id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060112.3 Rolnummer: C.04.0151.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-04-21 Raadplegingen: 565 - laatst gezien 2026-07-04 08:59 Versie(s): Vertaling FR Fiche Niet ontvankelijk is het middel dat zich beroept op schending van de gewijzigde tekst van een wetsbepaling, terwijl de oorspronkelijke tekst van die bepaling op het geschil toepasselijk is en de wijziging invloed kan hebben op de gegrondheid van het middel
(1)Cass., 18 sept. 1992, AR F.1944.N, nr 622. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Vereiste vermeldingen Vrije woorden: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Vereiste vermeldingen Geschonden wetsbepalingen Gewijzigde wetsbepaling Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1080 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0151.N 1. V.A., 2. B.C., eisers, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen PNP-PIETTE & PARTNERS VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ, naamloze vennootschap, met zetel te 8500 Kortrijk, Casinoplein 6, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 18 november 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 29bis, ,§1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, ingevoegd bij de wet van 30 maart 1994 en gewijzigd bij de wetten van 13 april 1995 en van 19 januari 2001. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis verklaart de vordering van de eisers namens de huwgemeenschap om verweerster te veroordelen tot betaling van een provisie van 2.478,94 euro de vordering van de eisers om verweerster te veroordelen tot betaling van een provisie van 1.239,47 euro en de vordering van de eisers om verweerster te veroordelen tot betaling van een provisie van 2.478,94 euro met aanstelling van een geneesheer deskundige, ongegrond, op de volgende gronden: 1. Er bestaat betwisting over de feitelijke gegevens van het ongeval. Op basis van de eigen verklaring, onmiddellijk na het ongeval, van de tweede eiseres in het strafdossier neemt de rechtbank aan dat de tweede eiseres niet zelf, maar enkel de rem van haar fiets in aanraking is gekomen met de geparkeerde personenwagen. De beschrijvingen van het ongeval door de verbalisanten zijn niet éénduidig. Bij de aanvang van het proces-verbaal stellen ze dat "een fietser gevallen is tegen de achterkant van een reglementair geparkeerd voertuig", maar op de tweede pagina van het PV. stellen ze: "Bij dit manoeuvre raakt ze de achterkant van de fiets van haar echtgenoot, en komt ten val. Haar fiets belandt tegen het reglementair geparkeerd voertuig van M.". De verbalisanten hebben het ongeval uiteraard niet zien gebeuren, net zo min trouwens als de eigenaar van de wagen. Alhoewel de eerste eiser bij het ongeval aanwezig was, werd hij niet verhoord. De rechtbank steunt zich op de eigen verklaring van de tweede eiseres, die als slachtoffer beter dan wie ook weet hoe het ongeval gebeurd is. 2. Op grond van het bekende artikel 29bis vorderen de eisers van verweerster vergoeding van hun schade voortvloeiend uit de lichamelijke letsels van de tweede eiseres. Om te slagen in hun vordering, dienen de eisers aan te tonen, primo, dat de geparkeerde wagen van de verzekerde van verweerster "betrokken" was bij dit ongeval, en, secundo, dat de schade waarvan zij vergoeding vorderen, te wijten is aan de tussenkomst van die wagen. 3. Naar het oordeel van de rechtbank is het contact tussen de wagen en de fiets van de tweede eiseres voldoende om aan te nemen dat de wagen "betrokken" was in het ongeval. Evenwel dienen de eisers eveneens aan te tonen dat de schade waarvan zij vergoeding vorderen, te wijten is aan de tussenkomst van die wagen. Dit is niet het geval, aangezien de tweede eiseres zelf nooit in contact is gekomen met de wagen. Zij viel op (
