← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060109.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060109.6 Rolnummer: C.04.0519.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2006-11-14 Raadplegingen: 718 - laatst gezien 2026-07-04 10:11 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een motorrijtuig is betrokken bij een verkeersongeval indien zijn aanwezigheid enig verband houdt met de totstandkoming van het verkeersongeval; hieruit volgt dat voor de betrokkenheid niet verreist is dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de aanwezigheid van het voertuig en het ongeval

(1).
(1)Cass., 9 jan. 2004, AR C.02.0194.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040109.9, nr 11, met concl. adv.-gen. WERQUIN. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Vrije woorden: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Vergoedingsplicht Verkeersongeval Motorrijtuig Betrokkenheid Begrip Wettelijke bepalingen: Wet - 21-11-1989 - Art.29bis Tekst van de beslissing Nr. C.04.0519.N ETHIAS, onderlinge verzekeringsvereniging, met zetel te 4000 Luik, Rue des Croisiers 24, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, verzekeringsmaatschappij met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, en ten aanzien van V.D.S. L., partij opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 12 februari 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 12 december 2005 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in een verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - artikel 29 bis, in het bijzonder ,§1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht na de wijziging bij wet van 19 januari 2001. Aangevochten beslissingen In het aangevochten vonnis van 12 februari 2004 verklaart de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, na in het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis alle andersluidende en meer omvattende besluiten als niet terzake en/of overbodig van de hand te hebben gewezen, het door verweerster tegen het vonnis, gewezen door de Politierechtbank te Brussel op 17 oktober 2002, ingestelde hoger beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het bestreden vonnis met betrekking tot de gegrondheid van de oorspronkelijk vordering van de heer V.D.S. ten aanzien van verweerster en verklaart de oorspronkelijke hoofdvordering ten aanzien van verweerster ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond. De rechtbank van Eerste Aanleg verklaart tevens het door de heer V.D.S. ingestelde incidenteel beroep ontvankelijk en deels gegrond, veroordeelt eiseres tot betaling van de som van 125.000 EUR ten provisionele titel, te vermeerderen met gerechtelijke intresten, bevestigt het bestreden vonnis voor het overige (d.w.z. in zoverre een medische expertise werd bevolen) en verwijst de zaak overeenkomstig artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek terug naar de eerste rechter. De rechtbank stoelt deze beslissing op volgende gronden: "De betwisting tussen partijen heeft betrekking op het bepalen van de aansprakelijkheden en het regelen van de burgerlijke belangen naar aanleiding van een verkeersongeval op 17 maart 2001, omstreeks 6 uur 's ochtends, op de Keizer Karellaan te Brussel, waarbij betrokken waren: - de heer L. V.D.S.; - een personenwagen Ford Focus, bestuurd door de heer M.F., verzekerd bij OMOB, thans Ethias. Er waren geen getuigen van het ongeval. Er werd een strafdossier opgesteld, dat zonder gevolg werd gerangschikt. Op basis van de gegevens in het strafdossier kunnen de feiten als volgt worden gereconstrueerd: De heer M. reed op de Keizer Karellaan, komende van Brussel, in de richting van Gent. De heer L. V.D.S. had zijn voertuig Renault 25 geparkeerd op de rechterkant van de rijbaan, gezien van uit de door de heer M.gevolgde rijrichting. De wagen was weliswaar onregelmatig geparkeerd daar deze zich bevond vlak voor de verkeerslichten op de rijstrook voorbehouden voor de weggebruikers die naar rechts wensen af te draaien aan het kruispunt. De heer V.D.S. werd toen hij zich naast zijn voertuig bevond aangereden door de wagen van de heer M.. Hij verklaarde: (vrije vertaling): 'Gekomen ter hoogte van n° 84 van de Keizer Karellaan, waar een voertuig geparkeerd stond, werd ik verrast door een betrekkelijk lichte aanrijding, die echter barsten veroorzaakte op het rechtergedeelte van mij(
