id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060120.3 Rolnummer: F.05.0010.F Kamer: 1F - première chambre Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2006-11-21 Raadplegingen: 689 - laatst gezien 2026-07-04 08:24 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het beroep van de belastingplichtige bij de rechtbank brengt de ontvankelijkheid van het door de administratieve beslissing aangenomen bezwaarschrift niet in het gedrang en legt aan het gerecht uitsluitend de vraag naar de gegrondheid van dat bezwaarschrift voor
(1).
(1)Zie concl. O.M. in Pas., 2006, nr ... Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Vrije woorden: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Bezwaarschrift Administratieve beslissing Ontvankelijk Beroep Rechtbank Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.17,18en Fiche 2 Door een bezwaarschrift tegen een gemeentebelasting dat door de betwiste administratieve beslissing is aangenomen, niet ontvankelijk te verklaren, overschrijden de appelrechters de grenzen waarbinnen de zaak bij hen aanhangig was en miskennen zij het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd
(1).
(1)Zie concl. O.M. in Pas., 2006, nr ... Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Beschikkingsbeginsel Gemeentebelastingen Bezwaarschrift Administratieve beslissing Ontvankelijk Beroep Rechtbank Bevoegdheid Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. Henkes, Cass., 20 jan. 2006, AR F.05.0010.F, Pas., 2006, nr ... Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Vrije woorden: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Bezwaarschrift Administratieve beslissing Ontvankelijk Beroep Rechtbank Bevoegdheid Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Beschikkingsbeginsel Gemeentebelastingen Bezwaarschrift Administratieve beslissing Ontvankelijk Beroep Rechtbank Bevoegdheid Tekst van de beslissing Nr. F.05.0010.F S. R, John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen STAD LUIK. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, dat op 21 januari 2004 is gewezen door het Hof van Beroep te Luik. Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd II. CASSATIEMIDDEL Eiser voert een middel aan: Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd; - de artikelen 17, 18 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 569, eerste lid, 32°, en 1385undecies van genoemd wetboek, die zijn ingevoegd respectievelijk door de artikelen 4 en 9 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken; - de artikelen 9, 10, 11 en 12 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, gewijzigd respectievelijk bij de artikelen 91, 92, 93 en 94 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van de fiscale geschillen; - het artikel 375, ,§1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij artikel 32 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen; - het artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 april 1999 tot bepaling van de procedure voor de gouverneur of voor het college van burgemeester en schepenen inzake bezwaarschrift tegen een provincie- of gemeentebelasting. Aangevochten beslissingen Na te hebben vastgesteld dat het bezwaarschrift van eiser tegen aanslagen voor het aanslagjaar 1999 die te zijnen name zijn ingekohierd krachtens de verordening van verweerster tot invoering van een belasting op gemeubelde verhuurde woningen of lokalen, "naar de bestendige deputatie van de provincie Luik is gezonden terwijl (...) het had moeten worden gezonden naar het college van burgemeester en schepenen van die stad; dat de geadresseerde niettemin dat bezwaarschrift binnen de termijn heeft doorgezonden naar de bevoegde overheid die het ontvankelijk maar niet gegrond verklaard heeft; dat volgens artikel 9 van de wet van 24 december 1996, gewijzigd bij de wet van 15 maart 1999, de belastingplichtige wel degelijk een bezwaarschrift kan indienen bij het college", beslist het arrest, met wijziging van de beslissing van de eerste rechter die het beroep van eiser tegen de beslissing van het college gegrond had verklaard, dat eisers bezwaarschrift niet ontvankelijk was en dat die onregelmatigheid het hof (van beroep) belet uitspraak te doen over de zaak zelf. Het hof van beroep voert voor die beslissing de volgende gronden aan: "Zelfs zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de vraag of artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 april 1999 iets toevoegt aan de wet, moet in casu worden vastgesteld dat (eiser) zijn bezwaarschrift nooit bij het college heeft ingediend. Het bezwaarschrift is bij het college alleen terechtgekomen via de bestendige deputatie die ongetwijfeld gehandeld heeft met de beste bedoelingen, maar in zekere zin over het hoofd heen van de belastingplichtige, zonder