id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060119.4 Rolnummer: C.04.0446.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2006-11-24 Raadplegingen: 717 - laatst gezien 2026-07-04 10:06 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het tijdstip van staking van betaling door een vennootschap kan worden vastgesteld tot op het tijdstip van haar ontbinding, wanneer het vennootschapsvermogen, volgens het toepasselijk recht, vereffend wordt, ook zonder dat daartoe door de vennoten een formele beslissing tot ontbinding werd genomen
(1).
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEGRIP. VEREISTEN VAN HET FAILLISSEMENT Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEGRIP. VEREISTEN VAN HET FAILLISSEMENT Staking van betaling Tijdstip Vennootschap Ontbinding Vereffening Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - Art.12,zesdel Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Vrije woorden: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Ontbinding Vereffening Faillissement Staking van betaling Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - Art.12,zesdel Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. Dubrulle, Cass., 19 jan. 2006, AR C.04.0446.N, A.C., 2006, nr .... Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEGRIP. VEREISTEN VAN HET FAILLISSEMENT Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEGRIP. VEREISTEN VAN HET FAILLISSEMENT Staking van betaling Tijdstip Vennootschap Ontbinding Vereffening Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Vrije woorden: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Ontbinding Vereffening Faillissement Staking van betaling Tijdstip Nota: C.04.0446.N Conclusie van de Heer Advocaat-generaal Dubrulle De aanvankelijke vordering werd ingesteld door de curator van de N.V. Top Star International in vereffening en strekte ertoe, op grond van het artikel 12, laatste lid, van de Faillissementswet 1997, de datum van de staking door de gefailleerde vennootschap van haar betalingen te doen terugbrengen tot meer dan zes maanden voor de datum van het faillissementsvonnis, namelijk in hoofdorde op 12 september 1996, zijnde de datum van het feitelijk vereffeningbesluit, in ondergeschikte orde op 1 januari 1997, zijnde de datum van de feitelijke vereffening, en in uiterst ondergeschikte orde op 10 oktober 2000, zijnde de datum waarop de vennootschap gerechtelijk werd ontbonden wegens het niet tijdig neerleggen van de jaarrekeningen. In deze procedure kwam eiser, die belangrijke vorderingen heeft te doen gelden ten laste van de failliete boedel, vrijwillig tussen. Door de eerste rechter werd de aanvankelijke vordering slechts zeer partieel ingewilligd. De datum van de staking der betalingen werd immers teruggebracht op zes maanden voor de datum van het faillissementsvonnis. Deze beslissing van de eerste rechter werd in het bestreden arrest bevestigd. De appèlrechters overwogen hierbij, onder meer, dat "voor de toepassing van art. 12 Faill.W. een formele ontbinding van de vennootschap vereist (is), hetzij bij beslissing van de algemene vergadering van de aandeelhouders, hetzij langs gerechtelijke weg op initiatief van een schuldeiser of van het Openbaar Ministerie" en dat "een feitelijke toestand van vereffening derhalve niet (volstaat) om de terugbrenging van de datum van staking van betaling te verantwoorden". In het eerste onderdeel van het enig middel voert eiser aan dat, door de vordering af te wijzen om de enige reden dat geen formeel ontbindingsbesluit genomen werd en zonder na te gaan of de vennootschap niet van rechtswege ontbonden en in vereffening getreden was, het bestreden arrest "aan de toepassing van het artikel 12 van de Faillissementswet een voorwaarde (toevoegt)", hetgeen een schending van deze bepaling, alsmede van de wetsbepaling inzake de ontbinding van rechtswege van vennootschappen zou inhouden. Het zesde (en laatste) lid van het artikel 12 