← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.7 Rolnummer: D.05.0005.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2006-11-24 Raadplegingen: 561 - laatst gezien 2026-07-04 00:38 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Uit de omstandigheid alleen dat de tuchtraad van beroep van de Orde van advocaten is samengesteld uit vier advocaten en een magistraat valt niet af te leiden dat dit rechtscollege niet onafhankelijk en onpartijdig is in de zin van artikel 6, ,§ 1, E.V.R.M., noch dat het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter geschonden wordt

(1).
(1)Zie Cass., 30 nov. 2000, AR D.00.0023.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001130.8, nr 659. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Tuchtzaken Onpartijdigheid Onafhankelijkheid Orde van Advocaten Raad van beroep Samenstelling Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: ADVOCAAT Tuchtzaken Orde van Advocaten Raad van beroep Samenstelling Onpartijdigheid Onafhankelijkheid Verdrag Rechten van de Mens Artikel 6.1 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Onpartijdigheid van de rechter Orde van Advocaten Raad van beroep Samenstelling Fiches 4 - 5 Het Hof van cassatie is niet gehouden aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen die gebaseerd is op een onjuiste onderstelling van het cassatiemiddel over de inhoud van het recht
(1).
(1)Cass., 11 feb. 2005, AR C.04.0262.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050211.7, nr
  1. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Hof van Cassatie Verplichting Cassatiemiddel Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Arbitragehof Hof van Cassatie Verplichting Cassatiemiddel Tekst van de beslissing NR. D.05.0005.N E.O., eiser, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen PROCUREUR GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, wiens kabinet gevestigd is in het Gerechtshof, 2000 Antwerpen, Waalse Kaai, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 22 maart 2005 gewezen door de tuchtraad van beroep van de balies van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Antwerpen. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ondertekend te Rome op 4 november 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; - de artikelen 10, 11 en 159 van de gecoördineerde Grondwet; - algemeen rechtsbeginsel betreffende de onpartijdigheid van de rechter; - algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van een internationale Verdragsregel met rechtstreekse werking boven een daarmee strijdige regel van nationaal recht. Aangevochten beslissingen Bij de bestreden beslissing werd de in eerste aanleg lastens eiser opgelegde tuchtstraf van 15 dagen schorsing bevestigd. De tuchtraad van beroep oordeelde dat eiser, door zijn handelwijze die blijk gaf van een "flagrante belangenvermenging" zich had schuldig gemaakt aan een "ernstige inbreuk op een elementaire deontologische verplichting" en dat hij "duidelijk de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen, heeft geschonden". Volgens de tuchtraad van beroep kan eiser evenmin ernstig volhouden dat hij aan de stafhouder steeds correcte informatie heeft gegeven. De tuchtraad van beroep die de bestreden beslissing wees was samengesteld uit vier advocaten en één magistraat, tevens voorzitter van het tuchtcollege. Grieven Eerste onderdeel Schending van artikel 6.1 EVRM, en 159 van de Grondwet alsook van de algemene rechtsbeginselen van de onpartijdigheid van de rechter en van de voorrang van internationaalrechtelijke regels boven daarmee strijdige regels van nationaal recht. Artikel 6.1 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel betreffende de onpartijdigheid van de rechter, een grondregel van de rechtsbedeling (Cass., 31 mei 2000, A.C. 2000, 1026, nr. 338), vereisen ook een organieke of objectieve onpartijdigheid van de rechter bij de beoordeling waarvan ook rekening dient gehouden te worden met de samenstelling en organisatie van het betrokken rechtscollege. In voorliggend geval werd eiser, conform de Belgische wet (artikel 473 Gerechtelijk Wetboek), berecht door een kamer bestaande uit vijf leden waarvan vier advocaten en één magistraat die het voorzitterschap waarnam. Deze samenstelling waarbij alle "rechters" -behalve één beroepsmagistraat- advocaten zijn, d.i. gewezen of mogelijke tegenstrevers en "concurrenten" van eiser, biedt een grond van gewettigde twijfel aan de vereiste organieke of objectieve onpartijdigheid van het betrokken tuchtcollege. In zover deze gekritiseerde samenstelling steunt op een wetsbepaling van intern recht die strijdig is met een verdragsrechtelijke bepaling (artikel 6.