  1. n)voorruit, dit gezien, vanuit de binnenkant van de cabine van mijn voertuig. (...) Ik benadruk eveneens dat op deze plaats, hetzij in het kruispunt gevormd door de Keizer Karellaan en de Beeckmansstraat, de driekleurige verkeerslichten zich in de groene fase bevonden voor de richting die ik volgde'. De heer M. heeft dan rechtsomkeer gemaakt en diende vast te stellen dat er zich in het midden van het kruispunt van de Keizer Karellaan en de Beeckmansstraat een persoon op de weg bevond. De verbalisanten hebben vastgesteld dat de heer V.D.S. 20 meter verder dan de plaats van de aanrijding was terecht gekomen. De verzekeringsmaatschappij Ethias meent dat beide motorvoertuigen werden betrokken in het ongeval en de eerste rechter derhalve terecht beiden solidair veroordeelde ten opzichte van de heer V.D.S.. Beoordeling. Artikel 29bis W.A.M.-wet: betrokkenheid. Artikel 29 bis, ,§1, W.A.M.-wet bepaalt: Bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, ,§1, wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorvoertuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken. En verder in ,§5: De regels betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid blijven van toepassing op alles wat niet uitdrukkelijk bij dit artikel wordt geregeld. Alhoewel derhalve de verzekeraars van de betrokken motorvoertuigen solidair gehouden zijn tot regeling van de schade, onafhankelijk van een latere regres-vordering op basis van de aansprakelijkheid, dient vast te staan dat de motor-voertuigen betrokken zijn. Enkel de verzekeraars van de betrokken motorvoertuigen zijn gehouden tot (provisionele)vergoeding van de schade. De betrokkenheid is met andere woorden een toepassingsvoorwaarde van de wet ten aanzien van de diverse verzekeraars. Vervolgens dient vast te staan dat het voertuig in kwestie, zijnde een onreglementair geparkeerd voertuig, betrokken kan zijn in de zin van artikel 29 bis W.A.M.-wet. Uit de parlementaire voorbereidingswerken betreffende artikel 29bis W.A.M.-wet blijkt dat het niet noodzakelijk is dat het voertuig op het ogenblik van het ongeval in beweging is om de betrokkenheid van het voertuig aan te nemen. Het voertuig moet wel aan het verkeer deelnemen. Daarenboven moet de verzekeraar slechts tussenkomen indien de schadeveroorzaking verband houdt met de deelneming van het motorrijtuig aan het verkeer. In het licht van de vereiste deelname van het verkeer, dient dan nagegaan te worden of in casu het voertuig al dan niet als betrokken dient beschouwd te worden. Of het voertuig al dan niet reglementair geparkeerd stond, doet daarbij niet terzake. In de (Franse) rechtspraak werd allereerst het criterium geformuleerd van een vereiste 'hinderende rol' door het geparkeerde voertuig. Indien aangetoond wordt dat het voertuig het verkeer gehinderd heeft, wordt aangenomen dat het voertuig betrokken was. Omwille van het feit dat het voor het slachtoffer soms moeilijk was om aan te tonen dat het voertuig in kwestie een hinderende rol had gespeeld, is het Franse Hof van Cassatie van deze rechtspraak afgestapt en oordeelt zij thans dat het slachtoffer moet aantonen dat het voertuig 'een of andere rol' heeft gespeeld bij de tot standkoming van het ongeval. De loutere aanwezigheid van het voertuig is echter niet voldoende; het slachtoffer moet nog steeds een bijkomende band aantonen tussen het voertuig en het verkeersongeval. De heer V.D.S. stelt dat beide voertuigen betrokken waren bij het ongeval en haalt rechtspraak aan dewelke zijn standpunt staaft. Er dient evenwel opgemerkt, dat hoe subtiel het onderscheid ook moge voorkomen, er een onderscheid dient gemaakt te worden tussen de situatie waarbij de bestuurder aan het in- of uitstappen is en deze waarbij hij zich naast zijn voertuig bevindt. Er kan in casu niet worden voorgehouden (hetgeen de heer V.D.S. ook niet doet) dat de deur van het voertuig