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt: "Het vonnis mag het tijdstip van staking van betaling niet vaststellen op meer dan zes maanden voor het vonnis van faillietverklaring, tenzij dit vonnis het faillissement betreft van een meer dan zes maanden voor de faillietverklaring ontbonden rechtspersoon waarvan de vereffening al dan niet werd afgesloten, en waarvoor aanwijzingen bestaan dat deze is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. In dat geval kan het tijdstip van de staking van betaling worden vastgesteld op de dag van het ontbindingsbesluit." Deze in fine voorziene uitzondering werd door de wetgever ingevoerd opdat de niet-tegenwerpbaarheid zou kunnen worden ingeroepen van "vervreemdingen ten koste van de schuldeisers en van de latere faillissementsboedel", in het kader van "twijfelachtige" of "frauduleuze" vereffeningen, namelijk vereffeningen, zoals de tekst van de wet het stelt, waarvoor aanwijzingen bestaan dat ze zijn of worden bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers
(1). Voor de toepassing van de besproken uitzonderingsbepaling is, krachtens de tekst van de wet, vereist, ten eerste dat het gaat om een ontbonden rechtspersoon
(2)en ten tweede dat er aanwijzingen voorhanden zijn dat de vereffening van deze ontbonden rechtspersoon is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers, terwijl het zonder belang is of de vereffening al dan niet reeds werd afgesloten. Het middel stelt de vraag aan de orde of de wet, wat betreft de toepasselijkheid van de besproken uitzonderingsbepaling, verder een onderscheid maakt naargelang de oorzaak van de ontbinding van de rechtspersoon, te weten een vrijwillige of conventionele ontbinding, een gerechtelijke ontbinding dan wel een ontbinding van rechtswege
(3). De in de wettekst gebruikte terminologie, namelijk dat, zo er aanwijzingen zijn dat de vereffening van de ontbonden rechtspersoon is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers, het tijdstip van de staking van betaling kan
(4)worden vastgesteld "op de dag van het ontbindingsbesluit" ( in de Franse tekst: "au jour de la décision de dissolution"), zou kunnen aanwijzen dat, voor de toepassing van deze uitzonderingsbepaling, zoals in het bestreden arrest gesteld, hetzij een formeel ontbindingsbesluit van de algemene vergadering, hetzij een gerechtelijke beslissing tot ontbinding van de rechtspersoon vereist is. Dergelijke louter op het gebruik van het woord "ontbindingsbesluit" gesteunde interpretatie is evenwel weinig overtuigend. Vooreerst kan erop gewezen worden dat de aanvankelijke tekst van het amendement nr. 40 van de regering
(5), waarin ook reeds sprake van "de dag van het ontbindingsbesluit", tevens gewag maakte van een ontbonden rechtspersoon "waarvan de ontbinding werd uitgesproken meer dan zes maanden voor de faillietverklaring", hetgeen het toepassingsveld van de uitzonderingsbepaling, in strijd met de geest van de wet, zou hebben beperkt tot de gerechtelijke ontbindingen. Later werd de zinsnede "waarvan de ontbinding werd uitgesproken meer dan zes maanden voor de faillietverklaring" weliswaar weggelaten, doch zulks geeft dan toch wel aan dat de wetgever ook al had hij mogelijk in de eerste plaats de vrijwillige vereffeningen
(6)voor ogen - weinig aandacht heeft geschonken aan de oorzaak van de ontbinding. Maar er is meer. Het is duidelijk dat de besproken uitzonderingsbepaling aansluit bij het artikel 2, laatste lid, van de Faillissementswet, dat bepaalt dat het faillissement van een ontbonden rechtspersoon kan worden uitgesproken tot zes maanden na de sluiting van de vereffening, zonder dat hierbij enig onderscheid wordt gemaakt naargelang de oorzaak van de ontbinding. Ter verantwoording van beide bepalingen werd door de wetgever overigens verwezen
(7)naar het arrest van Uw Hof van 17 juni 1994
