← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060109.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060109.7 Rolnummer: S.03.0122.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2006-11-14 Raadplegingen: 203 - laatst gezien 2026-07-03 09:51 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer voordeeltoekenningen bestaande uit loonbestanddelen vóór de overdracht van de onderneming of een gedeelte ervan aan een werknemer van de onderneming gebeuren - niet door de werkgever-vervreemder maar door een derde die ten aanzien van de werknemer niet de hoedanigheid heeft die de werkgever had dient de rechter vast te stellen dat de last van het voordeel door de werkgever-vervreemder werd gedragen zij het dat de toekenning ervan door de tussenkomst van een derde gebeurde. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - VERPLICHTINGEN Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - VERPLICHTINGEN Werkgever Overgang van onderneming Werkgever-vervreemder Voordeeltoekenning Loonbestanddeel Toekenning door derde Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 07-06-1985 - Art.7 Thesaurus CAS: COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST Overgang van onderneming Werkgever-vervreemder Voordeeltoekenning Loonbestanddeel Toekenning door derde Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 07-06-1985 - Art.7 Tekst van de beslissing Nr. S.03.0122.N

  1. DELTA LLOYD LIFE, naamloze vennootschap, met vennootschapszetel te 1050 Elsene, Pleinlaan 15,
  2. A.P.A., naamloze vennootschap, met vennootschapszetel te 6000 Charleroi, Rue de l'ecluse 10, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen S.V., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 juni 2003 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. De eiseressen voeren in hun verzoekschrift drie middelen aan. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN
  3. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; - de artikelen 2, 3°, 7 en 8 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32 bis van 7 juni 1985 gesloten in de Nationale Arbeidsraad betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 25 juli 1985, in de versie zoals laatst gewijzigd door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32quater van 19 december 1989 gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985, betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 6 maart 1990 en vóór de wijziging van die collectieve arbeidsovereenkomst door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32quinquies van 13 maart 2002, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 14 maart
  4. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van verweerster, het hoger beroep van verweerster gegrond, en veroordeelt het eiseressen in solidum tot de betaling aan verweerster van het nettobedrag van 6.388,32 euro vermeerderd met de gerechtelijke interest, en tot de kosten van beide instanties, op grond van onder meer de volgende motieven: "(Verweerster) trad op 14 april 1987 als productiebeheerster in dienst van de NV Ohra Verzekeringen (thans (eerste eiseres)) mits een schriftelijke arbeidsovereen-komst van onbepaalde duur ondertekend op 1 april 1987; Bij authentieke leningsakte van 26 mei 1989 stond de NV Ohra Leven (thans de NV Ohra Belgium) aan (verweerster) en haar echtgenoot een hypothecaire lening toe voor een bedrag van 91.720,60 euro (3.700.000 BEF) aan een vaste en gunstige rentevoet van 5,5 pct. of een afbetaling van 569,81 euro per maand; Artikel 8 van de voormelde leningsakte bepaalt dat: 'Bij beëindiging van het dienstverband van (verweerster) met schuldeiseres, anders dan ten gevolge van overlijden, blijvende invaliditeit of pensionnering en ontbinding van schuldeiseres, zal het geldende rentepercentage worden aangepast aan de geldende marktrente die door de schuldeisers op het ogenblik van het ondertekenen van deze akte gehanteerd wordt De rente bedraagt acht percent per jaar'. Zoals door het Hof van Beroep te Gent in zijn voormeld tussenarrest van 23 februari 2000 aangemerkt wordt dient inderdaad uit de concrete gegevens van de zaak te worden afgeleid dat met het woord "Schuldeiseres" niet de NV Ohra Leven bedoeld wordt, waarmee (verweerster) nooit door een arbeidsovereenkomst verbonden was, maar wel de NV Ohra Verzekeningen als werkgeefster van (verweerster), en dient hieruit inderdaad eveneens te worden besloten dat kwestieuze notariële leningsakte een standaardakte is, in eerste instantie bedoeld voor de werknemers van de NV Ohra Leven maar vervolgens uitgebreid tot de werknemers van haar zusteronderneming de NV