openstond. De rechtbank is van oordeel, op basis van de beperkte gegevens die beschikbaar zijn, dat de heer M.zeker in eerste instantie de heer V.D.S. aanreed en niet diens voertuig. Het voertuig heeft in elk geval dus niet op deze wijze een rol gespeeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in huidig geval er niet kan besloten worden dat het verkeersongeval zich ook zou voorgedaan hebben zonder de aanwezigheid van het voertuig in kwestie. Het is de plaats van de heer V.D.S. op de weg die de aanleiding is geweest van het ongeval, onafgezien van de aansprakelijkheden, en niet deze van het geparkeerde voertuig. Het feit dat er bloedsporen op de wagen zijn teruggevonden speelt daar geen rol. Het is niet omdat er contact is geweest tussen de voetganger en de wagen, dat de wagen betrokken was in het ongeval, dat hij een bepaalde rol heeft gespeeld bij het totstandkomen van het ongeval (en niet bij het totstandkomen van de schade). De stelling dat de heer V.D.S. geplet werd tegen het voertuig wordt door de rechtbank niet aangenomen, althans niet voor vaststaand. De heer V.D.S. werd immers 20 meter verder teruggevonden, waaruit moet worden afgeleid dat hij werd meegesleept door het voertuig van de heer M., minstens door een voertuig. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het hoger beroep van de NV Axa Belgium gegrond voorkomt, in de mate dat het bestreden vonnis alvorens te oordelen over de betrokkenheid, deze partij veroordeelde tot tussenkomst in de expertise en solidair gehouden hield tot betaling van een provisie. Samenloop artikel 29bis W.A.M.-wet en artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek De heer V.D.S. baseert in besluiten zijn vordering zowel op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. als op artikel 29bis van de W.A.M. wet. In de aanvullende conclusie vraagt hij evenwel akte te nemen dat hij in deze procedure enkel een vordering instelt op basis van artikel 29bis W.A.M.-wet. De discussie omtrent de aansprakelijkheid komt inderdaad slechts in tweede orde aan bod. In casu zal deze discussie echter met betrekking tot de schade voortvloeiend uit de lichamelijke letsels van de heer V.D.S., waarvoor in deze procedure vergoeding gevorderd, zelfs niet dienen gevoerd te worden aangezien de rechtbank van oordeel is dat het voertuig van de heer V.D.S. niet betrokken was in het ongeval. De op grond van artikel 29bis W.A.M.-wet betalende verzekeraar, wiens verzekerde niet aansprakelijk zou geacht worden, kan zich immers enkel wenden tot de aansprakelijke derden. Is er slechts een zwakke weggebruiker en is deze tevens de enige aansprakelijke voor het ongeval in gemeen recht, dan kan de verzekeraar zijn subrogatierecht op grond van artikel 29bis, ,§4, niet uitoefenen. In geval van gedeelde aansprakelijkheid, zal eveneens enkel Ethias gehouden zijn, aangezien er slechts één betrokken motorvoertuig is"(vonnis, p. 3-8). Grieven 1.1 Luidens artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet is elk vonnis met redenen omkleed. Deze bepaling verplicht de rechter te antwoorden op alle regelmatig aangevoerde, precieze en terzake dienende middelen in besluiten van partijen. 1.2 Naar luid van artikel 29bis, ,§1, van wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht na de wijziging bij wet van 19 januari 2001, wordt bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, ,§1, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken. 2. De rechtbank wijst in het aangevochten vonnis de tegen verweerster ingestelde vordering af en veroordeelt verweerster derhalve niet, zoals door eiseres werd gevorderd, solidair met eiseres tot vergoeding van het slachtoffer op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, om reden dat het door verweerster verzekerde voertuig van de heer V.D.S. niet in het verkeersongeval was betrokken. 