id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060119.6 Rolnummer: D.05.0012.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-11-24 Raadplegingen: 414 - laatst gezien 2026-07-04 01:01 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het enkele feit dat de voorzitter van een tuchtorgaan, die geen deel heeft genomen aan de beslissing om een persoon tuchtrechtelijk te vervolgen, de daaropvolgende brief ondertekent waarbij die persoon louter opgeroepen wordt om op een bepaalde datum voor het tuchtorgaan te verschijnen om zich met betrekking tot bepaalde feiten te komen verantwoorden, kan in zijnen hoofde geen grond tot wraking wegens wettige verdenking opleveren. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: WRAKING Tuchtzaken Wettige verdenking Begrip Oproeping voor een tuchtorgaan Ondertekening door de voorzitter Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.828,1° Tekst van de beslissing Nr. D.05.0012.N D.J., eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ORDE DER DIERENARTSEN, publiekrechtelijk rechtspersoon, met zetel van de Nederlandstalige Gewestelijke Raad te 9280 Merelbeke, Salisburylaan 54, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VAN HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 25 april 2005 gewezen door de Nederlandstalige gemengde raad van beroep van de Orde der dierenartsen. Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2 en 828, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 15 van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der Dierenartsen; - het algemeen rechtsbeginsel houdende de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter. Aangevochten beslissingen De bestreden beslissing: "Verklaart de vordering tot wraking ontvankelijk doch ongegrond". op grond van de motieven: "(Eiser) roept als grond voor de wraking in dat de voorzitter S.M. de aangetekende brief, waarbij hij wordt opgeroepen om op 28 januari 2005 te verschijnen voor de NGROD en waarin de tenlastelegging wordt uiteengezet, heeft ondertekend en daardoor 'zich de betichting heeft eigen gemaakt en impliciet beaamt'. Daardoor ontstaat volgens hem een schijn van partijdigheid. De redenen voor wraking van een rechter worden beperkend opgesomd in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek (12 gevallen). (Eiser) preciseert niet welke van deze wettelijke redenen van toepassing is. De omschrijving die hij geeft van de door hem ingeroepen reden kadert evenmin in een van deze twaalf wettelijke gronden voor wraking. Hij kan niet ernstig voorhouden dat door het ondertekenen van de oproeping de voorzitter 'raad heeft gegeven of geschreven heeft over het geschil' in de betekenis van artikel 828, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek. Van vroegere kennisname van het geschil als rechter is geen sprake. Alsdan zou daarenboven de uitzondering van artikel 828, 9°, 1, van het Gerechtelijk Wetboek toepassing vinden, vermits bij de aanvankelijke behandeling op de raadsvergadering van 25 maart 2004 alleen werd beslist de zaak sine die uit te stellen en het volledig strafrechtelijk dossier op te vragen, zoals opgeworpen door (eiser). Van hoge graad van vijandschap tussen de voorzitter en (eiser) is evenmin enig bewijs (artikel 828, 12°, van het Gerechtelijk Wetboek). Door voorzitter S. wordt terecht opgeworpen dat het ondertekenen van het aangetekend schrijven waar (eiser) wordt opgeroepen om voor de NGROD te verschijnen in zijn hoofde een loutere handeling is omwille van het enkel feit dat hij voorzitter is en de wettelijke verplichting heeft, bevestigd door het reglement van inwendige orde om de oproeping te ondertekenen samen met de secretaris. Hij betwist met reden dat hij zich daardoor de betichting eigen maakt en impliciet beaamt. Dit is inderdaad vanwege (eiser) een loutere bewering die door niets wordt gesteund. Een 'onderzoeksdaad' bestaat niet in de schoot van de NGROD, wel een bureau (artikel 10, wet van 19 december 1950), dat blijkbaar op 20 januari 2004 verslag heeft uitgebracht aan de gewestelijke raad daar op die datum beslist werd (eiser) te dagvaarden. (Eiser) vergist zich dus wanneer hij voorhoudt dat een onderzoeksdaad op 29 april 2004 zou hebben beslist opnieuw te dagvaarden. Zowel op 25 maart 2004 als op 29 april 2004 vergaderde de 'Nederlandstalige Gewestelijke Raad'. Zoals reeds aangehaald werd op 25 maart 2004 beslist: 'Van zodra kennis werd genomen van het volledig dossier zal (eiser) worden herdaagd'. De voorzitter S. heeft derhalve die beslissing namens de NGROD uitgevoerd De NGROD mocht (eiser) oproepen bij aangetekende brief en was geenszins verplicht dit te doen bij exploot van gerechtsdeurwaarder. Uit het ondertekenen van de oproeping door de voorzitter kan tot slot geen schijn van partijdigheid afgeleid worden. Ook deze door (eiser) gemaakte gevolgtrekking vindt nergens steun". Grieven Krachtens artikel 828, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek kan iedere rechter worden gewraakt onder meer wegens wettige verdenking, hetgeen veronderstelt dat de