Ohra Verzekeringen, welke ondernemingen zoals in voormeld vonnis van 21 december 1994 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde dan ook terecht beschouwd worden als deel uitmakend van dezelfde groep, zonder dat uiteraard van 'dezelfde werkgever' kan gesproken worden; Het is dan ook zo dat, juist door de arbeidsovereenkomst die (verweerster) met de NV Ohra Verzekeningen verbond, zij kon genieten van een door de NV Ohra Leven voordelige rentevoet, of is zowel de oorzaak als de voorwaarde (sine qua non) van het door de NV Ohra Leven toegekende voordeel gelegen in deze arbeidsovereenkomst, zodat deze preferentiële rentevoet als een krachtens de arbeidsovereenkomst verworven voordeel dient te worden beschouwd, dat daarom nog niet ab initio in de arbeidsovereenkomst dient te worden voorzien, maar gaandeweg de uitvoering ervan kan verworven worden als tegenprestatie voor geleverde arbeid zonder dewelke dit voordeel als een loutere gunst zou dienen te worden gekwalificeerd wat economisch niet kan worden verantwoord. Gezien dit verworven voordeel grotendeels bestond op het tijdstip van de overname van de NV Ohra Verzekeningen door tweede eiseres dient in casu toepassing te worden gemaakt van de C.A.O. nr. 32bis van 7 juni 1985 algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 25 juni 1985 en meer bepaald artikel 7 dat stelt dat 'De rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang in de zin van artikel 1, 1°, bestaande arbeidsovereenkomsten, gaan door deze overgang op de verkrijger over'; Artikel 8 van de C.A.O. nr. 32bis bepaalt verder dat 'de vervreemder en de verkrijger in solidum zijn gehouden tot betaling van de op het tijdstip van de overgang in de zin van artikel 1, 1°, bestaande schulden, die uit de op dat tijdstip bestaande arbeidsovereenkomsten voortvloeien', zodat (verweerster) dan ook terecht de veroordeling in solidum vordert van de vervreemder en de verkrijger; Gezien het voordeel van (verweerster) verworven werd krachtens de arbeidsovereenkomst en hieraan met aangetekend schrijven van 14 december 1995 een einde werd gesteld door (tweede eiseres) met ingang van 31 december 1995 mits een compenserende opzeggingsvergoeding gelijk aan een opzeggingstermijn van zes maanden, kan (verweerster), ondanks de beëindiging uitging vanwege (tweede eiseres) haar rechten op betaling van inkomstenverlies slechts laten gelden voor de periode van 1 juli 1992 tot 30 juni 1996 of beperkt zich haar vordering tot 48 maanden wat neerkomt op 133,09 euro x 48 = 6.388,32 euro netto vermeerderd met de gerechtelijke intresten (...)". (vijfde blad, midden, 6 de blad, laatste alinea, achtste blad, tweede alinea, en negende blad, eerste, derde en laatste alinea, van het arrest) Het arbeidshof beslist aldus, onder verwijzing naar een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 23 februari 2000, dat met het woord "Schuldeiseres" in de leningsakte van 26 mei 1989 niet de naamloze vennootschap Ohra Leven wordt bedoeld, maar de naamloze vennootschap Ohra Verzekeringen. Het arbeidshof leidt daaruit af dat de leningsakte een standaardakte is die van de werknemers van de NV Ohra Leven werd uitgebreid naar de zusteronderneming NV Ohra Verzekeringen en dat het dan ook zo is dat verweerster een door de naamloze vennootschap Ohra Leven toegekende voordelige rentevoet kon genieten juist door de arbeidsovereenkomst die haar met de naamloze vennootschap Ohra Verzekeringen verbond en dat zowel de oorzaak als de voorwaarde van het door de naamloze vennootschap Ohra toegekende voordeel gelegen zijn in die arbeidsovereenkomst, zodat de preferentiële rentevoet als een krachtens de arbeidsovereenkomst verworven voordeel dient beschouwd te worden, dat gaandeweg de uitvoering ervan kan verworven worden als tegenprestatie voor geleverde arbeid. Grieven
  5. Eerste onderdeel Ten eerste De notariële akte die op 26 mei 1989 werd verleden voor notaris V.R . met standplaats te N., waarin de lening aan verweerster en haar echtgenoot werd toegestaan, bepaalt: VERSCHENEN: Enerzijds: De Naamloze Vennootschap 'OHRA LEVEN, NV', gevestigd te Brussel, Grensstraat, 2, ingeschreven in het handelsregister van Brussel onder nummer
