussenkomst. Onder het nummer 7 van kaft 2 van de (verweerster) wordt de brief van de CV Cobegas op 12 april aan de (verweerster) neergelegd, echter zonder bewijs van afgifte ter post. (...) Het hof, de andere taal dan deze van de rechtspleging waarin voornoemde brief werd opgesteld, machtig zijnde, leest de hierboven weergegeven inhoud van voornoemde brief als volgt: 'Betreft: Uw professionele B.A. Het directiecomité heeft tijdens haar jongste vergadering twee schadegevallen aangehaald, die aan ons door U werden aangegeven in de loop der voorbije maanden, zijnde het schadegeval nr. 2538/93 (ABSR/RH/Xanadu/Kobe Re) en het schadegeval nr. 2573/93 (ABSR/Diamond & Gems Corporation). Het spijt ons aldus uw polis te moeten opzeggen. Overeenkomstig artikel II - C van onze algemene voorwaarden, heeft deze opzeg gevolg na verloop van 15 dagen vanaf heden, namelijk op 27 april
  20. Daar U ons reeds Uw voorlopige premie en bijpremies voor het jaar 1994 betaalde, ten belope van 473.325 BEF, betalen wij u deze premie terug, pro rata het niet opgenomen deel, namelijk ten belope van 322.898 BEF, door overschrijving op rekening nummer 320-0692136-14'. De (verweerster) dient te worden gevolgd, in haar stelling dat deze beëindiging van haar beroepsaansprakelijkheid in kwestie, geen uitwerking kan hebben, bij ontstentenis van vermelding van de regelmatige opzegtermijn zoals vermeld in artikel 29, ,§2, eerste lid, wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. Artikel 29, ,§2, wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat 'Behoudens voor de in de artikelen 4, ,§2, 16 en 31, ,§1, tweede lid, bedoelde gevallen, heeft de opzegging eerst uitwerking na het verstrijken van een termijn van ten minste een maand te rekenen van de dag volgend op de betekening of de datum van het ontvangstbewijs of, in geval van een aangetekende brief, te rekenen van de dag die volgt op zijn afgifte ter post. De termijn bedoeld in het eerste lid moet worden vermeld in de overeenkomst en herhaald in de opzegging'. Overeenkomstig artikel 1 van de bijlage, daterende van 23 december 1992 en van kracht sedert 1 januari 1993, bij de polis beroepsaansprakelijkheid van (verweerster) daterende van 17 december 1992, zijn de dwingende bepalingen van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en haar uitvoeringsbesluiten van toepassing op voornoemde aansprakelijkheidspolis van (verweerster). In de mate dat de bepalingen van voornoemde wet en van haar uitvoeringsbesluiten van kracht worden, heffen zij de met voornoemde wet en uitvoeringsbesluiten strijdige bepalingen op, en vervangen zij of vervolledigen zij deze contractuele bepalingen. (...) Overeenkomstig de bepalingen van het KB van 24 augustus 1992 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomsten, en meer bepaald overeenkomstig artikel 3 van dit besluit, treedt artikel 29, ,§2, wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst in werking op 1 januari
  21. Gezien ook op deze datum alsmede op 1 januari 1994 de beroepsaansprakelijkheidspolis van (verweerster) werd verlengd, is voornoemd artikel 29, ,§2, overeenkomstig ,§1, van artikel 148 van dezelfde wet, van toepassing op 12 april 1994, zijnde de datum van de brief van de mandataris van (de eiseressen) in de zaak 1999/AR/3023, verenigd in het consortium 'Cobelias', aan (verweerster). Gelet op het voorgaande vervangen de bepalingen van artikel 29 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst de hiermee strijdige bepalingen van artikel II.C, en vullen zij deze aan als volgt: 'Cobelias heeft het recht de polis op te zeggen door middel van een ter post aangetekende brief, van een deurwaardersexploot of door afgifte van de opzeggi ngsbrief tegen ontvangstbewijs, houdende een opzeggingstermijn van tenminste een maand te rekenen van de dag volgend op de betekening of de datum van het ontvangstbewijs of, ingeval van een aangetekende brief, te rekenen van de dag die volgt op zijn afgifte ter post'. Overeenkomstig artikel 3 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst zijn de bepalingen van deze wet van dwingend recht tenzij uit de bewoordingen zelf blijkt dat de mogelijkheid wordt gelaten om er van af te wijken door bijzondere bepalingen. Uit de bewoordingen van het hierboven weergegeven artikel 29, ,§2, wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst blijkt niet dat daarin de mogelijkheid wordt gelaten om er van af te wijken door bijzondere bepalingen. Gezien, gelet op het voorgaande, de partijen bij de beroepsaansprakelijkheidspolis in kwestie niet in de mogelijkheid waren om in onderling akkoord af te wijken van voornoemd artikel 29, ,§2, kon (verweerster) ook niet uitdrukkelijk of stilzwijgend de uitwerking van de opzegtermijn van 15 dagen en met de vervaldatum van 27 april 1994, zoals die vermeld werden in de brief 12 april 1994, aanvaarden, noch door gebrek aan reactie op de opzegbrief, noch door het premiesaldo voor 1994 zonder protest in ontvangst te nemen. Uit de artikelen 29, ,§2, en artikel 30 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst volgt niet dat de beëindiging door opzegging slechts geldig is als de geadresseerde, met name de (verweerster), de opzegbrief heeft aanvaard. Deze wetsbepalingen eisen echter wel dat (verweerster) in staat wordt gesteld ervan kennis te nemen volgens de opgelegde modaliteiten, inclusief deze van de door artikel 29, ,§2, tweede lid, van voornoemde wet opgelegde vermelding van de opzeggingstermijn van lid 1 van voornoemd artikel in de opzegbrief, in weerwil van elk anders luidend beding. In deze zaak beschermen en verbinden voornoemde wetsbepalingen (de eiseressen) als verzekeraars en (verweerster) als verzekerde, op gelijke wijze, zonder wie ook van deze partijen toe te staan door eigen beëindiging de andere partij het voordeel ervan te doen verliezen. Gelet op het voorgaande stelt het hof dan ook vast dat de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst in kwestie, bij ontstentenis van regelmatige minimum opzegtermijn overeenkomstig artikel 29, ,§2, wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, geen uitwerking heeft gehad. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het bewijs van afgifte ter post door (de eiseressen) niet wordt voorgelegd, zodat ook de dag die volgt op deze afgifte niet kan worden bepaald om de regelmatige minimum opzegtermijn van artikel 29, ,§2, wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst te laten ingaan". Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 29, ,§1, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst kan de overeenkomst worden opgezegd bij een ter post aangetekende brief, bij deurwaardersexploot of door afgifte van de opzeggingsbrief tegen ontvangstbewijs. Krachtens ,§2 van dit artikel heeft, behoudens voor de in artikelen 4, ,§2, 16 en 31, ,§1, bedoelde gevallen, de opzegging eerst uitwerking na het verstrijken van een termijn van ten minste een maand te rekenen van de dag volgend op de betekening of de datum van het ontvangstbewijs of, ingeval van een aangetekende brief, te rekenen van de dag die volgt op zijn afgifte ter post. Krachtens artikel 3 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst zijn de bepalingen van deze wet van dwingend recht, tenzij uit de bewoordingen zelf blijkt dat de mogelijkheid wordt gelaten om er van af te wijken door bijzondere bedingen. Deze bepalingen zijn echter niet van openbare orde, overeenkomstig artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek. De door de regel van dwingend recht beschermde partij kan dus afstand doen van de wettelijke bescherming, maar enkel na het ontstaan van zijn rechten. De verzekerde kan aldus vrijwillig afstand doen van de hem bij artikel 29, ,§2, van de wet van 25 juni 1992 geboden bescherming, nadat hem is kennisgegeven van de opzegging. De brief van 12 april 1994 van de eiseressen tot beëindiging van de beroepsaansprakelijkheidspolis van verweerster vermeldt een opzegtermijn van 15 dagen met de vervaldatum van 27 april
