id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060119.5 Rolnummer: C.04.0544.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-11-24 Raadplegingen: 523 - laatst gezien 2026-07-04 06:11 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer een verweerder in kort geding hoger beroep instelt tegen de beschikking waarbij hem een voorlopige maatregel werd opgelegd, moet de appèlrechter geen uitspraak doen over de gevorderde en toegekende maatregel op grond van de ogenschijnlijke rechten van partijen, maar kan hij zich ertoe beperken te oordelen op grond van het spoedeisend karakter van de zaak
(1); hij plaatst zich hierbij op het ogenblik van zijn uitspraak en houdt rekening met wat zich sinds de uitspraak van de beroepen beslissing heeft voorgedaan
(2).
(1)Cass., 9 juni 2000, AR C.97.0198.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000609.6, nr 352.
(2)Het O.M. was van oordeel dat, gelet op het beschikkingsbeginsel en het recht van verdediging, meer bepaald het ogenblik van de sluiting van het debat diende te gelden. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Kort geding Verweerder aan wie een voorlopige maatregel is opgelegd Hoger beroep van de verweerder Devolutieve kracht Beoordeling Omvang Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.584en106 Thesaurus CAS: KORT GEDING Vrije woorden: KORT GEDING Verweerder aan wie een voorlopige maatregel is opgelegd Hoger beroep van de verweerder Devolutieve kracht Beoordeling Omvang Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.584en106 Fiches 3 - 4 Wanneer de appèlrechter van oordeel is dat de zaak niet langer een spoedeisend karakter vertoont, brengt zulks noodzakelijk mee dat de door de eerste rechter bevolen voorlopige maatregel vervalt vanaf de uitspraak in hoger beroep. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Kort geding Voorlopige maatregel Beoordeling Geen spoedeisend karakter Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.584en106 Thesaurus CAS: KORT GEDING Vrije woorden: KORT GEDING Hoger beroep Voorlopige maatregel Beoordeling Geen spoedeisend karakter Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.584en106 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0544.N R.E., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen H.B., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 maart 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 23 tot 27, 584, eerste lid, 1068 en 1280 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren het door eiser tegen de beschikkingen van 20 september 2001 en 29 april 2003 ingestelde hoger beroep ongegrond en verwerpen de vordering van eiser die er enerzijds toe strekte te horen zeggen voor recht dat verweerster vervallen is van haar recht op onderhoudsgelden vanaf 2 maart 1999 en er anderzijds toe strekte nieuwe voorlopige maatregelen te bevelen, op grond van volgende motieven: "I. Het arrest van 5 december 2000: (...) dat de argumentatie van (eiser) gebaseerd is op de draagwijdte van het arrest van deze kamer van het hof (van beroep) van 5 december
- (...) dat (eiser) stelt dat het arrest van 5 december 2000 vaststelt dat, ingevolge het vonnis van 2 maart 1999 waarbij de rechtbank te Hasselt zich bevoegd verklaarde om kennis te nemen van de vordering tot echtscheiding, het hof eveneens vaststelt dat nu de hoogdringendheid is komen te vervallen, de beschikking van 8 oktober 1998 is teniet gedaan en geen rechtsgevolgen meer heeft na 2 maart
- (...) dat het hoger beroep van partijen (hoofdberoep van (eiser) en incidenteel beroep van (verweerster)) ertoe strekte de beschikking van 8 oktober 1998 te horen wijzigen voor wat betreft de onderhoudsgelden en het omgangsrecht. (...) dat het hof (van beroep) in zijn motivering vaststelde dat de voorwaarden van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek niet langer aanwezig zijn. (...) dat het hof (van beroep) in het beschikkend gedeelte als volgt beslist: 'ontvangt het hoger beroep, het incidenteel beroep en de uitbreiding van eis; verklaart ze ongegrond'. (...) dat enkel kan worden vastgesteld dat het hof (van beroep) de vorderingen tot wijziging van het bepaalde in de beschikking van 8 oktober 1998 ongegrond verklaarde maar geenszins besliste omtrent de tijdsduur ervan". Grieven Bij beschikking van 8 oktober 1998 werd eiser door de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, rechtsprekend in kort geding met toepassing van artikel 584, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeeld tot betaling aan verweerster van een persoonlijk maandelijks onderhoudsgeld van 70.000 BEF en van een onderhoudsgeld ten behoeve van de kinderen van 30.000 BEF met ingang van 7 juli
- Eiser stelde hoger beroep in tegen deze beschikking. Bij arrest van 5 december 2000 besliste de derde bis kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen dat de hoogdringendheid, vereist om een uitspraak te doen in kort geding, had opgehouden te bestaan met ingang van 2 maart