  6. Verder 'Schuldeiseres' te noemen. LENING: Schuldenaars erkennen van schuldeiseres de som van DRIE MILJOEN ZEVEN HONDERD DUIZEND FRANK ontvangen te hebben als lening op interest. VOORWAARDEN: 1.- De schuldenaars verbinden zich voormelde som terug te betalen aan Schuldeiseres binnen de vijf en twintig jaar vanaf heden (...) Vanaf zes en twintig mei negentienhonderd negenentachtig ten einde de regelmatige betaling van de interesten en bijbehoren, evenals de volledige samenstelling van het geleende kapitaal, verbinden de schuldenaars zich tot het betalen aan de Schuldeiseres van (...). 8.- Bij beëindiging van het dienstverband van (verweerster) met Schuldeiseres, anders dan tengevolge van overlijden, blijvende invaliditeit of pensionering en ontbinding van Schuldeiseres, zal het geldende rentepercentage worden aangepast aan de geldende marktrente die door de Schuldeiseres op het ogenblik van ondertekening van deze akte gehanteerd wordt. De rente bedraagt acht per cent per jaar. (...) verklaren schuldenaars ten behoeve van schuldeiseres recht van eerste hypotheek te verlenen op de hieronder beschreven goederen (...)" (leningsakte van 26 mei 1989, uittreksel uit de aanhef en de voorwaarden 1 en 8). De partijen en de instrumenterende notaris wijzen in de aanhef van de leningsakte aldus ondubbelzinnig de (toenmalige) naamloze vennootschap Ohra Leven, nader geïdentificeerd door haar zetel en inschrijvingsnummer in het handelsregister, aan als "Schuldeiseres". De leningsakte bevat geen andere omschrijving van het begrip "Schuldeiseres" en noch uit de vaststellingen van het arbeidshof, noch uit enig ander stuk waarop het Hof acht mag slaan, blijkt dat enige andere akte een andere omschrijving van het begrip "Schuldeiseres" zou bevatten. Door te beslissen dat met het woord "Schuldeiseres" in voorwaarde 8 van de leningsakte van 26 mei 1989 niet de naamloze vennootschap Ohra Leven bedoeld wordt, maar de naamloze vennootschap Ohra Verzekeringen, geeft het arbeidshof aan dat woord een uitlegging die niet verenigbaar is met de omschrijving die aan dat woord wordt gegeven in de leningsakte en schendt het de bewijskracht van die akte. Ten tweede Artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek verbiedt de rechter uitspraak te doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking. De rechter mag zijn beslissing dan ook niet op steunen op de uitspraak van een andere rechter zonder de redenen te vermelden waarom hij zich naar die uitspraak schikt. Door op grond van de enkele verwijzing naar een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 23 februari 2000 te beslissen dat met het woord "Schuldeiseres" in de leningsakte van 26 mei 1989 de naamloze vennootschap Ohra Verzekeringen wordt bedoeld, kent het arbeidshof aan dat arrest de waarde toe van een algemene en als regel geldende beschikking. Ten derde Zoals blijkt uit het gebruik van de woorden "Het is dan ook zo dat..." en "zodat" in de laatste alinea van het achtste blad van het arrest, berust de beslissing van het arbeidshof dat de door de naamloze vennootschap Ohra Leven toegekende voordelige rentevoet moet worden beschouwd als een voordeel verworven krachtens de arbeidsovereenkomst die verweerster met de naamloze vennootschap Ohra Verzekeringen verbond, uitsluitend op de in dit onderdeel aangevochten beslissing dat met het woord "Schuldeiseres" niet de naamloze vennootschap Ohra Leven wordt bedoeld, maar de naamloze vennootschap Ohra Verzekeringen als werkgeefster. De beslissing van het arbeidshof dat verweerster haar rechten op betaling van een inkomstenverlies kan laten gelden voor de periode van 1 juli 1992 tot 30 juni 1996, zodat eiseressen in solidum worden veroordeeld tot betaling aan verweerster van een netto bedrag van 6.388,32 euro, berust op haar beurt op de overweging dat het voordeel van verweerster verworven werd krachtens de arbeidsovereenkomst en daaraan met ingang van 31 december 1995 een einde werd gemaakt met een compenserende opzeggingsvergoeding gelijk aan een opzeggingstermijn van zes maanden. Het arbeidshof schendt de bewijskracht van de leningsakte van 26 mei 1989, geeft aan het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 23 februari 2000 waarnaar het verwijst de draagwijdte van een algemene en als regel geldende beschikking en beslist niet wettig dat de door de naamloze vennootschap Ohra Leven toegekende voordelige rentevoet als een krachtens de arbeidsovereenkomst verworven voordeel dient te worden beschouwd dat grotendeels bestond op het tijdstip van de overname van de naamloze vennootschap Ohra Verzekeringen door tweede eiseres, zodat toepassing dient te worden gemaakt van artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis en het veroordeelt dan ook niet wettig eiseressen in solidum tot betaling aan verweerster van 6.388,32 euro vermeerderd met de gerechtelijke interest en de kosten van beide instanties (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen, met uitzondering van artikel 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). 1.