(8), waarbij, zonder enig onderscheid naargelang de oorzaak van de ontbinding, werd overwogen, enerzijds: " ... dat, krachtens artikel 178 van de Vennootschappenwet, een handelsvennootschap na haar ontbinding geacht wordt voort te bestaan voor haar vereffening; dat de vennootschap die wordt ontbonden en in vereffening gesteld, de door haar statutair doel bepaalde hoedanigheid van handelaar niet verliest maar integendeel bewaart tot zij volledig is vereffend. Dat het verbod een handelaar meer dan zes maanden na de stopzetting van zijn handel failliet te verklaren, geen toepassing kan vinden op een ontbonden handelsvennootschap waarvan de vereffening nog niet is afgesloten;" en anderzijds: "Dat de vennootschap in vereffening die haar eisbare schulden niet kan betalen of op korte termijn niet zal kunnen voldoen, aan wie haar schuldeisers weigeren een uitstel van betaling of een vermindering van hun schuldvordering toe te staan en die geen nieuw krediet kan krijgen, in staat van faillissement is;". Daarenboven is het duidelijk dat een ontbinding van rechtswege het gevolg kan zijn van een impliciet of zelfs stilzwijgend ontbindingsbesluit, waardoor het tekstargument, waarvan hierboven sprake, komt te vervallen. Zo zal, wanneer het maatschappelijk doel van een vennootschap zich vereenzelvigt met de exploitatie van een welbepaalde zaak, de ontbinding van rechtswege het gevolg zijn van de beslissing deze welbepaalde zaak te verkopen
(9). Van een stilzwijgend ontbindingsbesluit zou gewag kunnen worden gemaakt wanneer de rechtspersoon wetens en willens de termijn waarvoor de vennootschap is aangegaan laat voorbijgaan, zonder een beslissing tot prorogatie te nemen, hetgeen de ontbinding van rechtswege van de vennootschap tot gevolg zou hebben
(10). Het komt zelfs voor dat de termijn waarvoor een vennootschap werd aangegaan wordt gewijzigd om de formaliteiten, die een vrijwillige ontbinding impliceren, te omzeilen
(11). Tenslotte en niet in het minst verzet de doelstelling van de wet zich tegen de in het bestreden arrest gegeven interpretatie van het artikel 12, zesde lid van de Faillissementswet. De wetgever beoogde immers dat inzake vervreemdingen doorgevoerd door ontbonden rechtspersonen in het kader van "twijfelachtige" of "frauduleuze" vereffeningen, namelijk vereffeningen waarvoor er aanwijzingen zijn dat deze zijn of worden bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers
(12), de door de wet bepaalde niet-tegenwerpbaarheden zouden kunnen worden ingeroepen. Waar een vereffening, ook in het kader van een al dan niet opzettelijk uitgelokte ontbinding van rechtswege, kan worden bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers, moet, in het licht van het door de wetgever beoogd doel, worden aanvaard dat de oorzaak van de ontbinding van de rechtspersoon irrelevant voorkomt. Door de eiser wordt dan ook terecht betoogd dat het artikel 12, zesde lid van de Faillissementswet in het bestreden arrest werd geschonden doordat een door de wet niet voorziene toepassingsvoorwaarde werd toegevoegd. Het onderdeel is dus gegrond. Het tweede onderdeel, dat niet tot ruimere cassatie kan leiden, dient niet nader te worden onderzocht. Conclusie: vernietiging. ___________________________
(1)Doc., Kamer, 1995-96, nr. 330/7, 6-7 en nr. 330/13, 1; zie ook het verslag Vandeurzen (ibid., nr. 329/17, 35).
(2)De bewering dat deze bepaling discriminerend zou zijn, nu de mogelijkheid om het tijdstip van staking van betaling te bepalen op meer dan zes maanden voor het faillissementsvonnis niet zou kunnen worden toegepast op natuurlijke personen, werd door het Arbitragehof niet weerhouden (Arbitragehof, 27 november 2002, nr. 173/2002).
(3)Ph. Jehasse, Manuel de la liquidation, Brussel, éd. Kluwer, 2004, 69, nr. 89.
(4)Ph. Ernst, "Verbanden tussen het gerechtelijk akkoord, het faillissement en de vereffening van vennootschappen na 1 januari 1998", V & F , 1998, 186-227, nr. 130.
(5)Doc., Kamer 1995-96, nr. 330/7, 6.
(6)Ibid., nr. 329/17, 35.
(7)Ibid., nr. 330/7, 6 en nr. 329/17, 35.
