id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.5 Rolnummer: C.04.0435.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-21 Raadplegingen: 498 - laatst gezien 2026-07-04 09:19 Versie(s): Vertaling FR Fiche De beslissing die tijdens de rechtspleging tot vaststelling van de voorlopige vergoeding genomen is over de regelmatigheid van de onteigening, heeft alleen gevolgen in het kader van de voorlopige vergoeding maar belet niet dat de onteigende in het debat in herziening zijn bezwaren tegen de regelmatigheid van de onteigening ten volle opnieuw kan laten gelden
(1).
(1)Zie Cass., 7 dec. 1990, voltallige zitting, AR 6337, nr 181, met concl. adv.-gen. du JARDIN. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Rechtspleging tot vaststelling van de voorlopige vergoeding Regelmatigheid van de onteigening Beslissing Gevolgen Vordering tot herziening Nieuw debat Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 26-07-1962 - Art.16,tweede Tekst van de beslissing Nr. C.04.0435.N
- W.G. en zijn echtgenote,
- C.M., eisers, vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- INTERCOMMUNALE VERENIGING VOOR DE RUIMTELIJKE ORDENING EN DE SOCIAAL-ECONOMISCHE ONTWIKKELING VAN HET ARRONDISSEMENT DENDERMONDE "DENDER, DURME SCHELDE", met zetel te 9200 Dendermonde, Bevrijdingslaan 201,
- VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president van de Vlaamse regering en namens wie optreedt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, met kantoren te 1000 Brussel, Kreupelenstraat 2, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 maart 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. FEITEN De voorziening geeft het feitenrelaas en de procedurevoorgaanden weer als volgt: 1.- Bij besluit van de Gemeenschapsminister van binnenlandse aangelegenheden en openbaar ambt van 6 maart 1990 werd de eerste verweerster gemachtigd om tot de onteigening over te gaan van een aantal percelen grond, waaronder de eigendom van eisers. 2.- Bij vonnis van de Vrederechter van het Kanton Dendermonde van 18 september 1990 werd de door de eerste verweerster ingestelde onteigeningsvordering niet ontvankelijk verklaard om de reden dat de formaliteiten inzake bekendmaking ten overstaan van de eisers niet regelmatig vervuld werden. 3.- Dit vonnis werd ingevolge hoger beroep van de eerste verweerster hervormd door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde bij vonnis van 11 december 1990, waarbij beslist werd dat :
- het onteigend bestuur geen enkele tekortkoming in haar zorgvuldigheidsplicht aan te wrijven valt;
- de onteigeningsvordering regelmatig en ontvankelijk werd ingesteld en
- de wettelijke pleegvormen werden vervuld. 4.- Tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde hebben de eisers een cassatieberoep ingesteld, dat verworpen is bij arrest van 21 september
- 5.- Vervolgens werd bij vonnis van de Vrederechter te Dendermonde dd. 15 december 1992 de onteigening toelaatbaar verklaard en de provisionele onteigeningsvergoeding bepaald op 13.329,61 euro. Het hoger beroep van de eisers hiertegen werd bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 30 december 1993 niet ontvankelijk verklaard. Bij bevelschrift van 2 februari 1993 werd de eerste verweerster gemachtigd tot inbezitneming van het onteigende perceel. De door de Vrederechter benoemde deskundige J. T.heeft geadviseerd tot een grondwaarde van inneming van 33.457,82 euro. 6.- Bij vonnis van 13 september 1994 werd de voorlopige onteigeningsvergoeding bepaald op 40.818,52 euro, hierin begrepen een wederbeleggingsvergoeding van 22 pct. 7.- Bij dagvaarding van 5 december 1994 werd door eisers een vordering in herziening ingesteld zowel van het vonnis van 15 december 1992 als van het eindvonnis van 13 september
- In deze procedure is de tweede verweerder vrijwillig tussengekomen. 8.- De eerste rechter heeft bij vonnis van 1 december 2000 de vordering in herziening van het vonnis van 15 december 1992 onontvankelijk verklaard en de herzieningsvordering van het vonnis van de Vrederechter van 13 september 1994 ontvankelijk, maar ongegrond verklaard. 9.