  7. Tweede onderdeel Krachtens artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand, gaan de rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang van de onderneming of van een gedeelte van de onderneming bestaande arbeidsovereenkomsten, door deze overgang op de verkrijger over. Artikel 8 van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst voegt daaraan toe dat de vervreemder en de verkrijger in solidum zijn gehouden tot de betaling van de schulden die op het tijdstip van de overgang bestaan. Krachtens artikel 2, 3°, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis moet voor de toepassing van die collectieve arbeidsovereenkomst onder vervreemder worden verstaan, de natuurlijke of rechtspersoon die ingevolge een overgang in de zin van artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis de hoedanigheid van werkgever verliest ten aanzien van de werknemers van de onderneming die overgaat of het gedeelte van de onderneming dat overgaat. Opdat een recht of een verplichting door de overgang van een onderneming of van een gedeelte van de onderneming krachtens artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis zou overgaan op de verkrijger, moet het dus gaan om een recht dat de overdrager als werkgever genoot of om een verplichting waartoe de overdrager als werkgever op grond van de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomsten was gehouden ten aanzien van de werknemers van de onderneming die of het gedeelte van de onderneming dat overgaat. Krachtens artikel 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereen-komsten rust de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting het loon te betalen, op de werkgever. De toekenningen die vóór de overdracht gebeuren aan een werknemer van de onderneming die of van het gedeelte van de onderneming dat overgaat, door een persoon die ten aanzien van die werknemer niet de hoedanigheid van werkgever heeft, kunnen geen verplichtingen zijn welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomsten. Het arbeidshof overweegt dat in de leningsakte met het woord "Schuldeiseres" de rechtsvoorgangster van eerste eiseres wordt bedoeld, met name "de NV Ohra Verzekeringen als werkgeefster van (verweerster)", het beslist dat de leningsakte een standaardakte is die van de werknemers van de NV Ohra Leven werd uitgebreid naar de zusteronderneming NV Ohra Verzekeringen en, vervolgens, dat het dan ook zo is dat verweerster een door de naamloze vennootschap Ohra Leven toegekende voordelige rentevoet kon genieten door de arbeidsovereenkomst die haar met de naamloze vennootschap Ohra Verzekeringen verbond en dat zowel de oorzaak als de voorwaarde van het door de naamloze vennootschap Ohra toegekende voordeel gelegen zijn in die arbeidsovereenkomst, zodat de preferentiële rentevoet als een krachtens de arbeidsovereenkomst verworven voordeel dient beschouwd te worden, dat gaandeweg de uitvoering ervan kan verworven worden als tegenprestatie voor geleverde arbeid. Uit die overwegingen en de bijkomende overweging van het arbeidshof dat het verworven voordeel grotendeels bestond op het tijdstip van de overname van de naamloze vennootschap Ohra Verzekeringen door tweede eiseres, volgt niet dat de verplichting het voordeel te betalen voor de vervreemder, zijnde de naamloze vennootschap Ohra Verzekeringen, voortvloeide uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomsten. Het arbeidshof beslist niet wettig dat toepassing moet worden gemaakt van artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde bepalingen, met uitzondering van artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek).
