id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060109.8 Rolnummer: S.05.0039.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-11-14 Raadplegingen: 166 - laatst gezien 2026-07-03 09:52 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De personeelsleden van de in artikel 1, ,§ 3 van de Herstelwet van 10 februari 1981 opgesomde overheden en diensten, zijn personeelsleden of titularissen van politieke of openbare mandaten, rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd ten laste van de Rijksbegroting of van een publiekrechtelijk persoon op wie de bepalingen van de voormelde wet toepasselijk zijn. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Herstelwet, 10 feb. 1981 Solidariteitsbijdragen Overheden en diensten Personeelsleden Wettelijke bepalingen: Wet - 10-02-1981 - Art.1,§3 Fiche 2 Opdat de solidariteitsbijdrage zou verschuldigd zijn, is niet vereist dat door de R.S.Z. ook het bewijs wordt geleverd dat de bezoldiging van de personeelsleden bedoeld in artikel 1, ,§ 3 van de Herstelwet van 10 februari 1981, ten laste is van de Rijksbegroting of van een publiekrechtelijk rechtspersoon. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Herstelwet, 10 feb. 1981 Personeelsleden Overheden en diensten Bezoldigingen Solidariteitsbijdragen Inning Bewijslast Wettelijke bepalingen: Wet - 10-02-1981 - Art.1,§§1,2 Tekst van de beslissing Nr. S.05.0039.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen A.B.C. MAATSCHAPPIJ VOOR SOCIALE WONINGSBOUW, burger-lijke vennootschap onder de vorm van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2050 Antwerpen, Reinaartlaan 8, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 1 april 2004 en 9 december 2004 ingevolge het arrest van het Hof van 22 maart 1999 op verwijzing gewezen door het Arbeidshof te Brussel. Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, inzonderheid ,§1, ,§2, eerste streep, en ,§3, 5 en 11, van de Herstelwet van 10 februari 1981 tot invoering van solidariteitsbijdragen ten laste van de personen rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sector, vóór zijn opheffing bij wet van 22 juli 1993, artikel 5 zoals gewijzigd bij koninklijk besluit nr.404 van 18 april 1986 en artikel 11 zoals gewijzigd bij koninklijk besluit nr.440 van 11 augustus 1986 en bij wet van 7 november 1987. Aangevochten beslissingen Nadat het bestreden tussenarrest van 1 april 2004 de debatten heropende om partijen toe te laten standpunt in te nemen aangaande de kwestie of de personeelsleden van verweerster rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd zijn ten laste van de Rijksbegroting of van een publiekrechtelijk persoon, zijnde de toepassingsvoorwaarde van de Herstelwet van 10 februari 1981, oordeelde het bestreden eindarrest van 9 december 2004 dat niet was bewezen dat het personeel van verweerster rechtstreeks of onrechtstreeks was bezoldigd ten laste van de Rijksbegroting of van een publiekrechtelijk persoon zodat, met vernietiging van het vonnis van de eerste rechter, de vordering van eiser tot betaling van solidariteitsbijdragen ongegrond werd verklaard, hierbij overwegend dat: "Het is duidelijk dat als eerste voorwaarde om onder toepassing van de bepalingen van de herstelwet van 10 februari 1981 te vallen men te maken moet hebben met personeelsleden zelfs aangeworven bij arbeidsovereenkomsten, bezoldigd door de Staat of door één van de overheden bedoeld in paragraaf 3. Daarenboven moeten deze personeelsleden rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd worden ten laste van de Rijksbegroting of van een publiekrechtelijk persoon. In verband met de rechtstreekse of onrechtstreekse bezoldiging ten laste van de Rijksbegroting of van een publiekrechtelijk persoon verwijst het (arbeids)hof samen met het Auditoraat-generaal naar het advies van de Raad van State bij artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 38 van 11 november 1967 (Belgisch Staatsblad, 14 november 1967): 'de door de Nationale Maatschappij voor de huisvesting erkende maatschappijen alsook die welke door de Nationale Maatschappij voor de kleine landeigendommen erkend zijn, lijken wel degelijk instellingen van openbaar nut te zijn. Dat volgt uit verschillende elementen. Volstaan kan worden met te wijzen op enkele daarvan: Die maatschappijen zijn belast met het vervullen van een opdracht van algemeen nut die door de wet is bepaald ... Hun geldmiddelen betrekken zij in hoofdzaak uit leningen die hun door de Nationale Maatschappij voor de huisvesting en door de Nationale Maatschappij voor de kleine landeigendommen worden toegestaan. Zij krijgen die leningen tegen een rentevoet die merkelijk lager ligt dan die welke de Staat voor zijn eigen leningen betaalt ...'