- de)grond waarbij zij haar linkerknie brak. Dat zou niet anders geweest zijn, indien de wagen daar niet had gestaan. Uit het bovenstaande volgt dat de eerste rechter de vordering van de eiseres terecht als ongegrond heeft afgewezen, zodat het hoger beroep ongegrond is. Grieven Bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn op de plaatsen bedoeld in artikel 2, ,§1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, ingevolge het artikel 29bis, ,§1, eerste lid, van de aangehaalde wet van 21 november 1989 alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken. Het slachtoffer dat op grond van het artikel 29bis, ,§1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 vergoeding vordert voor de schade ingevolge een verkeersongeval dient te bewijzen dat een motorrijtuig betrokken was bij dat verkeersongeval. Hij dient echter niet te bewijzen dat de schade zelf veroorzaakt werd door het betrokken motorrijtuig. Het bestreden vonnis stelt vast dat de eisers op grond van het artikel 29bis, ,§1, van de wet van 21 november 1989 vergoeding vorderen van de schade voortvloeiend uit de lichamelijke letsels van de tweede eiseres ingevolge een verkeersongeval. Het bestreden vonnis stelt tevens vast dat de geparkeerde wagen van de verzekerde van verweerster betrokken was in dit ongeval. Het bestreden vonnis heeft echter ten onrechte beslist dat de eisers om te slagen in hun vordering, ook moeten aantonen dat de schade waarvan zij vergoeding vorderen te wijten is aan tussenkomst van die wagen en het heeft die vordering dan ook ten onrechte afgewezen omdat dit bewijs niet geleverd was, omdat de tweede eiseres zelf nooit in contact is gekomen met de wagen maar op de grond viel waarbij zij haar linkerknie brak hetgeen niet anders zou geweest zijn indien de wagen daar niet had gestaan. De eisers dienden immers enkel te bewijzen dat de wagen van de verzekerde van verweerster betrokken was bij het verkeersongeval zonder dat zij ook moesten aantonen dat de schade waarvan zij vergoeding vorderden veroorzaakt werd door die wagen. Nu de appèlrechters uitdrukkelijk vaststelden dat die wagen betrokken was bij het verkeersongeval, hebben zij de vordering van de eisers ten onrechte afgewezen omdat de schade ingevolge het verkeersongeval niet veroorzaakt werd door een contact met die wagen maar door de val op de grond (schending van artikel 29bis, ,§1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel 1. Verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is, nu het zich beroept op een schending van artikel 29bis W.A.M.-wet, zoals gewijzigd bij wet van 19 januari 2001, hoewel de vorige versie van die bepaling op het geschil toepasselijk is en de wijziging invloed kan hebben op de gegrondheid van het middel. 2. Blijkens zijn bewoordingen, wijst het middel als geschonden wetsbepaling artikel 29bis, ,§1, eerste lid, W.A.M.-wet aan, zoals onder meer gewijzigd door de wet van 19 januari 2001, dat bepaalt: "Bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, ,§1, wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijk letsel of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken". 3. Het middel verwijt aan het vonnis ten onrechte te hebben beslist dat de eisers om te slagen in hun vordering ook moeten aantonen dat de schade waarvan zij vergoeding vorderen, veroorzaakt werd door het bij het verkeersongeval betrokken motorrijtuig. 4. Gelet op de datum van het ongeval, dit is 10 juli 1999, dient artikel 29bis W.A.M.-wet te worden toegepast in de versie die van kracht was vóór de wijziging bij de wet van 19 januari 2001. 5. In deze vroegere en te dezen toepasselijke versie van artikel 29bis, ,§1, eerste lid, W.A.M.-wet, is er anders dan in de gewijzigde versie, geen sprake van "alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden", maar van "alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden". 6. Deze wijziging van artikel 29bis, ,§1, eerste lid, W.A.M.-wet kan invloed hebben op de gegrondheid van het middel, meer bepaald wanneer de te dezen toepasselijke versie ervan aldus zou moeten geïnterpreteerd worden dat er een oorzakelijke verband moet zijn tussen de schade en het betrokken zijn van het voertuig. 7. De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden aangenomen. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van vijfhonderd en tien euro tachtig cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd eenentwintig euro eenenzestig cent jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Greta Bourgeois en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van twaalf januari tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060112.3 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191114.15 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.14 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211105.1F.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div