  8. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1134, 1234 en 1271 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 7 en 8 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985 gesloten in de Nationale Arbeidsraad betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand, algemeen verbindend verklaard bij Koninklijk Besluit van 25 juli 1985, in de versie zoals laatst gewijzigd door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32quater van 19 december 1989 gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32 bis van 7 juni 1985, betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 6 maart 1990 en vóór de wijziging door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32quinquies van 13 maart 2002, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 14 maart
  9. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van verweerster, na te hebben vastgesteld dat: - verweerster op 14 april 1987 in dienst trad van de naamloze vennootschap Ohra Verzekeringen, thans eerste eiseres, met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (5de blad, derde alinea, van het arrest), - bij authentieke leningsakte van 26 mei 1989 de naamloze vennootschap Ohra Leven, thans de naamloze vennootschap Ohra Belgium, aan verweerster en haar echtgenoot een hypothecaire lening toestond aan een vaste en gunstig rentevoet van 5,5 pct. of een afbetaling van 569,81 euro per maand (5de blad, vierde alinea, van het arrest), - tweede eiseres met ingang van 1 juli 1992 een groot deel van de verzekeringsportefeuille overnam, samen met het personeel, waaronder verweerster (5de blad, voorlaatste alinea, van het arrest), - de rentevoet vanaf 26 juli 1992 werd opgetrokken tot 8 pct., wat neerkomt op een maandelijkse afbetaling van 703,36 euro (6de blad, eerste alinea en 7de blad, tweede alinea van het arrest), het hoger beroep van verweerster gegrond, en veroordeelt het eiseressen in solidum tot de betaling aan verweerster van het nettobedrag van 6.388,32 euro vermeerderd met de gerechtelijke interest en de kosten van beide instanties, op grond van onder meer de volgende motieven: "Artikel 8 van de voormelde leningsakte bepaalt dat: 'Bij beëindiging van het dienstverband van (verweerster) met schuldeiseres, anders dan ten gevolge van overlijden, blijvende invalididiteit of pensionnering en ontbinding van schuldeiseres, zal het geldende rentepercentage worden aangepast aan de geldende marktrente die door de schuldeiseres op het ogenblik van de ondertekening van deze akte gehanteerd wordt. De rente bedraagt acht percent per jaar'. Zoals door het Hof van Beroep te Gent in zijn voormeld tussenarrest van 23 februari 2000 aangemerkt wordt dient inderdaad uit de concrete gegevens van de zaak te worden afgeleid dat met het woord "Schuldeiseres" niet de NV Ohra Leven bedoeld wordt, waarmee (verweerster) nooit door een arbeidsovereenkomst verbonden was, maar wel de NV Ohra verzekeningen als werkgeefster van (verweerster) (...) Het is dan ook zo dat, juist door de arbeidsovereenkomst die (verweerster) met de NV Ohra Verzekeningen verbond, zij kon genieten van een door de NV Ohra Leven voordelige rentevoet, of is zowel de oorzaak als de voorwaarde (sine qua non) van het door de NV Ohra Leven toegekende voordeel gelegen in deze arbeidsovereenkomst, zodat deze preferentiële rentevoet als een krachtens de arbeidsovereenkomst verworven voordeel dient te worden beschouwd, dat daarom nog niet ab initio in de arbeidsovereenkomst dient te worden voorzien, maar gaandeweg de uitvoering ervan kan verworven worden als tegenprestatie voor geleverde arbeid zonder dewelke dit voordeel als een loutere gunst zou dienen te worden gekwalificeerd wat economisch niet kan worden verantwoord". "Gezien dit verworven voordeel grotendeels bestond op het tijdstip van de overname van de NV Ohra Verzekeningen door tweede eiseres dient in casu toepassing te worden gemaakt van de C.A.O. nr. 32 bis van 7 juni 1985 algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 25 juni 1985 en meer