  22. Het bestreden arrest beslist dat, gezien het dwingende karakter van de wet van 25 juni 1992, de partijen bij de beroepsaansprakelijkheidspolis in kwestie niet in de mogelijkheid waren om in onderling akkoord af te wijken van voornoemd artikel 29, ,§2, en dat verweerster ook niet uitdrukkelijk of stilzwijgend de uitwerking van de opzegtermijn van 15 dagen en de vervaldatum van 27 april 1994, zoals die vermeld werden in de brief van 12 april 1994, kon aanvaarden, noch door gebrek aan reactie op de opzegbrief, noch door het premiesaldo voor 1994 zonder protest in ontvangst te nemen. Het bestreden arrest, door te overwegen dat verweerster geen afstand kan doen van de haar bij artikel 29, ,§2, van de wet van 25 juni 1992 geboden bescherming, zelfs nadat hem is kennis gegeven van de opzegging, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 3 en 29 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst). Door de mogelijkheid van een dergelijke afstand te weigeren, daar waar deze mogelijkheid slechts uitgesloten is ten aanzien van de bepalingen die van openbare orde zijn, zoals vermeld in artikel 6 van het Burgerlijk wetboek, doet daarenboven het bestreden arrest een verkeerde toepassing van deze wettelijke bepaling (schending van deze bepaling). Tweede onderdeel Krachtens het artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verbiedt zich over niet gevorderde zaken uit te spreken en het beschikkingsbeginsel, kan de rechter geen betwisting zonder enig verband met de openbare orde opwerpen, waarvan de conclusies van de partijen het bestaan hebben uitgesloten. De eiseressen voerden in conclusie aan dat: "zeer subsidiair, zelfs indien de vooropzegtermijn volgens de brief van 12 april 1994 te kort is, het uiteraard ondenkbaar is de opzeg als dusdanig nietig te verklaren zoals (verweerster) het pleit; dat het hoogstens zou kunnen gezegd worden dat de opzeg enkel een maand na de brief van 12 april 1994 uitwerking heeft, namelijk op 12 mei
  23. Dat inderdaad niets toelaat de opzegging als onbestaande te beschouwen onder voorwendsel dat de opzegtermijn een maand in plaats van 15 dagen moest zijn; dat het hoogstens kan gezegd worden dat de polis ten laatste op 12 mei 1994 een einde heeft genomen" (aangevulde syntheseconclusie, pagina 13). Verweerster besloot eveneens in haar conclusie uitdrukkelijk tot de afgifte ter post van de brief van de eiseressen op de datum van 12 april 1994 door staande te houden: "Dat in casu de opzegging die werd kenbaar gemaakt per aangetekend schrijven op 12 april 1994, pas geldig kon zijn op 12 mei 1994 op zijn vroegst, en niet vanaf 27 april 1994, zoals Sobegas CV beweert" (conclusie, bladzijde 12). De partijen hebben bijgevolg in hun conclusie het geschil beperkt tot het duur van de opzegtermijn. Zij hebben daarentegen de afgifte ter post van de brief van de eiseressen op de datum van 12 april 1994 niet betwist. Het bestreden arrest beslist echter dat het bewijs van afgifte ter post door de eiseressen niet wordt voorgelegd zodat de dag die volgt op deze afgifte niet kan worden bepaald om de regelmatige minimum opzegtermijn van artikel 29, ,§2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst te laten ingaan. Het bestreden arrest werpt zodoende een uit het geding gesloten betwisting op, wat een schending uitmaakt van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, van het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verbiedt zich over niet gevorderde zaken uit te spreken en van het beschikkingsbeginsel. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 78, ,§1, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, zoals gewijzigd door de wet van 16 maart
