← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060109.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060109.5 Rolnummer: C.05.0007.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-11-14 Raadplegingen: 639 - laatst gezien 2026-07-04 11:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit niet uit dat schade in de zin van art. 1382, B.W. ontstaat, tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten

(1).
(1)Zie Cass., 4 maart 2002, AR C.01.0284.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020304.6, nr
  1. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Algemeen Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Algemeen Schadeverhinderend karakter van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting Criterium Fiche 2 De Belgische Staat is verplicht de vergoedingen en de rechten die voortvloeien uit de wet van 3 juli 1987 betreffende de preventie van of de schadevergoedingen voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en van beroepsziekten in de overheidssector, te betalen. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Werkgever Arbeidsongeval Vergoedingen en rechten Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - Artt.1en14,§ Fiche 3 In de mate een wettelijke of reglementaire norm een werkgever die optreedt als verzekeraar, verplicht sommen te betalen waarvan het bedrag groter is dan wat hij als werkgever zou hebben betaald voor gepresteerde diensten, heeft deze norm tot strekking dat die sommen definitief ten laste blijven van die werkgever; die werkgever lijdt door nakoming van die verplichting geen schade die hij kan terugvorderen van de aansprakelijke derde. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Werkgever Verzekeraar Arbeidsongeval Wettelijke en reglementaire verplichtingen Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - Artt.1en14,§ Tekst van de beslissing Nr. C.05.0007.N AVERO BELGIUM INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe, Woluwedal 64, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, minister van Leefmilieu en Pensioenen, wiens kabinet gevestigd is te 1070 Anderlecht, Ernest Blerotstraat 1, (en, voor zoveel als nodig, in de persoon van de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14,) verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, en ten aanzien van VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-President, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming, met kantoren te 1210 Sint-Joost-ten Node, Koning Albert II-laan 15, partij opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 1 april 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 13 december 2005 verwezen naar de derde kamer. De eiseres voert in een verzoekschrift een middel aan. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 14, ,§3, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, in de versie zoals het bestond vóór het werd opgeheven bij wet van 21 december 1994 en, voor zover als nodig, in de versies zoals het bestond nadat het opnieuw werd ingevoegd bij wet van 20 december
  2. Aangevochten beslissing De rechtbank van eerste aanleg verklaart het hoger beroep van eiseres ongegrond en bevestigt het vonnis van de politierechtbank waarbij eiseres werd veroordeeld tot betaling van de som van 896.627 BEF (22.226,82 euro) aan verweerder. De rechtbank beslist aldus op volgende gronden: "De vordering van (verweerder) heeft betrekking op de arbeidsongevallenrente die (verweerder) sinds 1 maart 1995 aan mevrouw L'Hoest toekent wegens haar blijvende invaliditeit van 6 pct. (Eiseres) stelt dat de rechtbank moet bepalen wat de getroffene in gemeen recht voor dezelfde schade had kunnen vorderen indien het ongeval geen arbeidsongeval was. Volgens (eiseres) heeft het slachtoffer geen inkomstenverlies geleden en wordt voor een lichte graad van invaliditeit meestal geen kapitalisatieberekening toegepast doch enkel een forfaitaire vergoeding uitgekeerd. (Eiseres) stelt 805,65 euro per punt voor. De wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector voorziet in artikel 14, ,§3, voor de overheid in een van rechtswege indeplaatsstelling in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen van de getroffene. De door (verweerder) uiteengezette berekening gebeurde op grond van een wettelijke bepaling, met name artikel 4, ,§1, van de wet van 3 juli 1967 (waarbij rekening wordt gehouden met een vermindering van de rente omdat het in casu een ongeschiktheid van meer dan 5 pct. en minder dan 10 pct. betreft). De vordering van (verweerder) steunt niet alleen op artikel 14, ,§3, van de wet van 13 juli 1967 maar tevens op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek (zie dagvaarding en beroepsakte). Volgens cassatierechtspraak sluit het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting niet uit dat schade in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomt, de wet of het reglement, de te verrichten uitgaven of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegenen die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten (...). In casu blijkt duidelijk dat de arbeidsongevallenrente die overeenkomstig de wettelijke verplichtingen wordt uitbetaald door de Belgische Staat niet in ruil komt voor arbeidsprestaties en bijgevolg een schade uitmaakt. Deze wettelijke verplichting moet niet definitief ten laste blijven van de Belgische Staat". Grieven Overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek is degene door wiens schuld schade ontstaat, gehouden alle door zijn onrechtmatige daad veroorzaakte schade te vergoeden. Het bestaan van een wettelijke verplichting tot het vestigen van een kapitaal verhindert het ontstaan van schade in de zin van die wetsbepalingen, ingeval blijkens de inhoud van de wet waaruit de verplichting tot het vestigen van een kapitaal ontstaat, de te verrichten uitgave definitief ten laste moet blijven van diegene op wie de wettelijke verplichting tot het vestigen van een kapitaal rust. Overeenkomstig het eerste lid van artikel 14, ,§3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector brengt de toepassing van deze wet van rechtswege mee dat de rechtspersonen die de last