3. Een voertuig is "betrokken" in een verkeersongeval in de zin van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 wanneer het één of andere wijze een rol heeft gespeeld, of op één of andere manier is tussengekomen bij de totstandkoming van het verkeersongeval. Een motorrijtuig is betrokken bij een verkeersongeval wanneer zijn rijwijze, gedrag of aanwezigheid één van de redenen is die het ongeval verklaren. Het is niet betrokken indien het in geen enkel opzicht bijgedragen heeft tot het ontstaan van het verkeersongeval. De betrokkenheid van het voertuig veronderstelt dus een zekere relatie tussen het motorrijtuig en het ongeval. De betrokkenheid wordt beoordeeld ten aanzien van het ongeval, niet ten aanzien van de schade. Een motorrijtuig kan in een verkeersongeval betrokken zijn zonder oorzaak van de schade te zijn. Om betrokken te zijn in een verkeersongeval is niet vereist dat het motorrijtuig in beweging is; ook een, al dan niet reglementair, geparkeerd voertuig kan betrokken zijn. Om tot betrokkenheid van een motorrijtuig te besluiten dient vast te staan dat het verkeersongeval zich niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan indien het motorrijtuig niet zou aanwezig geweest zijn. De vaststelling dat een motorrijtuig niet de aanleiding van het ongeval was, volstaat dus niet om de betrokkenheid van dit motorrijtuig uit te sluiten, indien de rechter niet tevens vaststelt dat het ongeval zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan indien het motorrijtuig niet aanwezig ware geweest. Wanneer er een contact is geweest tussen het motorrijtuig en het slachtoffer, is dit motorrijtuig ontegensprekelijk in het verkeersongeval betrokken. Doch ook zonder contact kan er betrokkenheid zijn, wanneer het voertuig één of andere rol heeft gespeeld in het ongeval, of op één of andere manier in het ongeval is tussengekomen. 4. Eiseres voerde in haar syntheseconclusie in hoger beroep (pp. 5-6) aan dat de betrokkenheid van het door verweerster verzekerde voertuig volgt uit het feit : - enerzijds, dat er een materieel contact is geweest tussen het lichaam van de heer V.D.S. en zijn voertuig, hetgeen blijkt uit de bloedsporen, - anderzijds, dat de heer V.D.S. zijn voertuig op een onregelmatige wijze had geparkeerd en, indien hij zijn voertuig elders zou hebben geparkeerd, hij elders zou zijn uitgestapt en elders de baan zou zijn overgestoken, zodat de aanrijding zich niet zou hebben voorgedaan. 5.1 De rechtbank van eerste aanleg stelt in het aangevochten vonnis (p. 7, eerste alinea) terecht vast dat : - het niet noodzakelijk is dat het voertuig op het ogenblik van het ongeval in beweging is om de betrokkenheid ervan aan te nemen, - het voertuig wel aan het verkeer moet deelnemen en in het licht van de deel-name aan het verkeer dient te worden nagegaan of in casu het voertuig al dan niet als betrokken dient te worden beschouwd, - de (Franse) rechtspraak niet langer aanneemt dat een voertuig betrokken is wanneer wordt aangetoond dat het het verkeer gehinderd heeft, doch het Franse Hof van Cassatie thans oordeelt dat het slachtoffer moet aantonen dat het voertuig "een of andere rol" heeft gespeeld bij de totstandkoming van het ongeval, - de loutere aanwezigheid van het voertuig echter niet voldoende is en het slachtoffer een bijkomende band tussen het voertuig en het verkeersongeval moet aantonen. 5.2 De rechtbank wijst de vordering om verweerster solidair met eiseres te veroordelen tot vergoeding van de door de heer V.D.S. geleden schade af, vaststellende:
  2. a)- dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de situatie waarbij de bestuurder aan het in- of uitstappen is en deze zich naast zijn voertuig bevindt, - dat niet kan worden voorgehouden dat de deur van het voertuig openstond, - dat zij, op basis van de beperkte gegevens die beschikbaar zijn, van oordeel is dat de heer M.zeker in eerste instantie de heer V.D.S. aanreed en niet diens voertuig, - zodat het voertuig in elk geval niet op deze wijze een rol heeft gespeeld,
  3. b)dat in huidig geval niet kan worden besloten dat het verkeersongeval zich ook zou hebben voorgedaan zonder de aanwezigheid van het voertuig in kwestie,
  4. c)dat de plaats van de heer V.D.S. op de weg aanleiding is geweest van het ongeval, en niet deze van het geparkeerd voertuig,