bepaald artikel 7 dat stelt dat 'De rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang, in de zin van artikel 1, 1°, bestaande arbeidsovereenkomsten gaan door deze overgang op de verkrijger over"; Uiteraard kan van deze imperatieve bepalingen niet worden afgeweken door onderlinge overeenkomst die de in voormelde artikel 7 voorziene rechten en verplichtingen zou beperken; Artikel 8 van de C.A.O. nr. 32bis bepaalt verder dat "de vervreemder en de verkrijger zijn in solidum gehouden tot betaling van de op het tijdstip van de overgang, in de zin van artikel 1, 1°, bestaande schulden, die uit de op dat tijdstip bestaande arbeidsovereenkomsten voortvloeien", zodat appellante dan ook terecht de veroordeling in solidum vordert van de vervreemder en de verkrijger; Gezien het voordeel van (verweerster) verworven werd krachtens de arbeidsovereenkomst en hieraan met aangetekend schrijven van 14 december 1995 een einde werd gesteld door (tweede eiseres) met ingang van 31 december 1995 mits een compenserende opzeggingsvergoeding gelijk aan een opzeggingstermijn van zes maanden, kan (verweerster), ondanks de beëindiging uitging vanwege (tweede eiseres) haar rechten op betaling van inkomstenverlies slechts laten gelden voor de periode van 1 juli 1992 tot 30 juni 1996 of beperkt zich haar vordering tot 48 maanden wat neerkomt op 133,09 euro x 48 = 6.388,32 euro netto, vermeerderd met de gerechtelijke intresten (...)". (zesde blad onderaan, zevende blad bovenaan, achtste en negende blad van het arrest) Het arbeidshof stelt aldus vast dat: - verweerster van de voordelige rentevoet bij de naamloze vennootschap Ohra Leven kon genieten door haar arbeidsovereenkomst met de zusteronderneming naamloze vennootschap Ohra Verzekeringen; - in de leningsakte tussen de NV Ohra Leven en verweerster is bedongen dat bij het einde van het dienstverband van verweerster met de NV Ohra Verzekeringen, de rente zou worden aangepast, behoudens een aantal uitzonderingen. Grieven
  10. Eerste onderdeel De partijen bij een overeenkomst zijn jegens elkaar gehouden tot datgene waartoe zij zich hebben verbonden. De persoon die geen partij is bij de arbeidsovereenkomst, maar die zich op grond van een overeenkomst verbindt tot toekenning aan de werknemer van een voordeel dat zijn oorzaak vindt in de arbeidsovereenkomst, kan in de overeenkomst waarbij dat voordeel wordt toegekend, geldig bedingen dat het recht op het voordeel voor de toekomst vervalt wanneer de dienstbetrekking eindigt met degene die de werkgever is op het ogenblik van de toekenning. Bij een wijziging van werkgever ingevolge de overgang van een onderneming gaan de rechten en verplichtingen die voor de vervreemder voortvloeien uit de arbeidsovereenkomsten die op het tijdstip van de overgang bestaan, door de overgang op de verkrijger over krachtens artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand en eindigt de dienstbetrekking met de vervreemder voor de toekomst ingevolge schuldvernieuwing, overeenkomstig de artikelen 1234 en 1271 van het Burgerlijk Wetboek. De verplichting die bestaat in de toekenning aan een werknemer door een derde die bedongen heeft dat het recht op de toekenning vervalt bij het einde van de dienstbetrekking met de vervreemder, neemt aldus een einde door de overgang van de onderneming van de vervreemder op de verkrijger. Aangezien de verplichting niet meer bestaat op het ogenblik van de overgang, gaat ze niet over op de verkrijger. Het arbeidshof kan niet wettig beslissen dat verweerster een recht op betaling van inkomstenverlies (wegens het niet meer toekennen van de voordelige rentevoet bedongen in de leningsakte van 26 mei 1989) kan laten gelden voor de periode van 1 juli 1992 tot 30 juni 1996, dit is voor een periode na de overdracht van de onderneming, op 1 juli 1992, van de rechtsvoorgangster van eerste eiseres aan tweede eiseres en kan op die grond niet wettig eiseressen in solidum veroordelen tot betaling van die vergoeding (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen).
