← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060110.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060110.9 Rolnummer: P.05.1372.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-06-01 Raadplegingen: 601 - laatst gezien 2026-07-04 06:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche Er staat geen onmiddellijk cassatieberoep open tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat oordeelt over de vraag of in beslag genomen goederen al dan niet in aanmerking komen voor een verbeurdverklaring op grond van artikel 42 Strafwetboek, en aldus geen uitspraak doet over de regelmatigheid van de onderzoeksmaatregel maar enkel over de gegrondheid ervan

(1).
(1)Cass., 16 mei 2000, AR P.00.0296.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000516.7, nr
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Voorbarig cassatieberoep (geen eindbeslissing) Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Voorbarig cassatieberoep (geen eindbeslissing) Verzoek tot opheffing van een onderzoekshandeling Hoger beroep tegen de beslissing van de onderzoeksrechter Onderzoek of de in beslag genomen goederen in aanmerking komen voor verbeurdverklaring Regelmatigheid van het beslag Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.05.1372.N TANYMMO nv, met maatschappelijke zetel te 1180 Brussel, Defrélaan 247, verzoekster tot het opheffen van een onderzoekshandeling, eiseres, met als raadman Mr. Thierry Afschrift, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 208, alwaar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 oktober
  2. De eiseres voert in een memorie twee middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht . Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd . II. BESLISSING VAN HET HOF Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. De kamer van inbeschuldigingstelling doet enkel uitspraak met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering wanneer zij de regelmatigheid van het haar voorgelegde strafonderzoek en van de ermee gepaard gaande strafvordering onderzoekt, dit is wanneer zij uitspraak doet over onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, ,§ 1, Wetboek van Strafvordering of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking of over een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering. Zij kan dat doen wanneer zij het hoger beroep tegen een beschikking van de onderzoeksrechter genomen met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering, te beoordelen heeft.
  4. Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak doet over het verzoek tot het opheffen van een onderzoekshandeling, zonder evenwel bij die gelegenheid onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, ,§ 1, voormeld of een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering te onderzoeken, doet zij enkel uitspraak met toepassing van artikel 61quater maar niet van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering.
  5. Het arrest doet uitspraak over het hoger beroep tegen de beschikking van de onderzoeksrechter waarbij het verzoek van eiseres tot het opheffen van een onderzoekshandeling, ingesteld met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering, wordt afgewezen. Die beslissing is geen eindbeslissing.
  6. In zoverre de kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt over de eerbiediging van het recht van verdediging in het kader van de rechtspleging met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering, doet het arrest geen uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, van dat wetboek.
  7. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de kamer van inbeschuldigingstelling voor het overige enkel te oordelen had over de vraag of de inbeslaggenomen goederen al dan niet in aanmerking komen voor een verbeurdverklaring op grond van artikel 42 Strafwetboek. Het arrest oordeelt dat deze goederen in aanmerking komen voor dergelijke verbeurdverklaring. Aldus doet het arrest geen uitspraak over de regelmatigheid van de onderzoeksmaatregel van het beslag maar enkel over de gegrondheid ervan. Die beslissing is evenmin een uitspraak met toepassing van artikel 416, tweede lid, wetboek van Strafvordering.
  8. Het cassatieberoep is niet ontvankelijk. Beoordeling van de middelen
  9. De middelen houden geen verband met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en behoeven derhalve geen antwoord. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Begroot de kosten op 57,12 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt en op de openbare terechtzitting van 10 januari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060110.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080514.5 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080514.6 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200512.2N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000516.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071016.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.