rechter niet in staat is om op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in een zaak of dat hij bij de openbare opinie de gewettigde twijfel wekt aangaande zijn geschiktheid om op die wijze uitspraak te doen. Deze bepaling is ingevolge artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 15, tweede lid, van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der Dierenartsen toepasselijk op de wraking in de tuchtrechtelijke procedure. Voor de gewettigde verdenking de schijn daartoe volstaat, zonder dat deze moet bewezen worden en dit voorschrift wordt met name geschonden wanneer de rechtsonderhorige op objectieve gronden vermag te vrezen dat de rechter die waarborg van onafhankelijkheid en onpartijdigheid niet biedt, waarop hij recht heeft. Dergelijke objectieve gronden zijn voorhanden, wanneer de voorzitter van de Nederlandstalige Gewestelijke Raad van verweerder, de oproeping ondertekent waarbij aan de rechtsonderhorige het ten zijnen laste gelegde tuchtvergrijp wordt meegedeeld en hij opgeroepen wordt zich daaromtrent te verdedigen voor het tuchtcollege waarin de voormelde voorzitter zitting zal nemen. Door voormelde ondertekening maakt de voormelde voorzitter zich schijnbaar op voorhand het gegrond zijn van de betichting eigen en beaamt hij ze impliciet, waardoor hij de gewettigde vrees schept niet met de vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid te kunnen oordelen. Hieruit volgt dat de bestreden beslissing, ondanks de vaststelling dat de voorzitter, de heer S. het aangetekend schrijven van 13 december 2004 ondertekende waarbij eiser opgeroepen werd om te verschijnen op de zitting van 28 januari 2005 van de Nederlandstalige Gewestelijke Raad van de Orde der Dierenartsen, waarin de tenlastelegging wordt uiteengezet voor de voormelde raad en waarin voormelde voorzitter zitting neemt, onwettig beslist dat uit dit ondertekenen van die oproeping geen schijn van partijdigheid afgeleid kan worden, nu die ondertekening bij elke rechtsonderhorige, en ook bij eiser, niet anders kan dan de indruk te wekken dat voormelde voorzitter niet aan de gestelde waarborgen voldoet en derhalve een geval van gewettigde verdenking uitmaakt, in strijd met het onwettig oordeel van de bestreden beslissing dat die grief niet valt onder een van de 12 limitatief opgesomde gevallen van artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek (Schending van de artikelen 2 en 828, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, van het aangehaald algemeen rechtsbeginsel houdende de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter en 15 van de aangehaalde wet van 19 december 1950). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Artikel 828, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere rechter kan worden gewraakt wegens wettige verdenking. Deze bepaling is krachtens artikel 2, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 15, tweede lid, van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen, ook van toepassing op de wraking van leden die zetelen in het raam van een tuchtprocedure. 2. Wettige verdenking veronderstelt dat een lid van het tuchtorgaan niet in staat is op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de zaak of naar buiten toe ernstige twijfel wekt aangaande zijn geschiktheid om op die wijze uitspraak te doen. 3. Het enkele feit dat de voorzitter van een tuchtorgaan, die geen deel heeft genomen aan de beslissing om een dierenarts tuchtrechtelijk te vervolgen, de daaropvolgende brief ondertekent waarbij de dierenarts louter opgeroepen wordt om op een bepaalde datum voor het tuchtorgaan te verschijnen om zich met betrekking tot bepaalde feiten te komen verantwoorden, kan niet tot wettige verdenking aanleiding geven. 4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de gewraakte voorzitter geen deel uitmaakte van de 'onderzoeksraad', die op 22 januari 2004 besliste om de eiser tuchtrechtelijk te vervolgen en de zaak zodoende bij de Nederlandstalige gewestelijke raad van de Orde der dierenartsen aanhangig maakte; - die voorzitter de brief van 13 december 2004 ondertekend heeft, waarbij de eiser ingevolge de voormelde beslissing louter opgeroepen werd om op 28 januari 2005 te verschijnen voor het tuchtorgaan. 5. De bestreden beslissing die oordeelt dat uit deze ondertekening geen schijn van partijdigheid kan worden afgeleid, schendt geen van de aangewezen wettelijke bepalingen en miskent het algemeen beginsel van onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter niet. 6. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van zevenhonderd achtennegentig euro drieëntachtig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en negen euro zevenenzestig cent jegens de verwerende partij Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Greta Bourgeois en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van negentien januari tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060119.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091118.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.