(8)Cass., 17 juni 1994, A.R. C.93.0503.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940617.10, A.C., 1994, nr. 319, met concl. A.-G. BRESSELEERS, T.B.H., 1994, 876, met noot Ph. Gerard "Conditions de la faillite et société commerciale en liquidation", Rev. prat. soc., 1994, 424, met voormelde conclusie in vertaling en noot W. Derijcke, "La faillite d'une société en liquidation. Epanalepse ou épanadiplose?"; zie ook Ph. Ernst, o.c., inz. nrs. 81 e.v. en C. Van Buggenhout, "Kanttekeningen bij de wetten betreffende het gerechtelijk akkoord en het faillissement", R.W., 1997-98, 449-462, inz. nr. 18.
(9)M. Coipel, "Réflexions sur la dissolution d'une société pour extinction de la chose et sur le pouvoir de décider le dépôt d'une requête en concordat par abandon d'actif", noot bij Cass., 21 september 1989, R.C.J.B., 1993, 45, nr. 26.
(10)Ph. Jehasse, o.c., 138, nr. 236.
(11)Ph. Jehasse, o.c., 74, nr. 98.
(12)Ph. Ernst, o.c., 217, nr. 128 en voetnoot 203. Tekst van de beslissing Nr. C.04.0446.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der directe belastingen te Antwerpen, tweede directie, wiens kantoor gevestigd is te 2000 Antwerpen, Tabakvest 50, eiser, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. H.A., curator van het faillissement van de NV Top Star International, kantoor houdende te , 2. TOP STAR INTERNATIONAL, naamloze vennootschap, in vereffening, met zetel te 2000 Antwerpen, Adriaan Brouwersstraat 29, 3. V.G., vereffenaar van de NV Top Star International, kantoor houdende te , 4. V.P., afgevaardigd-bestuurder van de NV Top Star International, wonende te , verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 april 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 12, laatste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 (hierna Faill.W.), en voor zoveel als nodig artikel 442, laatste lid, van de Faillissementswet van 18 april 1851, opgenomen als boek III in het Wetboek van Koophandel, in de tekst zoals van kracht tijdens de jaren 1996 en 1997 (hierna oude Faill. W.); - artikel 39, 2°, van het Wetboek van Vennootschappen, ingevoerd bij de wet van 7 mei 1999 (hierna W. Venn.), en voor zoveel als nodig artikel 1865, 2°, van het Burgerlijk Wetboek (B.W.), zoals van toepassing tijdens de jaren 1996 en later, tot de opheffing ervan door de wet van 7 mei 1999. Aangevochten beslissingen Het eindarrest verklaart het hoger beroep, door de administratie ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen van 20 februari 2003 ongegrond, en verwijst de administratie in de kosten. Dit vonnis, uitspraak doende op de vordering van de curator, waarbij de administratie zich bij vrijwillige tussenkomst had aangesloten, verklaart de vordering: "gegrond in de volgende mate: brengt de datum van staking van betaling van de NV Top Star International in vereffening, met zetel te 2000 Antwerpen, Adriaan Brouwerstraat 29, terug op 18 januari 2002. Wijst het overige van de vordering af" met bevel van publicatie van dit vonnis in het Belgische Staatsblad en twee dagbladen, en kosten ten laste van de failliete boedel. Deze beslissing is gesteund op de volgende motivering: "Eisers wijzen er op dat in casu een feitelijk vereffeningsbesluit werd genomen per 12 september 1996 en in datum van 13 februari 1997 de vennootschap ook feitelijk werd vereffend met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997. Het volledige handelsfonds met meerwaarde werd overgedragen. De aandelen werden eveneens overgedragen aan een rechtspersoon die als buffer optrad en waarbij geen verdere aangiften meer gebeurden in de vennootschapsbelasting/roerende voorheffing. Alle liquide middelen werden uit de vennootschap gehaald om de aankoop van waardeloze aandelen te financieren en de liquide middelen van de kasgeldvennootschap werd uitgekeerd aan de echtlieden V - P. . Door middel van deze constructie werden belangrijke inkomsten aan de schatkist ontzegd. Gelet op voormelde constructie, vorderen zij de terugstelling van de staking van betaling van de NV Top Star International tot 12 september 1996, datum van het feitelijk vereffeningsbesluit. Artikel 12, laatste lid, van de Faill. W. stelt dat de datum van staking van betaling met meer