id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060110.10 Rolnummer: P.05.0812.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2006-06-01 Raadplegingen: 716 - laatst gezien 2026-07-04 08:33 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De bestraffingschaal van de artikelen 26bis, 2°, 3°, en 4° van het koninklijk besluit van 31 december 1930 doet geen afbreuk aan de strafbaarheid van misdrijven met betrekking tot cannabis
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN Vrije woorden: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN (VERDOVENDE MIDDELEN INBEGREPEN) Verdovende middelen Misdrijf Strafbaarstelling Bestraffing Gevolg Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 31-12-1930 - Artt.26bis,2°, Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Vrije woorden: MISDRIJF - ALLERLEI Verdovende middelen Bestraffing Strafbaarstelling Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 31-12-1930 - Artt.26bis,2°, Fiches 3 - 4 De artikelen 26bis, 2° en 28 van het koninklijk besluit van 31 december 1930 die een minder zware straf stellen op de invoer, vervaardiging, vervoer, aanschaf en bezit van slaap- en verdovende middelen die betrekking hebben op cannabis alsmede op de teelt van cannabisplanten voor persoonlijk gebruik, doen geen afbreuk aan de strafbaarheid van andere dan voor persoonlijk gebruik gepleegde misdrijven met betrekking tot cannabis
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN Vrije woorden: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN (VERDOVENDE MIDDELEN INBEGREPEN) Verdovende middelen Misdrijf Cannabis Persoonlijk gebruik Bestraffing Gevolg Andere misdrijven Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 31-12-1930 - Artt.26bis,2°, Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Vrije woorden: MISDRIJF - ALLERLEI Verdovende middelen Misdrijf Cannabis Persoonlijk gebruik Bestraffing Gevolg Andere misdrijven Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 31-12-1930 - Artt.26bis,2°, Fiches 5 - 6 De teelt van cannabis voor verkoop en de teelt van cannabis voor andermans gebruik is strafbaar op grond van artikel 2bis Drugswet en artikel 26bis, 4° van het koninklijk besluit van 31 december 1930
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN Vrije woorden: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN (VERDOVENDE MIDDELEN INBEGREPEN) Verdovende middelen Teelt van cannabis Verkoop Andermans gebruik Strafbaarstelling Grondslag Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 31-12-1930 - Artt.26bis,4° Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Vrije woorden: MISDRIJF - ALLERLEI Verdovende middelen Teelt van cannabis Verkoop Andermans gebruik Strafbaarstelling Grondslag Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 31-12-1930 - Artt.26bis,4° Nota: P.05.0812.N Advocaat-generaal Timperman heeft in substantie gezegd: De vraag in deze aan de orde is te weten of het telen van cannabis voor andermans gebruik strafbaar is of niet. Het uitgangspunt van eisers is dat zulks niet het geval is (eerste onderdeel van het enige middel), en dat hoe dan ook de incriminatie
(1)niet beantwoordt aan de vereisten van het legaliteitsbeginsel (tweede onderdeel). De appèlrechters oordeelden daar anders over. De Koning heeft met betrekking tot de bestaande drugsmisdrijven in artikel 26bis van het K.B. van 31 december 1930 een indeling ingevoerd die alleen betrekking heeft op het invoeren van een gradatie in de bestraffing van bestaande inbreuken, waarvan artikel 26bis, 2° de eerste en laagste categorie vernoemt. De in dat artikel opgesomde inbreuken betreffen, zoals blijkt uit het 'verslag aan de Koning' en het advies van de Raad van State
(2), allen misdrijven gerelateerd aan een persoonlijk gebruik. De derde categorie zoals omschreven in artikel 26bis, 4° betreft dan dezelfde misdrijven die voor een ander oogmerk dan eigen gebruik zijn gepleegd, en hieronder valt het verbouwen van cannabis, ander dan voor persoonlijk gebruik, zoals dat reeds strafbaar was sedert de wijziging van artikel 2bis ,§1 Drugswet door artikel 4 de Wet van 14 juli 1994 (B.S. 26 september 1994). De ten laste gelegde feiten zijn dus wél strafbaar. Ik denk bovendien dat, anders dan wordt aangevoerd, de hele structuur of de verhouding van de artikelen 1 en 2bis van de Drugswet met de artikelen 26bis en 28 van het K.B. van 31 december 1930 impliceren dat de strafbaarstelling duidelijk en nauwkeurig genoeg blijft om te voldoen aan de eisen van het legaliteitsbeginsel. Nu het middel in zijn ontwikkeling incriminatie (strafbaarstelling) en penalisatie (bestraffing) lijkt te verwarren zijn de grieven in zoverre niet ontvankelijk wegens onnauwkeurigheid en dient de prejudiciële vraag aan Arbitragehof die betrekking heeft op de niet duidelijke strafbaarheid van het verbouwen van hennep voor ander dan persoonlijk gebruik niet te worden gesteld. Conclusie: verwerping _____________
(1)Artikel 26bis, 4° K.B. 31 december 1930.