  2. EVRM), dienden de betrokken "rechters" de toepassing van de desbetreffende nationale wetsbepalingen (artikelen 472 t/m 476) Gerechtelijk Wetboek te weigeren op grond van de ambtshalve op te werpen onwettigheidsexceptie ex artikel 159 van de Grondwet en het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van de verdragsrechtelijke regel. Door te zetelen in de betwiste samenstelling en aldus de bestreden beslissing te wijzen, heeft de tuchtraad van beroep alle in het onderdeel ingeroepen wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen geschonden. Tweede onderdeel Schending van de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet. De in het eerste onderdeel gekritiseerde samenstelling van de tuchtraad van beroep zoals bepaald door de artikelen 472 t/m 476 Gerechtelijk Wetboek, meer bepaald artikel 473 schendt het gelijkheidsbeginsel (artikel 10 Grondwet) en het discriminatieverbod (artikel 11 Grondwet). Deze ongelijkheid en discriminatie bestaan hierin dat wat de advocaten betreft, zij onderworpen zijn aan een tuchtcollege in beroep dat samengesteld is uit vijf personen waarvan vier beroepsgenoten en slechts één magistraat (artikel 473 Gerechtelijk Wetboek) terwijl tuchtraden van beroep m.b.t. andere beroepen paritair zijn samengesteld, nl. beroepsgenoten en magistraten waarvan een magistraat als voorzitter fungeert. In dit verband verwijst eiser naar volgende wettelijke bepalingen : - i.v.m. geneesheren : artikel 12 van het Koninklijk Besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der Geneesheren : paritair : vijf geneesheren vijf magistraten. - i.v.m. apothekers : artikel 12 van het Koninklijk Besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der Apothekers : paritair : vijf apothekers vijf magistraten. - i.v.m. architecten : artikel 28 van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten : paritair : drie magistraten drie architecten. Voor deze fundamentele ongelijkheid van samenstelling van de tuchtraad van beroep waarbij alleen de advocaten niet onderworpen zijn aan een paritair samengestelde tuchtraad van beroep doch aan een tuchtcollege dat, met uitzondering van één lid, bestaat uit beroepsgenoten, concurrenten in de dienstverlening, bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording. Dienvolgens zijn de bovenvermelde artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden. Overeenkomstig artikel 26, ,§1-3° en ,§2 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, staat het aan het Hof van Cassatie aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen omtrent de door eiser opgeworpen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 473 Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling van het eerste onderdeel
  3. Krachtens artikel 159 van de Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.
  4. Die bepaling is vreemd aan het toetsen van de wettelijke bepalingen van de artikelen 472 tot en met 476 van het Gerechtelijk Wetboek aan voormeld artikel van de Grondwet.
  5. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.
  6. Uit de omstandigheid alleen dat de tuchtraad van beroep van de Orde van advocaten is samengesteld uit vier advocaten en een magistraat valt niet af te leiden dat dit rechtscollege niet onafhankelijk en onpartijdig is in de zin van artikel 6, ,§1, van het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Deze samenstelling schendt evenmin het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter.
  7. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Beoordeling van het tweede onderdeel
  8. Het onderdeel preciseert niet hoe en waardoor de bestreden beslissing artikel 159 van de Grondwet schendt.
  9. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.
  10. Het onderdeel gaat uit van de onderstelling dat, wat betreft de samenstelling van de tuchtraad van beroep, alleen de advocaten niet onderworpen zijn aan een paritair samengestelde tuchtraad van beroep.
  11. Deze onderstelling is onjuist.
  12. Er bestaat dus geen reden een daarop gegronde vraag aan het Arbitragehof te stellen.
  13. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van 688 euro 23 cent jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Greta Bourgeois, Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 5 januari 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100226.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001130.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050211.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060512.8 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.10 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.