. Het (arbeids)hof stelt vast dat (eiser) niet bewijst dat (verweerster) dergelijke goedkope leningen heeft gekregen. Uit de stukken neergelegd door (verweerster) nopens de ontvangen subsidies blijkt dat pas vanaf het jaar 1988 de uitkeringen van de subsidies zijn begonnen (voor de verwerving van gronden) met een belofte van toelage van 12 juli 1988 van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de toezegging op 11 augustus 1988 en dat blijkens de verklaring van de Heer V.D.H., commissaris, van 1 juli 2004 slechts vanaf 1995 er woongelegenheden zijn bijgekomen deels met subsidies. (Eiser) toont niet aan dat aan (verweerster) in de periode waarop de vordering betrekking heeft namelijk het eerste kwartaal 1987 tot en met het tweede kwartaal 1988 subsidies werden toegekend door de overheid. De rechtstreekse, noch de onrechtstreekse bezoldiging ten laste van een publiekrechtelijk persoon of de Rijksbegroting van de personeelsleden van (verweerster) zijn bewezen. De verwijzing door (eiser) naar artikel 10, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 10 december 1970, houdende de Huisvestingscode waarin gewezen wordt op het maatschappelijk doel van de Nationale maatschappij voor de Huisvesting en onder andere het 'voorschieten' van geld aan de erkende maatschappij is irrelevant en toont geen rechtstreekse of onrechtstreekse bezoldiging van de personeelsleden van (verweerster) aan. Terecht adviseert de heer substituut-generaal in zijn schriftelijk advies van 7 oktober 2004 dat zijn ambt bijgevolg slechts kan vaststellen dat (eiser) inderdaad geen enkel element aanbrengt waaruit zou kunnen blijken dat personeelsleden van (verweerster) rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd werden ten laste van een publiekrechterlijk persoon of de Rijksbegroting zoals vereist opdat de Herstelwet van 10 februari 1981 toepassing zou kunnen vinden. Nu deze voorwaarde niet is voldaan moet het (arbeids)hof geen verder onderzoek doen naar wat nu precies onder personeelsleden zoals bedoeld in artikel 1, ,§2, van de Herstelwet van 10 februari 1981 wordt verstaan namelijk personeel door de Staat of door één van de overheden bedoeld bij paragraaf 3 bezoldigd, noch wat onder overheden bedoeld bij paragraaf 3 wordt verstaan. Nu in repliekbesluiten stellen dat (verweerster) als publiekrechtelijk persoon in de zin van artikel 1, ,§1, van de vermelde herstelwet moet worden aanzien en dat de bezoldiging van haar personeelsleden dus ten laste is van een publiekrechtelijk persoon in de zin van de herstelwet namelijk (verweerster) zelf, kan door het (arbeids)hof niet als ernstig worden aanvaard, gezien (eiser) steeds heeft voorgehouden dat (verweerster) voldoet aan de omschrijving gegeven door artikel 1, ,§3, c), en/of artikel 1, ,§3, j), van de Herstelwet van 10 februari 1981". (arrest van 9 december 2004, p.4-5). Grieven Krachtens artikel 1, ,§1, van de Herstelwet van 10 februari 1981 tot invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van de personen rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sector, zijn de bepalingen van deze wet toepasselijk op de personeelsleden en titularissen van één of meer politieke of openbare mandaten rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd ten laste van de Rijksbegroting of van een publiekrechtelijk persoon. In de zin van deze wet wordt verstaan onder personeelslid het vast, stagedoende, tijdelijk of hulppersoneelslid, zelfs aangeworven bij arbeidsovereenkomst, door de Staat of door één van de overheden bedoeld bij paragraaf 3 bezoldigd (zie artikel 1, ,§2, eerste streep). De overheden en diensten bedoeld in paragraaf 3 zijn de volgende:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.