(2)B.S. 2 juni
- Tekst van de beslissing Nr. P.05.0812.N I. S A, beklaagde, met als raadsman mr. Jan Kerkhofs, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Recollettenlei 39-40, alwaar de eiser woonplaats kiest, II. S N, beklaagde, met als raadsman mr. Tom Van Maldergem, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Bagattenstraat 72, alwaar de eiseres woonplaats kiest, eisers. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 3 mei
- De beide eisers voeren elk in een memorie die aan dit arrest zijn gehecht, een gelijkluidend middel aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling van het eerste onderdeel van het middel
- Het artikel 1 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (hierna genoemd: Drugwet), zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 3 mei 2003, machtigt de koning, bij een besluit vastgesteld in ministerraad, in het belang van de hygiëne bepaalde regelen uit te vaardigen en er toezicht op te houden. Het artikel 2bis, ,§ 1, eerste lid, Drugwet, zoals gewijzigd bij artikel 7, 1° en 2°, van de voornoemde wet van 3 mei 2003, stelt de overtreding van de bepalingen van de krachtens die wet uitgevaardigde koninklijke besluiten met betrekking tot de slaapmiddelen, verdovende middelen en de andere psychotrope stoffen die afhankelijkheid kunnen teweegbrengen en waarvan de lijst door de Koning wordt vastgesteld alsmede met betrekking tot de verbouw van planten waaruit deze stoffen kunnen worden getrokken, strafbaar naar gelang van het onderscheid gemaakt in het artikel 2bis, ,§ 1, tweede lid, en van de categorieën vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in ministerraad. Het artikel 2bis, ,§ 1, tweede lid, Drugwet, ingevoegd bij artikel 7, 3°, van de voornoemde wet van 3 mei 2003, bepaalt dat de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, een onderscheid kan maken tussen de stoffen opgesomd in de lijst bedoeld in het eerste lid. Het artikel 26bis, 2°, 3° en 4°, van het koninklijk besluit van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende de risicobeperking en therapeutisch advies, ingevoegd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003, bepaalt: "2° eerste categorie: de misdrijven van invoer, vervaardiging, vervoer, aanschaf en bezit van slaap- en verdovende middelen, alsmede van teelt van cannabisplanten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 15°, voor persoonlijk gebruik; 3° tweede categorie: de misdrijven van de eerste categorie die gepaard gaan met de verzwarende omstandigheden bedoeld in artikel 2bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen worden aangewend voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, gewijzigd bij de wetten van 9 juli 1975, 14 juli 1994, 4 april 2003 en 3 mei 2003; 4° derde categorie: de inbreuken op de voornoemde wet van 24 februari 1921, andere dan bedoeld in de categorieën 1 en 2." Het artikel 28 van het vermelde koninklijk besluit van 31 december 1930, vervangen bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003, bepaalt: ",§
- Overtreding van de bepalingen van dit besluit wordt gestraft met de straffen bepaald in de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen worden aangewend voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, zulks onverminderd die gesteld in het Strafwetboek. ,§
- Onverminderd ,§ 1: 1° worden de misdrijven van de eerste categorie omschreven in artikel 26bis die betrekking hebben op cannabis gestraft met de straffen bepaald in artikel 2ter, 1° tot 3°, van de wet bedoeld in ,§ 1; 2° worden de misdrijven van de eerste categorie omschreven in artikel 26bis die betrekking hebben op cannabis die gepaard gaan met openbare overlast gestraft met de straffen bepaald in artikel 2ter, 4°, van de wet bedoeld in ,§ 1; 3° worden de misdrijven van de eerste categorie omschreven in artikel 26bis, 2°, die betrekking hebben op andere slaap- en verdovende middelen dan cannabis en de misdrijven van de tweede en de derde categorie omschreven in artikel 26bis, 3° en 4° gestraft met de straffen bepaald in artikel 2bis van dezelfde wet."