- Tegen dit vonnis hebben de eisers hoger beroep ingesteld. In hoger beroep vorderden zij dat hun herzieningsvorderingen ontvankelijk en gegrond zouden worden verklaard en dat dienvolgens de onteigening ontoelaatbaar zou worden verklaard met de veroordeling van eerste verweerster hun het eigendomsrecht van het onteigende goed, gelegen aan de Gewestweg N41, kadastraal bekend sectie A nr. 1046a met een oppervlakte van 5.398,74 m2, terug over te dragen door het ambt van een daartoe door het hof van beroep aan te stellen notaris, die de akte zal verlijden binnen de twee maand na de betekening van het te vellen arrest, bij gebreke waarvan het arrest zal gelden als titel. In ondergeschikte orde vorderen zij dat de definitieve onteigeningsvergoeding zou worden bepaald op 151.340,81 euro, hierin begrepen een wederbeleggingsvergoeding van 22 pct. en een wachtintrest van 8 pct. gedurende 3 maanden. 10.- Het bestreden arrest verklaart dit hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond. III. CASSATIEMIDDELEN Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 3 tot en met 15 en artikel 16 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte, vervat in artikel 5 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de onteigeningen ten algemene nutte en de concessies voor de bouw van autosnelwegen; - de artikelen 23 tot en met 28 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verwerpt de middelen van de eisers, weergegeven hieronder in het derde onderdeel en gesteund op de onregelmatigheid van de onteigening gezien het gebrek aan openbaar nut en noodzaak om te onteigenen en waarin eisers stelden dat er een schending is van artikel 16 van de Grondwet en waarop de eisers steunden om de schending van het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel aan te voeren (zie omvattende conclusies van de eisers neergelegd op 15 oktober 2003, pp. 16-19, punt d), op grond van volgende overwegingen: "Reeds voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde hebben (de eisers) uitvoerig uiteengezet dat 'hun perceel al een industriële bestemming heeft, en dat de tot schepping van een ambachtelijke zone aangediende onteigening derhalve wat het bewuste perceel betreft, een oneigenlijk doeleinde nastreeft en veeleer het particuliere belang van (de verweerders) dient dan het algemeen belang'. Dit middel werd met pertinente overwegingen van de kaart geveegd. Het Hof van Cassatie heeft uitdrukkelijk beslist dat het vonnis van de rechtbank van Dendermonde van 11 december 1990 zonder dubbelzinnigheid oordeelt dat uit de enkele omstandigheid dat het perceel reeds een industriële bestemming had, niet noodzakelijk voortvloeit dat de beslissing tot onteigening door machtsafwending is aangetast. Het Hof voegde daar nog aan toe: 'dat het perceel potentieel best bruikbaar kan zijn voor de eisers (appellanten), doch dat dit gegeven, net zo min als het overige bewijsmateriaal, de geuite beschuldiging van machtsafwending en machtsmisbruik schraagt'. Het thans door (eisers) aangevoerde middel, gesteund op artikel 16 van de Grondwet, is onontvankelijk ingevolge het gewijsde waarmede het vonnis van de rechtbank te Dendermonde van 11 december 1990 en het arrest van het Hof van Cassatie zijn bekleed". Grieven Eerste onderdeel Het motief dat luidt: "Het middel werd met pertinente overwegingen van de kaart geveegd" is dubbelzinnig. Ofwel betekent dit motief dat verweerders met pertinente overwegingen het middel van eisers, waarbij zij de onregelmatigheid van de onteigening inriepen wegens het gebrek aan openbaar nut en noodzaak om te onteigenen en hierbij steunden op een schending van artikel 16 van de Grondwet en verder ook de schending inriepen van het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsvereiste, van de kaart hebben geveegd door, zoals zij het effectief deden, zich te beroepen op het gezag van gewijsde van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 11 december 1990 en van het arrest van het Hof van Cassatie van 21 september 1992, reden waarom het bestreden arrest oordeelt dat dit middel van de eisers onontvankelijk is ingevolge het gewijsde waarmede het vonnis van de rechtbank te Dendermonde van 11 december 1990 en het arrest van het Hof van Cassatie zijn bekleed. In dat geval is het bestreden arrest onwettig om de redenen vermeld in het tweede onderdeel. Ofwel betekent dit motief dat de overwegingen van de Rechtbank te Dendermonde in haar vonnis van 11 december 1990 en van het Hof van Cassatie in zijn arrest van 21 september 1992, waarbij dit middel van de eisers werd verworpen, pertinent zijn en dus door het hof van beroep worden overgenomen om het middel van de eisers te verwerpen. In die hypothese, waarin het bestreden arrest niet de onwettigheid zou bevatten