  5. d)- dat het feit dat er bloedsporen op de wagen zijn teruggevonden geen rol speelt, - dat het niet is omdat er contact is geweest tussen de voetganger en de wagen dat de wagen betrokken was in het ongeval, dat hij een bepaalde rol heeft gespeeld bij het totstandkomen van het ongeval, - dat de stelling dat de heer V.D.S. geplet werd tegen het voertuig niet wordt aangenomen, nu hij immers 20 meter verder werd teruggevonden, waaruit moet worden afgeleid dat hij werd meegesleept door het voertuig van de verzekerde van eiseres, minstens door een voertuig (vonnis, pp. 7-8). De beslissing van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel is, zoals hierna zal blijken, op geen van deze motieven naar recht verantwoord. 6.1 De omstandigheid dat de deur van het geparkeerde motorrijtuig van de heer V.D.S. niet openstond en heer M."zeker in eerste instantie" de heer V.D.S. en niet diens voertuig aanreed (waardoor niet wordt uitgesloten dat, na de aanrijding met de heer V.D.S., ook zijn voertuig werd aangereden) en het voertuig niet "op deze wijze" een rol in het verkeersongeval heeft gespeeld, sluit niet uit dat het voertuig op een andere wijze een rol heeft gespeeld. Door eiseres werd immers, zoals hiervoren uiteengezet sub nr. 4, uiteenzetting die hier als uitdrukkelijk herhaatd wordt aangezien, aangevoerd dat het geparkeerde voertuig een rol had gespeeld in het verkeersongeval (en dus betrokken was), enerzijds, doordat er een materieel contact was tussen het slachtoffer en het voertuig en, anderzijds, doordat het ongeval zich niet zou hebben voorgedaan zonder de aanwezigheid van het voertuig op de plaats van de aanrijding daar indien het slachtoffer zijn voertuig elders zou geparkeerd hebben, hij elders zou zijn uitgestapt en overgestoken. Op grond van de vaststelling dat de deur van het voertuig niet openstond en de verzekerde van eiseres in eerste instantie het slachtoffer en niet diens voertuig aanreed, zodat het voertuig niet "op deze wijze" een rol heeft gespeeld, kon de rechtbank, zonder beantwoording van de aangehaalde precieze en terzake dienende middelen in besluiten van eiseres, niet wettig beslissen dat het door verweerster verzekerde voertuig niet betrokken was in het verkeersongeval (schending van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht na de wijziging bij wet van 19 januari 2001) en was het bestreden vonnis evenmin regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). 6.2 De aangevochten beslissing is evenmin naar recht verantwoord op grond van de vaststelling dat de plaats van de heer V.D.S. op de weg en niet deze van het geparkeerde voertuig de aanleiding is geweest van het ongeval. Om te besluiten tot de betrokkenheid van het voertuig in het verkeersongeval is niet relevant dat dit voertuig de aanleiding, of de enige aanleiding, van het verkeersongeval zou zijn geweest. De omstandigheid dat de plaats van de voetganger op de weg en niet deze van het voertuig als aanleiding voor het verkeersongeval dient te worden aangezien, sluit geenszins uit dat het geparkeerde motorrijtuig één of andere rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het verkeersongeval. Betrokkenheid van een motorrijtuig bij een verkeersongeval kan slechts worden uitgesloten indien blijkt dat het motorrijtuig niet op één of andere wijze een rol heeft gespeeld bij het verkeersongeval, m.a.w. wanneer blijkt dat het ongeval zich op dezelfde wijze te hebben voorgedaan zonder dit motorrijtuig. Dit blijkt niet uit de loutere vaststelling dat het voertuig niet de aanleiding van het ongeval was. Door te beslissen dat het door verweerster verzekerde voertuig niet bij het ongeval betrokken was daar de plaats van het slachtoffer op de weg en niet deze voertuig aanleiding was van het ongeval, - zonder na te gaan of het ongeval zich ook zou hebben voorgedaan zonder de aanwezigheid van het geparkeerde voertuig, - en meer bepaald zonder te antwoorden op de precieze en terzake dienende middelen in besluiten van eiseres, luidens welke de aanrijding zich zonder de aanwezigheid van het voertuig niet zou hebben voorgedaan daar de heer V.D.S., indien hij zijn voertuig elders zou hebben geparkeerd, elders zou zijn uitgestapt en elders de baan zou zijn overgestoken, verantwoordt de rechtbank van Eerste Aanleg zijn beslissing niet naar recht (schending van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht na de wijziging bij wet van 19 januari 2001) en is het bestreden vonnis evenmin regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). 