  11. Tweede onderdeel Krachtens artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand, gaan door de overgang van een onderneming of een gedeelte van een onderneming de rechten en plichten die voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomsten, over op de verkrijger. Artikel 8 van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst bepaalt dat de vervreemder en de verkrijger in solidum zijn gehouden tot de betaling van de schulden die op het tijdstip van de overgang bestaan, met uitzondering van de schulden uit hoofde van aanvullende regimes van sociale voorzieningen. Uit die bepalingen volgt dat de vervreemder bevrijd is van de verplichtingen die uit de arbeidsovereenkomst van de overgenomen werknemers voortvloeien na de overgang. Het arbeidshof stelt vast dat de voordelige rentevoet die verweerster genoot bij de toenmalige NV Ohra Leven, als een krachtens de arbeidsovereenkomst verworven voordeel moet worden beschouwd. Het arbeidshof stelt tevens vast dat de toekenning van de voordelige rentevoet zich uit in het toestaan van een maandelijkse afbetaling van 569,81 euro in plaats van 703,36 euro en dus een maandelijkse verbintenis is, die tenietgaat door de maandelijkse toekenning van de voordelige rentevoet. Derhalve is er slechts een schuld, bestaande in de toekenning van de voordelige rentevoet, zodra de maandelijkse toekenning ervan eisbaar is en dat zolang die niet is toegekend. Uit de vaststellingen van het arbeidshof blijkt dat de voordelige rentevoet eerst vanaf 26 juli 1992 niet meer werd toegekend. Hieruit volgt dat de schuld bestaande in de toekenning van de voordelige rentevoet eerst ontstond na de overgang van onderneming, op 1 juli
  12. Conclusie: Het arbeidshof kan niet wettig eerste eiseres in solidum met tweede eiseres veroordelen tot betaling van een vergoeding voor inkomstenverlies voor de periode van 1 juli 1992 tot 30 juni 1996, dit is voor een periode na de overdracht van de onderneming, op 1 juli 1992, van de rechtsvoorgangster van eerste eiseres aan tweede eiseres (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen, artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek uitgezonderd).
  13. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 20, 3°, en 39, ,§1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van verweerster, het hoger beroep van verweerster gegrond, en veroordeelt het eiseressen in solidum tot betaling aan verweerster van het nettobedrag van 6.388,32 euro zijnde het inkomstenverlies van verweerster over de periode van 1 juli 1992 tot 30 juni 1996, op grond van onder meer de volgende motieven: "Bij authentieke leningsakte van 26 mei 1989 stond de NV Ohra Leven (thans de NV Ohra Belgium) aan (verweerster) en haar echtgenoot een hypothecaire lening toe voor een bedrag van 91.720,60 euro (3.700.000 BEF) aan een vaste en gunstige rentevoet van 5,5 pct. of een afbetaling van 569,81 euro per maand; Artikel 8 van de voormelde leningsakte bepaalt dat: 'Bij beëindiging van het dienstverband van (verweerster) met schuldeiseres, anders dan ten gevolge van overlijden, blijvende invaliditeit of pensionnering en ontbinding van schuldeiseres, zal het geldende rentepercentage worden aangepast aan de geldende marktrente die door de schuldeisers op het ogenblik van het ondertekenen van deze akte gehanteerd wordt De rente bedraagt acht percent per jaar'. Gezien het voordeel van (verweerster) verworven werd krachtens de arbeidsovereenkomst en hieraan met aangetekend schrijven van 14 december 1995 een einde werd gesteld door (tweede eiseres) met ingang van 31 december 1995 mits een compenserende opzeggingsvergoeding gelijk aan een opzeggingstermijn van zes maanden, kan (verweerster), ondanks de beëindiging uitging vanwege (tweede eiseres) haar rechten op betaling van een inkomstenverlies slechts laten gelden voor de periode van 1 juli 1992 tot 30 juni 1996 of beperkt zich haar vordering tot 48 maanden wat neerkomt op 133,09 euro x 48 = 6.388,32 euro netto, vermeerderd met de gerechtelijke intresten gezien appellante geen enkele vertraging in de procedure kan verweten worden". (5de blad, derde laatste alinea, 6de blad, onderaan en 7de blad bovenaan en 9de blad, laatste alinea, van het arrest). Grieven Het arbeidshof stelt vast dat: - bij leningsakte van 26 mei 1989 aan verweerster een gunstige interestvoet werd toegekend tot de beëindiging van het dienstverband van verweerster; - de arbeidsovereenkomst tussen verweerster en tweede eiseres werd beëindigd op 31 december 1995 met betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan een opzeggingstermijn van zes maanden. Het arbeidshof overweegt dat verweerster "haar rechten op betaling van een inkomstenverlies" kan laten gelden voor de periode van 1 juli 1992 tot 30 juni 1996 en veroordeelt dienvolgens eiseressen in solidum