waarvan sprake in het tweede onderdeel, is het evenwel niet te verstaan dat het hof van beroep beslist dat dit middel onontvankelijk is ingevolge het gewijsde waarmee het vonnis van de rechtbank te Dendermonde van 11 december 1990 en het arrest van het Hof van Cassatie van 21 september 1992 zijn bekleed. Die dubbelzinnigheid brengt mee dat het bestreden arrest artikel 149 van de Grondwet schendt. Tweede onderdeel De herzieningsprocedure, voorzien in artikel 16 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte, staat totaal los van de procedure voor de vrederechter, waarvan sprake in de artikelen 3 tot 15 van die wet. In de herzieningsprocedure is het de onteigende toegelaten middelen met betrekking tot de regelmatigheid van de onteigening aan te voeren ongeacht of hij die middelen al dan niet voor de vrederechter heeft aangevoerd en zelfs indien die middelen door de vrederechter, of ingevolge het hoger beroep van de onteigenaar waarvan sprake in artikel 7, laatste lid, van de vermelde wet van 26 juli 1962, door de rechtbank van eerste aanleg, of ingevolge een voorziening in cassatie tegen de beslissing van die laatste rechtbank, door het Hof van Cassatie, werden verworpen. Het bestreden arrest verwerpt het middel van eisers, waarbij zij de onregelmatigheid van de onteigening inriepen wegens het gebrek aan openbaar nut en noodzaak om te onteigenen en waarbij een schending van artikel 16 van de Grondwet inriepen en waarop zij steunden om de schending van het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsvereiste aan te voeren, door zich te baseren op "het gewijsde waarmede het vonnis van de rechtbank te Dendermonde van 11 december 1990 en het arrest van het Hof van Cassatie (van 21 september 1992) zijn bekleed". Dit vonnis en dit arrest kaderen evenwel in de procedure gevoerd voor de vrederechter en niet in de herzieningsprocedure. Bijgevolg hebben dit vonnis en dit arrest geen gezag of kracht van gewijsde in de herzieningsprocedure en dienden de appelrechters vermeld middel van eisers te onderzoeken wat betreft zijn gegrondheid. Door dit niet te doen, doch zich te beroepen op het gewijsde van beslissingen geveld in het kader van de procedure voor de vrederechter, miskennen zij de eigen aard van de procedure voor de vrederechter enerzijds en van de herzieningsprocedure anderzijds (schending van de artikelen 3 t.e.m. 15 van vermelde wet van 26 juli 1962 enerzijds en van artikel 16 van die wet anderzijds). De appelrechters schenden tevens de artikelen 23 tot en met 28 van het Gerechtelijk Wetboek nu de grondbestanddelen van de vordering voor de vrederechter en die van de herzieningsvordering verschillend zijn, waardoor een beslissing in het kader van de procedure voor de vrederechter in verband met de regelmatigheid van de onteigening geen gezag van gewijsde kan hebben in de herzieningsprocedure. De procedure voor de vrederechter, die onderworpen is aan specifieke regels, is een vereenvoudigde en snelle procedure waarbij in een eerste tijd een regelmatigheidstoetsing gebeurt en de provisionele vergoeding wordt vastgesteld en daarna het bedrag van de voorlopige vergoeding wordt bepaald. Het doel van die procedure is een snelle inbezitstelling door de onteigenaar en een spoedig vergoeding van de onteigende. De herzieningsprocedure daarentegen is bedoeld om aan de euvels te verhelpen van de uitzonderlijke procedure voor de Vrederechter, waarbij deze laatste in allerijl alle geschilpunten dient op te lossen en waarbij de onteigende niet altijd al zijn rechten volledig kan doen gelden. Dit gebeurt door een procedure die behandeld wordt overeenkomstig de regels van het Gerechtelijk Wetboek en waarin de onteigende al zijn middelen en zelfs nieuwe middelen mag voordragen. Derde onderdeel De eisers deden in hun omvattende conclusie, neergelegd op 15 oktober 2003, gelden dat de onteigening van hun perceel onwettig was om de reden dat het doel waarvoor die onteigening gebeurde, te weten de creatie van gebieden met industriële bestemming, even goed kon worden gerealiseerd zonder onteigening van hun perceel, dit omdat hun perceel reeds een industriële bestemming had. Volgens hen voldeed de onteigening dus niet aan de noodzaakvereiste die uit artikel 16 van de Grondwet volgt. Teneinde aan te tonen dat er geen noodzaak was om hun perceel te onteigenen met het doel industriële gebieden te scheppen, voerden zij aan dat de percelen nrs. 1, 2, 3, 4, 15, 16 en 