← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060117.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060117.3 Rolnummer: P.05.1118.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2006-05-15 Raadplegingen: 627 - laatst gezien 2026-07-04 08:47 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Onder bedreiging, als bestanddeel van het misdrijf afpersing, moet worden verstaan alle middelen van morele dwang door het verwekken van vrees voor een dreigend kwaad, als zodanig moet worden beschouwd het kwaad waartegen de bedreigde persoon denkt niets te kunnen ondernemen

(1).
(1)Cass., 26 april 1989, AR 7235, nr 489. Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING Vrije woorden: DIEFSTAL EN AFPERSING Afpersing Constitutieve bestanddelen Bedreiging Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1867 - Artt.470en483 Fiches 2 - 3 Bij gebrek aan daartoe strekkende conclusie moet de rechter de veroordeling in de kosten niet motiveren
(1).
(1)Zie Cass., 1 dec. 1999, AR P.99.1092.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991201.9, nr
  1. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Veroordeling in de kosten Motivering Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Art.149 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Gerechtskosten Veroordeling in de kosten Motiveringsplicht Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Art.149 Tekst van de beslissing Nr. P.05.1118.N V B H, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Eva Mercken en mr. Jef Vermassen, advocaten bij de balie te Dendermonde, tegen
  2. BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te 2000 Antwerpen met kantoor te Antwerpen, Tabakvest 50, burgerlijke partij, vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie,
  3. B J, en zijn echtgenote burgerlijke partij,
  4. V B M, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 22 juni
  5. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  6. De eiser heeft cassatieberoep ingesteld tegen alle beschikkingen van het bestreden arrest.
  7. Het cassatieberoep is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang in zoverre het wordt ingesteld tegen de beschikkingen van het bestreden arrest waarbij vastgesteld wordt dat de strafvordering voor het feit van de telastlegging A.1 vervallen is wegens verjaring en waarbij de appelrechters de eiser vrijspreken voor de feiten van de telastleggingen A.2, A.3 en A.
  8. Eerste middel
  9. Het middel voert aan dat de voorwaarden om de eiser schuldig te verklaren aan afpersing (artikel 470 Strafwetboek), niet aanwezig zijn omdat B J klacht heeft neergelegd bij de politie "alvorens de afpersing waarvan hij beweert slachtoffer te zijn, een aanvang kon nemen" zodat hij niet "in de overtuiging verkeert dat hij geen beroep kan doen op de overheid of andere wettelijke middelen om de dreiging af te wenden of te doen ophouden".
  10. Artikel 470 Strafwetboek stelt strafbaar "hij die met behulp van geweld of bedreiging afperst, hetzij gelden, waarden, roerende voorwerpen, schuldbrieven, biljetten, promessen, kwijtingen, hetzij de ondertekening of de afgifte van enig stuk dat een verbintenis, beschikking of schuldbevrijding inhoudt of teweegbrengt". Onder bedreiging wordt, krachtens artikel 483, tweede lid, Strafwetboek, verstaan "alle middelen van morele dwang door het verwekken van vrees voor een dreigend kwaad". Als zodanig moet worden beschouwd het kwaad waartegen de bedreigde persoon denkt niets te kunnen ondernemen.
  11. De appelrechters stellen onaantastbaar vast dat: - B J "onder zeer sterke morele druk kwam met betrekking tot door (eiser) beoogde fiscale controles, derwijze dat hij terecht begon te vrezen voor een dreigend kwaad, namelijk het overgeleverd worden aan willekeur en onrechtvaardige behandeling vanwege (eiser)", reden waarom hij op 20 maart 1998 klacht heeft neergelegd bij de politie; - de morele druk op B J in de dagen die daarop volgden, nog verder wordt opgevoerd zodat deze laatste, mede op grond van de reputatie van de eiser die het dossier van B J naar zich had toegetrokken, "in zijn perceptie geen andere keuze had dan eraan toe te geven"; - B J immers, niettegenstaande zijn klacht bij de politie, "nog steeds vermocht te vrezen verder geconfronteerd te worden met eiser als belastingscontroleur, zodat in zijnen hoofde de vrees voor een te strenge of onrechtvaardige controle bleef bestaan". De appelrechters verantwoorden aldus hun beslissing naar recht.
  12. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  13. Bij gebrek aan daartoe strekkende conclusies moeten de appelrechters de veroordeling in de kosten niet motiveren.
  14. Het middel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 110,42 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, en Paul Maffei, en op de openbare terechtzitting van 17 januari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060117.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991201.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220406.2F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.