van een arbeidsongevallenrente dragen, in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen treden die het slachtoffer kan doen gelden tegen de persoon die aansprakelijk is voor het ongeval op de weg naar en van het werk en zulks tot het bedrag van de rente en vergoedingen door deze rechtspersoon betaald en van het bedrag gelijk aan het kapitaal dat die renten vertegenwoordigt. Krachtens deze wetsbepaling kan de gesubrogeerde rechtspersoon geen andere rechten uitoefenen dan het slachtoffer tegen de aansprakelijke had kunnen doen gelden en kan deze rechtspersoon van de aansprakelijke niet meer vorderen dan de vergoeding die in gemeen recht aan de getroffene toekomt en die dezelfde schade dekt. De omvang van de vordering van de gesubrogeerde rechtspersoon tegen de aansprakelijke of zijn verzekeraar wordt aldus beperkt enerzijds tot het bedrag van de arbeidsongevallenrente en van het kapitaal dat die rente vertegenwoordigt en anderzijds tot het bedrag van de gemeenrechtelijke schadevergoeding. De gesubrogeerde rechtspersoon kan slechts aanspraak maken op het kleinste van beide bedragen. In haar appelconclusie voert eiseres aan dat verweerders vordering beperkt is tot het bedrag dat het slachtoffer van de aansprakelijke kan vorderen, dat het slachtoffer ten hoogste aanspraak kan maken op een forfaitaire schadevergoeding van 4.833,93 euro en dat verweerders schade overeenkomstig artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet bestaat in de betaling van de arbeidsongevallenrente. De rechtbank van eerste aanleg stelt vast dat verweerders vordering niet alleen op de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector berust, maar tevens op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek steunt. De rechtbank overweegt dat de arbeidsongevallenrente niet in ruil komt voor arbeidsprestaties en bijgevolg een schade uitmaakt en dat de wettelijke verplichting tot betaling van de rente niet definitief ten laste moet blijven van verweerder. De rechtbank bevestigt op die gronden het vonnis van de politierechtbank waarbij eiseres tot betaling van een som van 22.226,82 euro aan verweerder wordt veroordeeld zonder na te gaan of het door verweerder gevorderde bedrag de aan het slachtoffer toekomende schadevergoeding niet overtrof. De appelrechters verklaren verweerders vordering integraal gegrond zonder na te gaan of het door verweerder gevorderde bedrag de aan het slachtoffer toekomende schadevergoeding niet overtreft en schenden derhalve zowel artikel 14, ,§3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (zoals in het middel gepreciseerd) dat de vordering van de rechtspersoon die de last van een arbeidsongevallenrente draagt, beperkt tot het bedrag dat krachtens het gemeen recht aan het slachtoffer toekomt, als de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek die het kapitaal dat krachtens een wettelijke bepaling moet worden uitbetaald, slechts als schade beschouwen, indien en voor zover blijkens de desbetreffende wetsbepaling de te verrichten uitgave niet definitief ten laste moet blijven van diegene op wie de wettelijke verplichting tot het vestigen van een kapitaal rust. III. BESLISSING VAN HET HOF Bindendverklaring
  3. De Vlaamse Gemeenschap werpt een middel van niet-ontvankelijkheid op van de vordering tot bindendverklaring tegen haar ingesteld.
  4. De Vlaamse Gemeenschap neemt nochtans uitdrukkelijk aan "dat een gebeurlijke cassatie op eiseres' voorziening derhalve de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg met betrekking tot de Vlaamse Gemeenschap kan treffen".
  5. Het middel moet wegens innerlijke tegenstrijdigheid worden verworpen. Beoordeling van het middel
  6. Krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, is degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht deze schade integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien die daad waarover hij zich beklaagt, niet was gesteld.
  7. Krachtens de artikelen 1 en 14, ,§2, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, is de Belgische Staat verplicht de vergoedingen en rechten die voortvloeien uit deze wet te betalen.
  8. Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit niet uit dat schade in de zin van artikel 1382 of 1383 van het Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij wanneer blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten.
  9. In de mate een wettelijke of reglementaire norm een werkgever die optreedt als verzekeraar, verplicht sommen te betalen waarvan het bedrag groter is dan wat hij als werkgever zou hebben betaald voor gepresteerde diensten, heeft deze norm tot strekking dat die sommen definitief ten laste blijven van die werkgever. Die werkgever lijdt door de nakoming van die verplichting geen schade die hij kan terugvorderen van de aansprakelijke derde.
  10. Het bestreden vonnis oordeelt dat de arbeidsongevallenrente niet in ruil komt voor arbeidsprestaties en bijgevolg dat de wettelijke verplichting een rente te betalen niet definitief ten laste moet blijven van de Belgische Staat.
  11. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis; Beveelt dat van dit arrest melding zal gemaakt worden op de kant van de vernietigde beslissing; Verklaart dit arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partij; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelings-voorzitter Robert Boes, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van 9 januari 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060109.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110530.4 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121023.5 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150401.5 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210118.3F.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020304.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070918.1 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071001.2 ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070918.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081112.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090630.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.