← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060110.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060110.12 Rolnummer: P.05.1337.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-06-01 Raadplegingen: 627 - laatst gezien 2026-07-04 10:09 Versie(s): Vertaling FR Fiche Tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, dat zich enkel uitspreekt over het verzoek tot opheffing van een handeling van het onderzoek met betrekking tot goederen van de verzoeker, staat geen onmiddellijk cassatieberoep open, ook al zou dit arrest het verzoek ten onrechte niet ontvankelijk hebben verklaard

(1).
(1)Cass., 16 mei 2000, AR P.00.0296.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000516.7, nr 299; Cass., 16 dec. 2003, AR P.03.1298.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031216.45, nr
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Voorbarig cassatieberoep (geen eindbeslissing) Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Voorbarig cassatieberoep (geen eindbeslissing) Onderzoekshandeling met betrekking tot goederen Verzoek tot opheffing Hoger beroep tegen de beslissing van de onderzoeksrechter Ontvankelijkheid Beslissing Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.05.1337.N UNITED INDUSTRIAL DIAMONDS nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Hovenierstraat 2, verzoekster tot opheffing van een onderzoekshandeling, eiseres, met als raadsman mr. Raf Verstraeten en mr. Caroline De Baets, advocaten bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 oktober
  2. De eiseres voert in een memorie drie middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. FEITEN
  3. De eiseres heeft in een verzoekschrift, overeenkomstig artikel 61quater Wetboek van Strafvordering, de onderzoeksrechter te Antwerpen de opheffing gevraagd van de blokkering van 20.000.000 frank (495.787,05 euro) met intrest, op de rekening nr. 640-0646700-44 op haar naam bij de Deposito- en Consignatiekas. Dit bedrag was op 11 juni 1997, ingevolge de door de onderzoeksrechter gestelde voorwaarde daartoe, gestort als zekerheidstelling voor de opheffing van het beslag op een stock diamanten in een bankkluis.
  4. Bij beschikking van 1 augustus 2005 heeft de onderzoeksrechter de gevraagde opheffing van de blokkering afgewezen op grond dat de wet voorziet in de teruggave of de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen. De eiseres is van deze beschikking in hoger beroep gekomen.
  5. Het arrest verklaart het hoger beroep ontvankelijk, wijzigt de bestreden beschikking en wijst het verzoek ab initio af als niet-ontvankelijk. Deze beslissing is gegrond op een tweevoudige redengeving. Eerst overweegt het arrest dat het beslag dateert van vóór de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, zodat het artikel 61quater Wetboek van Strafvordering niet toepasselijk is. Vervolgens overweegt het arrest dat, ook vóór de wet van 12 maart 1998, de onderzoeksrechter kon overgaan tot opheffing van een beslag en deze kon koppelen aan bepaalde voorwaarden. De consignatie dient hier derhalve aangezien te worden als de voorwaarde tot de opheffing van het beslag en niet als afzonderlijk beslag bij equivalent, waarvoor in 1997 nog geen wettelijke grondslag bestond. Daar de wet niet voorziet in een procedure tot opheffing of tot wijziging van de voorwaarden, opgelegd bij een gehele of gedeeltelijke opheffing van het beslag, dat slechts aan bod kan komen tijdens een later stadium van de rechtspleging, diende de onderzoeksrechter het verzoek als niet ontvankelijk af te wijzen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling van de ontvankelijkheid van de memorie
  6. ( ... )
  7. ( ... ) Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  8. Het artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tegen voorbereidende arresten of arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg gewezen vonnissen van dezelfde soort eerst cassatieberoep openstaat na het eindarrest of het eindvonnis. Het tweede lid, in zijn versie van vóór de inwerkingtreding van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, stelde dat de vorige bepaling niet toepasselijk is op arresten of vonnissen inzake bevoegdheid. Dit artikel 416 Wetboek van Strafvordering, in zijn vroegere versie, liet niet toe vóór de eindbeslissing onmiddellijk cassatieberoep in te stellen tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat zich uitspreekt over het lichten of het niet lichten van een beslag door de onderzoeksrechter.
  9. Het artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering in zijn versie van na de inwerkingtreding van de wet van 12 maart 1998, heeft de mogelijkheden van een onmiddellijk cassatieberoep tegen voorbereidende arresten of arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg gewezen vonnissen van dezelfde soort, uitgebreid. Het gewijzigde artikel 416 Wetboek van Strafvordering laat, evenmin als de oude versie ervan, toe onmiddellijk cassatieberoep in te stellen tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, dat zich enkel uitspreekt over de opheffing van een handeling van het onderzoek met betrekking tot de goederen van de verzoeker, ook al zou dit arrest dit verzoek ten onrechte niet ontvankelijk hebben verklaard.
  10. Het cassatieberoep is derhalve bij toepassing van de huidige versie van artikel 416 Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Begroot de kosten op 57,12 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, en Luc Van hoogenbemt en op de openbare terechtzitting van 10 januari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060110.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000516.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031216.45 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.