dan zes maanden kan worden teruggebracht wanneer blijkt dat het een faillissement betreft van een meer dan zes maanden voor de faillietverklaring ontbonden rechtspersoon, waarvan de vereffening al dan niet werd afgesloten, en waarvoor aanwijzingen bestaan dat deze is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. De rechtbank kan bijgevolg het tijdstip van staking van betaling vaststellen op de dag van het ontbindingsbesluit en dit in welbepaalde omstandigheden. Geenszins is in de wet voorzien dat de rechtbank over de mogelijkheid beschikt om de datum van staking van betaling terug te brengen tot een tijdstip voor het ontbindingsbesluit, met name de datum van de algemene vergadering. Bijgevolg geldt de dag van het ontbindingsbesluit dan ook in ieder geval als uiterste grens voor het bepalen van de datum van staking van betaling. In casu werd de NV Top Star International bij vonnis van 10 oktober 2000 gerechtelijk ontbonden wegens niet tijdig neerleggen van de jaarrekeningen. Een dergelijke ontbinding werd uiteraard niet bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. Een terugstelling van de datum van staking van betaling tot 10 oktober 2000 overeenkomstig art. 12 Faill. W. is dan ook niet aan de orde. Het staat vast dat de NV Top Star International in vereffening geen handelsactiviteit meer uitoefende sedert 1 januari 1997, nagelaten heeft haar openstaande schulden sedert 1996 aan het ministerie van Financiën te voldoen, (en dat) door de vereffenaar, aangesteld bij vonnis van 10 oktober 2000 geen activa meer kon aangetroffen worden. Hiermede rekening houdend staat het vast dat de NV Top Star International in vereffening haar betalingen heeft gestaakt meer dan zes maanden voor de datum van het faillissementsvonnis en haar krediet geschokt was, zodat het aangewezen voorkomt de datum van staking van betaling terug te stellen op 18 januari 2002". Op het hoger beroep van de administratie wordt eerst in het tussenarrest van 22 januari 2004 verwezen naar het feitenrelaas van de eerste rechter en vastgesteld dat de zaak mededeelbaar is aan het openbaar ministerie, zodat de debatten werden heropend. Na het openbaar ministerie in zijn mondeling advies gehoord te hebben, verklaart het hof van beroep in zijn eindarrest van 8 april 2004 het door eiser ingesteld hoger beroep ongegrond, met verwijzing van eiser in de kosten. Deze beslissing is gesteund op de volgende motivering: "Krachtens art. 12, laatste lid, Faill. W. kan zelfs in geval van ontbinding van de vennootschap met de bedoeling nadeel toe te brengen aan de schuldeisers de datum van staking van betaling niet verder terug gebracht worden dan de dag van het ontbindingsbesluit. De vaststelling dat de vennootschap in feite reeds in september 1996, minstens voor einde 1996, haar handelsfonds volledig heeft overgedragen en geen activiteiten meer uitoefende laat op zich niet toe te besluiten dat alsdan reeds een ontbindingsbesluit genomen werd. Voor de toepassing van art. 12 Faill. W. is een formele ontbinding van de vennootschap vereist, hetzij bij beslissing van de algemene vergadering van de aandeelhouders, hetzij langs gerechtelijke weg op initiatief van een schuldeiser of van het openbaar ministerie. Een feitelijke toestand van vereffening volstaat derhalve niet om de terugbrenging van de datum van staking van betaling te verantwoorden. De eerste rechter heeft de datum van staking van betaling ook niet terug gebracht tot 10 oktober 2000, zijnde de datum waarop de gefailleerde vennootschap gerechtelijk ontbonden werd, met het motief dat deze ontbinding niet gebeurde met de bedoeling de schuldeisers te benadelen. Dit motief van de eerste rechter werd niet weerlegd. De beslissing van de rechtbank om de vennootschap te ontbinden op vordering van het openbaar ministerie had uiteraard niet tot doel de schuldeisers te benadelen. De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat deze wettelijke vereiste van art. 12 Faill. W. niet vervuld was". Grieven Eerste onderdeel Naar luid van artikel 22, laatste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 en van artikel 442, oude Faill. W. mag het vonnis, waarbij de datum van staking van betaling van de gefailleerde vastgesteld wordt, deze datum vervroegen tot op de dag van het ontbindingsbesluit van de gefailleerde vennootschap, wanneer dit vonnis "het faillissement betreft van een meer dan zes maanden vóór de faillietverklaring ontbonden rechtspersoon, waarvan de vereffening al dan niet werd afgesloten, en waarvan aanwijzingen bestaan dat deze is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers". De voorwaarden voor een vervroegde bepaling van de datum van staking van betaling zijn aldus:
- a)een meer dan zes maanden vóór de faillietverklaring ontbonden rechtspersoon;
- b)aanwijzingen dat de vereffening wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. De wet preciseert dat de vereffening niet moet afgesloten zijn. De vervroegde bepaling van de datum van staking van betaling kan dus gebeuren ook tijdens de periode binnen dewelke vereffeningsdaden voltrokken worden. In toepassing van artikel 1865 van het Burgerlijk Wetboek, zoals deze bepaling bestond vóór haar opheffing bij de wet van 7 mei 1999, en die dus van kracht was tijdens de jaren 1996 tot 1998, kunnen vennootschappen vereffend worden zonder formeel ontbindingsbesluit. Dit is met name het geval wanneer de ontbinding plaats vindt van rechtswege, of uit kracht van de wet. Een vennootschap is van rechtswege ontbonden wanneer haar maatschappelijk doel vervuld is of niet meer bestaat. Dit kan gebeuren wanneer zij, door de verrichtingen van haar bestuur, in de onmogelijkheid gesteld wordt haar maatschappelijk doel na te streven. Zulke verrichtingen hebben dezelfde betekenis en uitwerking als het tenietgaan van de zaak waarvoor de vennootschap was opgericht of het voltrekken van haar in de statuten omschreven maatschappelijk doel. Aldus moet de ontbinding van een vennootschap vastgesteld worden, en treedt die vennootschap in vereffening, wanneer haar volledig handelsfonds aan derden afgestaan wordt en haar volledig actief uitgekeerd wordt, zij het langs de omweg van een aankoop van haar aandelen door een andere vennootschap die haar maatschappelijk doel niet verder nastreeft. In deze omstandigheden gebeurt de vereffening van de vennootschap zonder formeel ontbindingsbesluit. Evenwel beantwoorden deze omstandigheden volledig aan de ratio legis van artikel 12, laatste lid, Faill. W. De toepassing van deze regeling vereist niet het bewijs van frauduleuze praktijken; aanwijzingen van een bedoeling om nadeel aan de schuldeisers te berokkenen volstaan. Het voorschrift van artikel 12, laatste lid, Faill. W., kan dus niet zo begrepen worden dat deze bepaling een formeel ontbindingsbesluit vereist en enkel toepassing kan vinden wanneer zulk besluit bestaat. Door deze beslissing wordt aan de tekst een voorwaarde toegevoegd. In toepassing daarvan moet, onder ontbindingsbesluit voor de toepassing van artikel 12 Faill. W. (en artikel 442, oude FaiII. W.), elke beslissing worden begrepen waaruit een feitelijke ontbinding van de rechtspersoon wordt afgeleid. Desgevallend dient de rechter na te gaan of het nastreven van het maatschappelijk doel definitief onmogelijk is geworden. In het geval van een vennootschap, waarin verrichtingen voltrokken worden die de bedoeling kunnen aanwijzen om de schuldeisers nadeel te berokkenen, kan de rechter derhalve niet de toepassing van art. 12, laatste lid, Faill. W. afwijzen zonder na te gaan of deze vennootschap al dan niet krachtens de wet ontbonden is en of de overdracht van haar actief al dan niet een virtuele vereffening nastreeft. Besluit Het arrest, dat de vordering van eiser en van de curator tot het vaststellen van een vervroegde verklaring van staking van betalingen afwijst, om de enige reden dat geen formeel ontbindingsbesluit genomen werd en zonder na te gaan of de vennootschap niet van rechtswege ontbonden en in vereffening getreden was, voegt aan de toepassing van artikel 12 van de Faillissementswet een voorwaarde toe (schending van deze bepaling en voor zoveel als nodig van artikel 442, laatste lid, oude Faill. W.), en miskent tevens de wetsbepalingen betreffende de ontbinding van rechtswege van vennootschappen (schending van art. 39, 2°, Venn. W. en 1865, 2°, B.W.). Tweede onderdeel, in subsidiaire orde Naar luid van artikel 