17 van het onteigeningsplan door de eerste verweerster niet werden onteigend omdat de firma E.M.R.G. die percelen voorbehield voor expansie. Uit dit laatste leidden de eisers ook af dat de onteigenende overheid het gelijkheidsbeginsel had geschonden door om vermelde reden de percelen van de firma E.M.R.G. niet te onteigenen en anderzijds toch het perceel van eisers te onteigenen alhoewel dit laatste perceel ook bestemd was voor de expansie van het bedrijf van de eisers. Tenslotte voerden de eisers de schending aan van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, nl. het evenredigheidsvereiste, omdat de onteigenende overheid voor het realiseren van het doel van de onteigening niet de minst vergaande maatregel had gekozen. Dit doel kon worden bereikt door de industriële exploitatie van het perceel door eisers niet te verhinderen, maar de overheid koos voor de onteigening (zie pp. 16, 17, 18 en 19 bovenaan van de omvattende conclusie van de eisers). De door het bestreden arrest aangehaalde overwegingen van het arrest van het Hof van Cassatie van 21 september 1992 en van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 11 december 1990 hebben geen betrekking op de aldus door de eisers ontwikkelde middelen. Vermelde overwegingen betreffen uitsluitend de vraag of de onteigening van het perceel van de eisers getuigt van machtsafwending en machtsmisbruik in hoofde van de eerste verweerster. Door te beslissen, op grond van vermelde overwegingen van het vonnis van Dendermonde en van het arrest van het Hof van Cassatie, dat het thans door de eisers aangevoerde middel, gesteund op artikel 16 van de Grondwet, onontvankelijk is ingevolge het gewijsde waarmee het vonnis van de rechtbank te Dendermonde van 11 december 1990 en het arrest van het Hof van Cassatie van 21 september 1992 zijn bekleed, miskent het bestreden arrest derhalve het gezag en de kracht van gewijsde van dit vonnis en dit arrest (schending van de artikelen 23 tot en met 28 van het Gerechtelijk Wetboek). Vierde onderdeel De middelen van de eisers, aangevoerd in hun omvattende besluiten onder de titel "Gebrek aan openbaar nut en noodzaak om te onteigenen" en weergegeven in het derde onderdeel van huidig middel, zijn gesteund op het gebrek aan noodzaak om hun perceel te onteigenen met het oog industriegebieden te scheppen, op een schending van het gelijkheidsbeginsel en op een schending van de evenredigheidsvereiste. Door die middelen uit te leggen als een middel gesteund op machtsafwending en machtsmisbruik, terwijl die middelen gesteund zijn op het ontbreken van een wettelijke vereiste om tot onteigening over te gaan (vervat in artikel 16 van de Grondwet) en op een schending van het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsvereiste, schendt het bestreden arrest de bewijskracht van al hetgeen de eisers in hun omvattende besluiten, neergelegd op 15 oktober 2003, hebben geschreven onder het punt "Gebrek aan openbaar nut en noodzaak om te onteigenen" (pp. 16, 17, 18 en 19 bovenaan, van die conclusie). Het bestreden arrest schendt zodoende de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Vijfde onderdeel Het bestreden arrest antwoordt niet op de middelen van de eisers, aangevoerd in hun omvattende besluiten en aangehaald in het derde onderdeel, nu de "pertinente" overwegingen van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 11 december 1990 en van het arrest van het Hof van Cassatie van 21 september 1992 niet op die middelen betrekking hebben (schending van artikel 149 van de Grondwet). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 16 van de gecoördineerde Grondwet, zijnde, ten tijde van de litigieuze onteigening, artikel 11 van de Grondwet; - artikel 79, ,§1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen; - de artikelen 2 en 3 van het decreet van 13 april 1988 van de Vlaamse Raad tot bepaling van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse Executieve kon overgaan tot onteigeningen ten algemene nutte inzake gewestelijke aangelegenheden. Bestreden beslissingen Het bestreden arrest beslist tot de regelmatigheid van het onteigeningsbesluit van 6 maart 1990 o.m. op grond van volgende overwegingen: "In tegenstelling tot wat de (eisers) voorhouden bepaalt het decreet van 13 april 1988 in welke gevallen de Executieve kan onteigenen of andere rechtspersonen kan machtigen tot onteigening. Dit decreet van de Vlaamse Raad van 13 april 1988 'tot bepaling