  24. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest, doordat het beslist dat de schade tijdens de duur van de verzekeringsovereenkomst is voorgevallen en dat de waarborg van de beroepsaansprakelijkheidspolis van verweerster zich overeenkomstig artikel 78, ,§1, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst uitstrekt tot de vorderingen die na het einde van deze overeenkomst werden ingediend en derhalve de tussenvordering in vrijwaring van verweerster lastens eiseressen deels gegrond verklaart. Het verantwoordt deze beslissing onder andere met volgende overwegingen: "Ter beoordeling in deze zaak ligt de vraag voor of de verzekeringspolis in kwestie dekking verleent wanneer het tijdsverloop tussen fout en de schadevordering zich niet volledig binnen de duur van de verzekeringspolis voltrekt. Overeenkomstig artikel I, 1°, met betrekking tot de 'waarborg' en het 'voorwerp van de verzekering' van de polis daterende van 17 december 1992, is het verzekerde risico de buitencontractuele en contractuele burgerrechtelijke aansprakelijkheid die (verweerster) door haar beroepsactiviteit als verzekeringsproducent kan oplopen, binnen de territoriale grenzen van de polis in kwestie. Wat de 'omvang van de waarborg' betreft, bepaalt artikel I, C, 3°, dat de 'waarborg geldt voor de vorderingen die uiterlijk een jaar na de stopzetting van het contract tegen de verzekerden worden ingesteld op basis van aansprakelijkheidsverwekkende feiten die zich hebben voorgedaan tijdens de geldigheidsduur van de waarborg. Met andere woorden, van bij de aanvang van de verzekeringsovereenkomst in kwestie op 17 december 1992, hadden (verweerster) en (de eiseressen) de dekkingsverplichting van (de eiseressen) voor ogen, die zich ook uitstrekte tot vorderingen die na het einde van de overeenkomst werden ingediend wanneer de 'schadeverwekkende gebeurtenis' zich in de loop van de verzekeringsovereenkomst had voorgedaan. Gelet op de fout van (verweerster) zoals in huidig arrest vastgesteld, namelijk haar tussenkomst als verzekeringsproducent bij de totstandkoming op 23 maart 1994 van een verzekeringsovereenkomst met een directe verzekeraar die hiervoor niet erkend was, situeert de schadeverwekkende gebeurtenis zich in de tijd op voornoemd tijdstip. In het tijdsverloop tussen voornoemd 'schadeverwekkende gebeurtenis' van 23 maart 1994 en de vordering van een schadevergoeding door de raadsman van (Kashish Diamonds en Shaitur International) bij brief aan (verweerster) daterende van 29 juni 1996, treedt bij de inwerkingtreden op 4 mei 1994 van de wet van 16 maart 1994 (...) een wijziging van de artikelen 77 en 78 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst in, die in artikel 77 het begrip 'schadeverwekkende gebeurtenis' vervangt do or 'voorvallen van de schade'. Daar waar de oorspronkelijke redactie van artikel 78 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst aan (de eiseressen) als verzekeraars de verplichting oplegde om ook vorderingen te dekken die na het einde van de overeenkomst werden ingediend, wanneer de schadeverwekkende gebeurtenis zich in de loop van de overeenkomst had voorgedaan, behelst de verzekeringswaarborg van de nieuwe tekst van artikel 78, ,§1, enkel schade die voorvalt tijdens de duur van de overeenkomst en strekt zij zich uit tot vorderingen die na het einde van de overeenkomst worden ingediend, ongeacht of de schadeverwekkende gebeurtenis zich voor de aanvang van de verzekeringsovereenkomst situeert. Het nieuwe artikel 78, ,§1, wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst behoudt de onbeperkte posterioriteitsdekking als algemene regel, maar opdat de verzekeraar dekking zou moeten verlenen wordt thans geëist dat de schade voorgevallen is tijdens de duur van de overeenkomst. Voornoemde voorgevallen schade van 5 mei 1994 en 23 november 1994, vallen binnen de duur van de polis in kwestie gezien hoger werd vastgesteld dat deze eindigde op 31 december