12, laatste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, en artikel 442, laatste lid, oude Faill. W., hierboven aangehaald, mag de datum van staking van betaling van de gefailleerde vervroegd worden tot op de datum van het ontbindingsbesluit van de vennootschap, wanneer aanwijzingen bestaan dat deze is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. In het arrest wordt vastgesteld dat de vennootschap gerechtelijk ontbonden werd op 10 oktober 2000. De eerste rechter heeft evenwel het vaststellen van een tot 10 oktober 2000 vervroegde datum van staking van betaling ontzegd omdat "een dergelijke ontbinding uiteraard niet (werd) bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers". Deze beslissing werd door het arrest bevestigd met de overweging dat "dit motief niet (werd) weerlegd". Uit deze uitspraak blijkt, ten eerste, dat eisers vordering tot toepassing van voormelde bepaling van artikel 12, Faill. W., ontzegd werd omdat geoordeeld werd dat de ontbinding niet gebeurde met de bedoeling de schuldenaars te benadelen. De tekst verwijst evenwel niet naar de beslissing tot ontbinding, maar naar de vereffening van de vennootschap, welke niet gerechtelijk gebeurde. De ontbinding, als akte, wijzigt de rechtstoestand van de vennootschap. Beschikkingen over haar vermogen vinden plaats door het verloop van haar vereffening. Ten tweede: de wet vereist niet dat voor de ontbinding het bewijs zou geleverd worden van de bedoeling om de schuldeisers te benadelen, maar wel dat bij de vereffening aanwijzingen (Fr.: indices) zouden bestaan van zulke bedoeling. Noch in het arrest, noch in het vonnis van de eerste rechter, wordt geoordeeld over het al dan niet bestaan van aanwijzingen zoals in de wet aangeduid. De uitspraak miskent derhalve de betekenis van de besproken wettelijke bepaling. Besluit Door het afwijzen van de subsidiaire vordering van eiser om de datum van staking van de betaling van de gefailleerde vennootschap minstens vast te stellen op 10 oktober 2000, zijnde de datum van de gerechtelijke ontbinding van de vennootschap, zonder na te gaan of er al dan niet aanwijzingen bestonden dat de vereffening van de vennootschap zou bewerkstelligd worden met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers, heeft het arrest voormelde bepalingen miskend (schending van artikel 12, laatste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, en voor zoveel als nodig van artikel 442, laatste lid, oude Faill. W.). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Naar luid van artikel 12, zesde lid, van de Faillissementswet, mag het vonnis het tijdstip van staking van betaling niet vaststellen op meer dan zes maanden voor het vonnis van faillietverklaring, tenzij dit vonnis het faillissement betreft van een meer dan zes maanden voor de faillietverklaring ontbonden rechtspersoon waarvan de vereffening al dan niet werd afgesloten, en waarvoor aanwijzingen bestaan dat deze is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. In dat geval kan het tijdstip van het ophouden van betalen worden vastgesteld tot op de dag van het ontbindingsbesluit. Deze bepaling is ook van toepassing wanneer het vennootschapsvermogen, volgens het toen geldende recht, wordt vereffend zonder dat daartoe door de vennoten een formele beslissing tot ontbinding van de vennootschap werd genomen. In dat geval kan de datum van het ophouden van betalen worden vastgesteld tot op dat tijdstip. 2. Door te oordelen dat voor de toepassing van artikel 12 van de Faillissementswet een formele ontbinding van de vennootschap is vereist en dat een feitelijke toestand van vereffening niet volstaat en op die gronden de eisers, hun vordering om de datum van het ophouden te betalen vast te stellen op meer dan zes maanden voor het vonnis van faillietverklaring af te wijzen, schenden de appelrechters deze wetsbepaling. 3. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van negentien januari tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060119.4 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260113.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940617.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091001.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div