6.3.1 De beslissing wordt niet naar recht verantwoord door de vaststelling dat de bloedsporen op de geparkeerde wagen geen rol spelen daar het niet is omdat er contact is geweest tussen de voetganger en de wagen, dat de wagen betrokken was in het ongeval, dat hij een bepaalde rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het verkeersongeval. Wanneer er bij het verkeersongeval contact is tussen het slachtoffer en een motorrijtuig, staat immers vast dat dit motorrijtuig in het verkeersongeval betrokken is. Het feit dat er contact zou zijn geweest tussen het slachtoffer en zijn geparkeerde wagen is derhalve wel degelijk relevant. 6.3.2 Door vast te stellen dat "het (niet
  6. is)omdat er contact is geweest tussen de voetganger en de wagen, dat de wagen betrokken was in het ongeval", stelt de rechtbank, impliciet doch zeker, vast dat er een contact is geweest tussen het slachtoffer en de door verweerster verzekerde wagen. De vaststelling luidens welke niet vaststaand is dat de heer V.D.S. "geplet werd tegen het voertuig" sluit geenszins uit dat er materieel contact (op een andere wijze dan door geplet te worden) is geweest. Nu de rechtbank vaststelt dat er contact is geweest tussen het slachtoffer en de door verweerster verzekerde wagen, is de beslissing luidens welke dit motorrijtuig niet in het verkeersongeval was betrokken, niet naar recht verantwoord (schending van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende verplichte aansprakelijk-heidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht na de wijziging bij wet van 19 januari 2001). 6.3.3 Indien er dient te worden aangenomen dat de rechtbank niet vaststelt of er al dan niet contact is geweest tussen het slachtoffer en het door verweerster verzekerde motorrijtuig, nu dit gegeven volgens de rechtbank geen rol speelt om te beoordelen of het motorrijtuig in het ongeval betrokken was, schendt de rechtbank eveneens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, daar uit het materieel contact tussen het slachtoffer en het motorrijtuig wel degelijk volgt dat dit motorrijtuig in het verkeersongeval betrokken is. Tevens schendt de rechtbank artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet door niet te antwoorden op de hiervoren sub 4 aangehaalde relevante en precieze middelen in besluiten van eiseres, uiteenzetting die hier als uitdrukkelijk herhaald wordt aangezien, luidens welke uit de bloedsporen op de wagen blijkt dat er materieel contact was tussen het slachtoffer en de wagen, zodat deze in het ongeval betrokken was. 6.4 De vaststelling luidens welke "niet kan besloten worden dat het verkeersongeval zich ook zou voorgedaan hebben zonder de aanwezigheid van het voertuig in kwestie", impliceert tenslotte noodzakelijk dat het door verweerster verzekerde motorrijtuig wel degelijk één of andere rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het ongeval en er derhalve bij betrokken was in de zin van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989. Door op deze grond te beslissen dat het door verweerster verzekerde voertuig niet in het verkeersongeval was betrokken, schendt de rechtbank ontegensprekelijk artikel 29 bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheids-verzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht na de wijziging bij wet van 19 januari 2001. 