  25. Het is namelijk op 5 mei 1994 en op 23 november 1994 dat (lees: de partijen opgeroepen in bindendverklaring) dienden te worden vergoed door de verzekeraar NV Kobe Reinsurance; vergoeding die er niet kwam door de foutieve medewerking van (verweerster) aan het totstandkomen op 23 maart 1994 van een verzekeringsovereenkomst tussen (lees: de partijen opgeroepen in bindendverklaring) en Kobe NV als niet erkend directe verzekeraar, met alle risico 's van dien, onder meer het faillissement van deze laatste. (De eiseressen) kunnen dan ook niet worden gevolgd waar zij het voorvallen van de schade situeren op datum van het faillissementsvonnis van de NV Kobe Reinsurance". Grieven Krachtens artikel 78, ,§1, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, zoals gewijzigd door de wet van 16 maart 1994, slaat de verzekeringswaarborg op de schade voorgevallen tijdens de duur van de overeenkomst en strekt deze zich uit tot vorderingen die na het einde van deze overeenkomst worden ingediend. Deze bepaling behoudt de onbeperkte posterioriteitsdekking als algemene regel, maar opdat de verzekeraar dekking zou moeten verlenen wordt thans geëist dat de schade voorgevallen is tijdens de duur van de overeenkomst. Bij gebrek aan een wettelijke definitie en bij ontstentenis aan een contractueel overeengekomen omschrijving in de verzekeringspolis, dient het voorvallen van de schade dan begrepen te worden als het zich manifesteren van de schade. De aansprakelijkheid, als het te dekken risico in elke aansprakelijkheidsverzekering, is immers pas denkbaar wanneer het slachtoffer zich bewust is van het feit dat hij schade lijdt tengevolge van een fout of tekortkoming van de verzekerde. De door de aansprakelijkheidsverzekeringen gedekte schade is het verlies dat de verzekerde lijdt uit hoofde van de aantasting van zijn persoonlijk vermogen ingevolge een tegen hem ingestelde aansprakelijkheidsvordering. Het slachtoffer kan slechts een aansprakelijkheidsvordering tegen de verzekerde instellen en in deze vordering slagen, indien de aansprakelijkheidsvoorwaarden verenigd zijn. Het slachtoffer moet onder meer de door hem geleden schade en het oorzakelijk verband tussen deze schade en de daad van de verzekerde aantonen. De schade moet zich dus noodzakelijkerwijze op één of andere manier gemanifesteerd hebben. Het bestreden arrest situeert het voorvallen van de schade, hetzij op de datum van de schadegevallen waarvan Kashish Diamonds en Shaitur International het slachtoffer zijn geweest, namelijk op 5 mei 1994 en 23 november 1994, hetzij op de datum van het totstandkomen van een verzekeringsovereenkomst tussen Kashish Diamonds en Shaitur International en Kobe NV door de foutieve medewerking van verweerster, namelijk op 23 maart 1994, terwijl er enkel sprake kon zijn van schade in hoofde van Kashish Diamonds en Shaitur International in het kader van de aansprakelijkheidsvordering tegen verweerster, vanaf het ogenblik dat gebleken is dat Kobe Reinsurance niet in staat zou zijn geweest om de verzekeringspenningen te betalen. Ten onrechte beslist aldus het bestreden arrest dat het voorvallen van de schade niet op de datum van het faillissementsvonnis van de NV Kobe Reinsurance kan gesitueerd worden. Het bestreden arrest, door het voorvallen van de schade vóór het zich manifesteren van de schade te situeren, schendt zodoende het wettelijk begrip "voorgevallen schade" (schending van voornoemd artikel 78, ,§1, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling van het eerste middel Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel Over de door verweerster opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid van het middel: het middel kan niet tot cassatie leiden en is derhalve zonder belang: De twee door verweerster als zelfstandig gekwalificeerde redenen die elk de beslissing zouden dragen worden door het middel in afzonderlijke onderdelen bekritiseerd. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid is niet te scheiden van het onderzoek van beide onderdelen. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Beoordeling van het eerste onderdeel
  26. Overeenkomstig artikel 29, ,§2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (hierna "Landverzekeringswet"), heeft de opzegging eerst uitwerking na het verstrijken van een termijn van ten minste een maand, te rekenen van de dag volgend op de betekening of de datum van het ontvangstbewijs of, in geval van een aangetekende brief, te rekenen van de dag die volgt op de afgifte ter post.