- De appelrechters beslisten "dat daaruit voortvloeit dat zowel het hoger beroep als het incidenteel beroep en de uitbreiding van de eis als ongegrond dienen te worden afgewezen". Wanneer een verweerder in kort geding hoger beroep instelt tegen een voorlopige maatregel die hem werd opgelegd, moet de appelrechter over de gevorderde en toegekende maatregel geen uitspraak doen op grond van de ogenschijnlijke rechten van de partijen, maar kan hij zich ertoe beperken te oordelen op grond van het spoedeisend karakter van de zaak (de artikelen 584 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek). De appelrechters, die in hun arrest van 5 december 2000, oordeelden dat de hoogdringendheid had opgehouden te bestaan, dienden dan ook geen uitspraak meer te doen over de gevorderde en door de voorzitter in zijn beschikking van 8 oktober 1998 toegekende voorlopige maatregelen. Hieruit volgt dat het hof van beroep in zijn arrest van 5 december 2000, door het hoger beroep ongegrond te verklaren, na te hebben vastgesteld dat de hoogdringendheid, vereist om een uitspraak te doen in kort geding, had opgehouden te bestaan, enkel vaststelde dat er geen aanleiding meer was om uitspraak te doen over de in kort geding gevorderde en door de voorzitter in eerste aanleg toegekende maatregelen. Voormeld arrest kan echter niet anders gelezen worden dan dat de door verweerster gevorderde voorlopige maatregelen werden afgewezen op grond van het ontbreken van hoogdringendheid. Door te beslissen dat de door de voorzitter bij beschikking van 8 oktober 1998 bevolen maatregelen ook na het arrest van 5 december 2000, dat een hervorming inhield van de beschikking van 8 oktober 1998, hun uitwerking hebben blijven behouden, miskennen de appelrechters in het thans bestreden arrest de devolutieve werking van het hoger beroep (schending van de artikelen 584 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek), geven zij van het arrest van 5 december 2000 van de derde bis kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen een interpretatie die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en schenden zij het gezag van gewijsde van dit arrest (schending van de artikelen 23 tot 27 van het Gerechtelijk Wetboek). Door verder te beslissen dat de door eiser met toepassing van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek gevorderde maatregelen enkel kunnen worden toegekend op voorwaarde dat eiser aantoont dat er na 8 oktober 1998 gewijzigde omstandigheden zijn, hoewel de in de beschikking van 8 oktober 1998 bevolen maatregelen ingevolge het arrest van 5 december 2000 hadden opgehouden uitwerking te hebben, schenden de appelrechters artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, miskennen zij de devolutieve werking van het hoger beroep dat door eiser werd ingesteld tegen de beschikking van 8 oktober 1998 en schenden de zij de bewijskracht en het gezag van gewijsde van voormeld arrest van 5 december 2000 (schending van alle in het middel genoemde bepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat het hoger beroep tegen een eindbeslissing het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep.
- De appelrechter voor wie hoger beroep is ingesteld door een verweerder in kort geding, aan wie een voorlopige maatregel werd opgelegd, moet, door het feit zelf dat hij voorlopige maatregelen moet beoordelen, geen uitspraak doen over de gevorderde en toegekende maatregel op grond van de ogenschijnlijke rechten van partijen, maar kan zich ertoe beperken te oordelen op grond van het spoedeisende karakter van de zaak. De appelrechter plaatst zich hierbij op het ogenblik van zijn uitspraak en houdt rekening met wat zich sinds de uitspraak van de beroepen beslissing heeft voorgedaan.
- Wanneer de appelrechter van oordeel is dat de zaak niet langer een spoedeisend karakter vertoont, brengt zulks noodzakelijk mee dat de door de eerste rechter bevolen voorlopige maatregelen vervallen vanaf de uitspraak in hoger beroep.
- De appelrechter stelt vast dat: - de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt bij beschikking in kort geding van 8 oktober 1998, bij toepassing van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de eiser een aantal voorlopige maatregelen oplegde; - de eiser hoger beroep en de verweerster incidenteel beroep hebben ingesteld tegen die beschikking; - het Hof van Beroep te Antwerpen bij arrest van 5 december 2000 heeft geoordeeld dat de zaak niet langer een spoedeisend karakter vertoont, derhalve de voorwaarden van artikel 584 niet langer aanwezig zijn en daaruit voortvloeit dat het hoger beroep en het incidenteel beroep als ongegrond moeten worden afgewezen; - de eiser en de verweerster thans, in het raam van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, nieuwe dan wel gewijzigde maatregelen vragen, ervan uitgaande dat de bij voormelde beschikking van 8 oktober 1998 bevolen voorlopige maatregelen, ingevolge het arrest van 5 december 2000, zijn vervallen. De appelrechter gaat ervan uit dat, ingevolge het arrest van 5 december 2000, dat "geen uitspraak doet over de tijdsduur" van de bij beschikking van 8 oktober 1998 bevolen maatregelen, deze maatregelen niet zijn vervallen. Het oordeelt op grond hiervan dat elke verder ontwikkelde argumentatie irrelevant is en dat de eiser niet aantoont dat er na de beschikking van 8 oktober 1998 gewijzigde omstandigheden zijn.
- Door aldus het hoger beroep van eiser ongegrond te verklaren, schendt de appelrechter artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
- Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en op de openbare terechtzitting van negentien januari tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060119.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CABRL:2006:ARR.20060929.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090417.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000609.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div