van de gevallen en modaliteiten waarbij de Vlaamse Executieve kan overgaan tot onteigening ten algemene nutte inzake gewestelijke aangelegenheden' machtigt de executieve uitdrukkelijk om over te gaan tot onteigening ten algemene nutte van onroerende goederen in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging noodzakelijk is voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid inzake gewestelijke aangelegenheden, zoals bepaald in de wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen. Ook kan de Executieve andere rechtspersonen, die bevoegd zijn om onroerende goederen te onteigenen, machtigen tot onteigening over te gaan in diezelfde gevallen. Wanneer de Grondwet bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemene nutte en op de wijze bij wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling, is het te dezen duidelijk dat in het decreet de gevallen en de modaliteiten worden aangegeven onder dewelke het Vlaamse Gewest kan overgaan tot onteigening ten algemene nutte inzake gewestelijke aangelegenheden. Krachtens dit decreet kunnen ook de intercommunales gemachtigd worden over te gaan tot onteigening". Grieven Artikel 16 van de gecoördineerde Grondwet (ten tijde van het onteigeningsbesluit artikel 11 van de Grondwet) bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemene nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald. Artikel 79, ,§1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt dat (onverminderd ,§2) de Regeringen kunnen overgaan tot onteigeningen ten algemene nutte in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald bij decreet. Het decreet van 13 april 1988 van de Vlaamse Raad tot bepaling van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse Executieve kan overgaan tot onteigeningen ten algemene nutte inzake gewestelijke aangelegenheden machtigt de Executieve tot onteigening van onroerende goederen in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging ervan noodzakelijk is voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid inzake gewestelijke aangelegenheden zoals bepaald in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (artikel 2) en bepaalt tevens in welke gevallen andere rechtspersonen door de Executieve kunnen worden gemachtigd tot onteigening (zie artikel 3). Aldus machtigt dit decreet de Executieve om tot onteigening over te gaan in gevallen van algemeen nut, zonder evenwel reeds de concrete gevallen aan te duiden waarin onteigening is toegelaten. Die concrete gevallen moeten uitdrukkelijk en concreet bij decreet worden bepaald. Het bestreden arrest, door te beschouwen dat de onteigening van het perceel van eisers kon gebeuren op grond van vermeld decreet van 13 april 1988, schendt derhalve de in het middel aangevoerde wetsbepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling van het tweede onderdeel van het eerste middel
- Krachtens artikel 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte, kan de vordering tot herziening ook gegrond zijn op de onregelmatigheid van de onteigening.
- De beslissing die tijdens de rechtspleging tot vaststelling van de voorlopige vergoeding genomen is over de regelmatigheid van de onteigening, heeft alleen gevolgen in het kader van de voorlopige vergoeding maar belet niet dat de onteigende in het debat in herziening zijn bezwaren tegen de regelmatigheid van de onteigening ten volle opnieuw kan laten gelden. Oordelen dat de onteigende niet het recht heeft tijdens de herziening de excepties te laten gelden die hij tijdens de rechtspleging tot vaststelling van de voorlopige vergoeding al had opgeworpen, zou tot gevolg hebben dat het recht dat hem door de Grondwet en het genoemde artikel 16, tweede lid, zonder beperking wordt gewaarborgd, zou worden uitgehold.
- Het arrest, dat het door de eisers aangevoerde middel van gebrek aan openbaar nut en noodzaak van de betwiste onteigening onontvankelijk verklaart "ingevolge het gewijsde waarmede het vonnis van de rechtbank te Dendermonde van 11 december 1990 en het arrest van het Hof van Cassatie zijn bekleed", verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.
- Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Greta Bourgeois, Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 5 januari 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220609.1N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170504.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div