  27. Die wettelijke bepaling van dwingend recht verhindert dat de partijen in de verzekeringsovereenkomst een kortere opzeggingstermijn bedingen, maar staat er niet aan in de weg dat de partijen, nadat de opzeg is gegeven, een kortere opzeggingstermijn aanvaarden en aldus afstand doen van de bescherming geboden door artikel 29, ,§2, voornoemd.
  28. De appelrechters stellen vast dat: - overeenkomstig artikel II.C.2 van de algemene polisvoorwaarden, de eiseressen het recht hebben de polis op te zeggen door middel van een aangetekend schrijven en met inachtname van een opzeggingstermijn van vijftien dagen te rekenen vanaf zijn verzending na elke aangifte van schadegeval, doch uiterlijk dertig dagen na de betaling van de vergoeding of de weigering van tussenkomst. - de mandataris van de eiseressen bij brief van 12 april 1994 op grond van voormeld artikel II.C.2 de verzekeringsovereenkomst tussen de eiseressen en verweerster heeft opgezegd met uitwerking na verloop van de opzeggingstermijn van vijftien dagen, nl. tegen 27 april
  29. De appelrechters oordelen dat gezien de partijen niet in de mogelijkheid waren om in onderling akkoord af te wijken van artikel 29, ,§2, Landverzekeringswet, " (verweerster) ook niet uitdrukkelijk of stilzwijgend de uitwerking van de opzeggingstermijn van vijftien dagen en met de vervaldatum van 27 april 1994, zoals die vermeld werden in de brief van 12 april 1994, (kon) aanvaarden, noch door gebrek aan reactie op de opzegbrief, noch door het premiesaldo voor 1994 zonder protest in ontvangst te nemen".
  30. Door vervolgens te oordelen dat de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst bij ontstentenis van regelmatige minimum opzeggingstermijn, overeenkomstig artikel 29, ,§2, Landverzekeringswet, geen uitwerking heeft gehad, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.
  31. Het onderdeel is gegrond. Beoordeling van het tweede onderdeel
  32. Uit de appelconclusies van partijen blijkt dat zij het over eens waren dat de opzeg werd gegeven bij aangetekend schrijven van 12 april 1994 en er enkel betwisting bestond omtrent de datum waarop die uitwerking diende te krijgen, nl. 27 april 1994 volgens de eiseressen en ten vroegste 12 mei 1994 volgens verweerster.
  33. Door te oordelen dat "het bewijs van afgifte bij de post door (de eiseressen) niet wordt voorgelegd, zodat ook de dag die volgt op deze afgifte niet kan worden bepaald om de regelmatige minimum opzegtermijn van artikel 29, ,§2, Landverzekeringswet te laten ingaan", werpen de appelrechters een betwisting op die door de partijen was uitgesloten en schenden zij artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en miskennen ze het beschikkingsbeginsel.
  34. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  35. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de tussenvordering in vrijwaring van verweerster tegen de eiseressen en over de kosten van die vordering; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over; Verklaart het arrest bindend voor de in bindendverklaring opgeroepen partijen; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Dirk Debruyne, en in openbare terechtzitting van 5 januari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.