tot betaling van een bedrag van 6.388,32 euro voor een periode van 48 maanden. Ten eerste Loon in de arbeidsrechtelijke zin is de tegenprestatie van arbeid die ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst wordt verricht. De werknemer kan ingevolge zijn arbeidsovereenkomst ook recht hebben verworven op voordelen die niet de tegenprestatie van arbeid zijn, wanneer dat recht ontstaat op basis van een overeenkomst, de wet, een collectieve arbeidsovereenkomst, een eenzijdige verbintenis of het gebruik. Vanaf de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, die de stopzetting van het presteren van arbeid impliceert, eindigt het recht op loon voor de periode na de beëindiging en vervalt, behoudens anders luidend beding, de bron van het recht op de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst die niet de tegenprestatie zijn van arbeid. Het arbeidshof stelt niet vast dat enige rechtsbron verweerster recht geeft op de gunstige interestvoet na het einde van haar dienstbetrekking. Ten tweede De opzeggingsvergoeding die wordt betaald naar aanleiding van het onregelmatig ontslag dekt alle schade die voortvloeit uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder dringende reden of de inachtneming van een opzeggingstermijn. Het arbeidshof kan dan ook niet bij wijze van schadevergoeding verweerster een bedrag toekennen voor het inkomstenverlies dat zij leed door de stopzetting van de toekenning van de gunstige rentevoet ingevolge de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 31 december
  14. Het bestreden arrest kon niet wettig eiseressen veroordelen tot de betaling van "een inkomstenverlies" voor de periode tussen 31 december 1995 en 30 juni 1996 (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling van het tweede onderdeel van het eerste middel
  15. Krachtens artikel 20, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, berust de verplichting tot het betalen van het loon op de werkgever.
  16. Krachtens artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985, gaan de rechten en verplichtingen, die voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang in de zin van artikel 1, 1°, bestaande overeenkomsten, door deze overgang op de verkrijger over.
  17. Het arrest oordeelt dat: - de NV Ohra Leven bij authentieke leningsakte van 26 mei 1989 aan verweerster en haar echtgenoot een hypothecaire lening toestond voor een bedrag van 91.720,60 euro (3.700.000 BEF) aan een vaste en gunstige rentevoet van 5,5 pct. en dat, juist omwille van de arbeidsovereenkomst die verweerster met een andere onderneming van dezelfde groep, de NV Ohra Verzekeringen, verbond, zij zolang deze arbeidsovereenkomst met laatstgenoemde onderneming duurde kon genieten van de voor haar voordelige rentevoet. - de preferentiële rentevoet niet alleen dient te worden beschouwd als een krachtens de arbeidsovereenkomst verworven voordeel, dat weliswaar niet in de arbeidsovereenkomst was bedongen, maar dat gaandeweg de uitvoering van de overeenkomst verworven werd als tegenprestatie voor de geleverde arbeid. - het geldelijk voordeel, verbonden aan de gunstige rentevoet, bij de overdracht van de onderneming (of een gedeelte ervan) een verplichting uitmaakte die met toepassing van artikel 7 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst nr. 32bis van de Nationale Arbeidsraad op de overnemer, tweede eiseres, was overgegaan.
  18. Het onderdeel voert aan dat het arrest niet aldus kon oordelen omdat: - krachtens artikel 20, 3°, van de Arbeidsovereenkomst de uit de arbeids-overeenkomst voortvloeiende verplichting om loon te betalen op de werkgever rust; - de voordeeltoekenningen die voor de overdracht van de onderneming of een gedeelte ervan aan verweerster gebeurden, niet door haar werkgever-vervreemder, maar door een derde, te dezen de zusteronderneming van de werkgever, die ten aanzien van verweerster niet de hoedanigheid had van werkgeefster, niet zonder meer verplichtingen konden uitmaken voor de werkgever, als bedoeld in artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van de Nationale Arbeidsraad.
  19. Het arrest vermocht niet het door de NV Ohra Leven bij leningsakte toegekende voordeel van de gunstige rente als loonbestanddeel ten laste van de NV Ohra Verzekeringen in aanmerking te nemen zonder vast te stellen dat de last van dit voordeel door de NV Ohra Verzekeringen als werkgever werd gedragen, zij het dat de toekenning ervan door tussenkomst van een derde gebeurde. Door aldus te beslissen schendt het arrest de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen.
  20. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  21. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van 9 januari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060109.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.