7. Er dient derhalve te worden besloten dat de rechtbank op grond van hoger aangehaalde vaststellingen in het bestreden vonnis, rekeninghoudend met de precieze en terzake dienende middelen in besluiten van eiseres, niet wettig kon besluiten dat het door verweerster verzekerde voertuig niet in het ongeval betrokken was. De middelen in besluiten van eiseres werden geenszins beantwoord door de beslissing in het dispositief van het vonnis (p. 9, in medio), luidens welke de rechtbank "alle andersluidende en meeromvattende besluiten van de hand (wijst) als niet terzake en/of overbodig". Vooreerst blijkt uit deze overweging geenszins waarom de aanvoeringen in besluiten niet terzake en/of overbodig zijn en wordt de beslissing aldus niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Bovendien volgt uit de hiervoren aangehaalde uiteenzetting sub nrs. 3, 4 en 6, uiteenzetting die hier uitdrukkelijk als hernomen wordt aangezien, dat de litigieuze middelen in besluiten van eiseres wel degelijk terzake dienend en niet overbodig zijn bij de beoordeling van de betrokkenheid van het door verweerster verzekerde voertuig en van de toepasselijkheid van artikel 29 bis van de wet van 21 november 1989, zodat de rechtbank deze wetsbepaling schendt door de middelen in besluiten van eiseres als niet terzake en/of overbodig te verwerpen. III. BESLISSING VAN HET HOF Gronden van niet-ontvankelijkheid 1. Verweerster werpt op dat het middel slechts opkomt tegen beslissingen van het bestreden vonnis die haar vreemd zijn. 2. Het bestreden vonnis oordeelt dat de betrokkenheid in de zin van artikel 29bis van de W.A.M.-wet een toepassingsvoorwaarde van de wet is ten aanzien van de verzekeraars en dat de discussie omtrent de aansprakelijkheid voor het ongeval tussen eiseres en verweerster niet dient te worden gevoerd nu de rechtbank oordeelt dat het voertuig van L. V.D.S. niet betrokken was in het ongeval in de zin van artikel 29bis van de W.A.M.-wet. Deze beslissing is een gevolg van de in cassatie aangevochten beslissing tot afwijzing van de vordering van L. V.D.S. tegen verweerster op grond van artikel 29bis van de W.A.M.-wet. Een eventuele cassatie kan gevolgen hebben op de beslissing van de wederzijdse vorderingen van eiseres en verweerster omtrent de aansprakelijkheid voor het ongeval. 3. Die grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. 4. Verweerster werpt op dat het middel opkomt tegen de beslissing dat het door eiseres verzekerde voertuig bij het ongeval betrokken was in de zin van artikel 29bis van de W.A.M.-wet en dat deze beslissing verantwoord blijft op grond van een in cassatie niet aangevochten reden. 5. Eiseres voert geen middel aan tegen die beslissing. 6. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen. Beoordeling van het middel 7. De loutere aanwezigheid van een motorrijtuig op het ogenblik van een verkeersongeval volstaat niet om te besluiten dat dit motorrijtuig als bij het verkeersongeval betrokken is in de zin van artikel 29bis van de W.A.M.-wet. Een motorrijtuig is betrokken in de zin van die wetsbepaling indien zijn aanwezigheid enig verband houdt met de totstandkoming van het verkeersongeval. 8. Hieruit volgt dat voor de betrokkenheid van het motorrijtuig niet vereist is dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de aanwezigheid van het voertuig en het ongeval. 9. Het bestreden vonnis oordeelt dat het door verweerster verzekerde voertuig geen bij het ongeval betrokken voertuig was in de zin van artikel 29bis van de W.A.M.-wet op grond dat er "in huidig geval niet kan besloten worden dat het verkeersongeval zich ook zou hebben voorgedaan zonder de aanwezigheid van het voertuig in kwestie" en neemt aldus aan dat er een oorzakelijk verband moest bestaan; Het bestreden vonnis schendt aldus artikel 29bis van de W.A.M.-wet. 10. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt dat de vordering van L. V.D.S. tegen verweerster op grond van artikel 29bis van de W.A.M.-wet ongegrond is en in zoverre het uitspraak doet over de wederzijdse vorderingen van eiseres en verweerster omtrent de aansprakelijkheid voor het ongeval en over de kosten; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van 9 januari 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060109.6 Gerelateerde publicatie(
  7. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140912.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040109.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061012.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081003.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090107.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.