- Het bestreden arrest veroordeelt en straft de eisers wegens de teelt van cannabis, extracta, resinae, tincturae, bestemd voor de verkoop en voor andermans gebruik, als zijnde een misdrijf van de derde categorie.
- Cannabis, extracta, resinae, tincturae is een stof welke krachtens het artikel 1, eerste lid, 15°, van het koninklijk besluit van 31 december 1930 onder de toepassing van dit besluit valt.
- De bestraffingschaal van de artikelen 26bis, 2°, 3° en 4°, en 28 van het koninklijk besluit van 31 december 1930 doet geen afbreuk aan de strafbaarheid van misdrijven met betrekking tot cannabis. Alleen stelt artikel 26bis, 2° en artikel 28, ,§2, een minder zware straf op de invoer, vervaardiging, vervoer, aanschaf en bezit van slaap- en verdovende middelen die betrekking hebben op cannabis alsmede op de teelt van cannabisplanten voor persoonlijk gebruik. Dit sluit elk ander feit dan dit voor persoonlijk gebruik uit. De desbetreffende wetsbepalingen zijn zo uitdrukkelijk, nauwkeurig en duidelijk dat desomtrent niet de minste twijfel kan bestaan.
- Het arrest oordeelt dat "teelt van cannabis voor verkoop" en "teelt van cannabis voor andermans gebruik" strafbaar is op grond van artikel 2bis Drugwet en artikel 26bis, 4°, van het koninklijk besluit van 31 december
- Het schendt niet de artikelen 7.1 EVRM, 15.1 IVBPR, 12, tweede lid, en 14 Grondwet, noch de artikelen 1 en 2bis Drugwet en artikel 26bis van het koninklijk besluit van 31 december
- Het onderdeel kan dus niet worden aangenomen. Beoordeling van het tweede onderdeel van het middel
- In zoverre het onderdeel uitgaat van de onderstelling dat het bestreden arrest de artikelen 7.1 EVRM, 15.1 IVBPR, 12, tweede lid, en 14 Grondwet, 1 en 2bis Drugwet en 26bis van het koninklijk besluit van 31 december 1930 schendt, kan het om de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verwart het onderdeel strafbaarheid en bepaling van de straf en is het in zoverre bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Het Hof is dan ook niet gehouden het Arbitragehof de in het onderdeel opgeworpen prejudiciële vraag te stellen betreffende de niet-duidelijke strafbaarheid van "het verbouwen en onderhouden van een hennepplantage, anders dan voor persoonlijk gebruik" . Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De beslissing op de strafvordering is overeenkomstig de wet gewezen met inachtneming van de substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten in het geheel op 124,60 euro, waarvan S.A. 62,30 euro verschuldigd is en S.N. 62,30 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, en Luc Van hoogenbemt en op de openbare terechtzitting van 10 januari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060110.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101123.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div