dat laatstgenoemde duidelijk de wil te kennen heeft gegeven om zich tot de gemeenteoverheid te wenden. De omstandigheid dat laatstgenoemde uitspraak gedaan heeft over de zaak zelf ontslaat het hof (van beroep) niet van de verplichting de regelmatigheid van het bezwaarschrift na te gaan, aangezien deze aangelegenheid de openbare orde raakt. Weliswaar heeft het Hof van Cassatie op 5 mei 1941 beslist dat 'de directeur der directe belastingen, door over het bezwaarschrift zelf van de belastingplichtige uitspraak te doen, de ontvankelijkheid van dat bezwaarschrift erkend heeft; op het beroep van de belastingplichtige kan het hof van beroep niet beslissen dat het bezwaarschrift te laat is ingediend'; Niettemin was in deze zaak enkel de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift naar de vorm aan de orde, namelijk wat betreft dagtekening, handtekening, alsook de belastingen en de betrokken aanslagjaren, terwijl hier een bevoegdheidsprobleem rijst, daar de geadresseerde niet de wettelijk aangewezen instantie was. Ten tijde van dat arrest werd de directeur tevens beschouwd als een orgaan van de belastingadministratie tegen de beslissing waarvan cassatieberoep uitgesloten was. Thans moet het college eerder worden geacht te handelen als een bestuurlijke overheid die de bezwaarschriften moet selecteren teneinde conflicten te beëindigen vooraleer de zaken bij de rechtbanken aanhangig gemaakt worden. Indien het geschil toch blijft bestaan en de zaak voor de rechtbank komt, zijn dezelfde redenen om de bevoegdheid van de rechter als beperkt te beschouwen in deze aangelegenheid van openbare orde niet meer voorhanden. De gedachtengang die (eiser) baseert op artikel 12 van de wet van 24 december 1996 dat in beginsel verwijst naar het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), kan niet worden gevolgd daar het hier niet gaat over de verwijzing van een bezwaarschrift van een territoriaal onbevoegde directeur naar een andere directeur, aangezien de betrokken instanties (bestendige deputatie en college) niet dezelfde zijn. Het essentiële verschil bestaat hierin dat, hoewel het enerzijds geen twijfel lijdt dat degene die een bezwaar inzake directe belastingen indient, zich kan vergissen in de identiteit van de directeur tot wie hij zich wil wenden, er anderzijds geen enkele reden is om te beslissen dat een persoon die zich tot de bestendige deputatie heeft gewend in een schrijven dat enkel die geadresseerde vermeldt, in casu zijn bezwaarschrift wil indienen bij het college van burgemeester en schepenen. De administratie heeft die nuance zeer goed begrepen. Het Com. IB (nr. 0366/35) dat wordt aangehaald door(eiser) zelf die overigens terecht beklemtoont dat die tekst niet de waarde van wet heeft bepaalt immers dat, wanneer een ander ambtenaar dan een gewestelijk directeur een bezwaarschrift ontvangt, hij dit onmiddellijk aan de belastingplichtige terugstuurt met vermelding van het adres van de bevoegde gewestelijk directeur. De belastingplichtige die zich vergist heeft in de overheid bij wie hij zijn beroep moest instellen, kan aldus zijn vergissing verbeteren; dat is te dezen uitgesloten, aangezien die rechtzetting die niet gebeurd is binnen een en dezelfde administratie, zonder enige tussenkomst of bekrachtiging zijnerzijds heeft plaatsgevonden binnen de wettelijke termijn. In casu kunnen die pragmatische overwegingen de door de wetgever vereiste vormen niet opheffen, daar het hier een aangelegenheid van openbare orde betreft. Bijgevolg moet er worden vastgesteld dat de procedure onregelmatig is, daar (eiser) zich niet wettelijk gewend heeft tot het bevoegde college, maar integendeel aan een onbevoegde overheid gevraagd heeft uitspraak te doen over zijn bezwaarschrift". Grieven Eerste onderdeel Door het bezwaarschrift van eiser tegen de betwiste aanslagen ontvankelijk maar niet gegrond te verklaren heeft het college van burgemeester en schepenen van verweerster het bestaan en de regelmatigheid van dit bezwaarschrift erkend. Het bestaan en de regelmatigheid van het bezwaarschrift konden derhalve tussen de partijen niet meer worden betwist voor het rechtscollege dat uitspraak moest doen over het geschil over de aanslagen waarop het bezwaarschrift betrekking had, aangezien verweerster geen ontvankelijk beroep kon instellen tegen de beslissing van haar college en eiser geen belang erbij had om de beslissing van het college op dat punt te betwisten. Door te beslissen dat tegen de betwiste aanslagen geen enkel bezwaarschrift is ingediend, is het hof van beroep derhalve niet gebleven binnen de perken van het regelmatig aan dat hof voorgelegde geschil en is het zijn bevoegdheid te buiten gegaan (miskenning van het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, en schending van alle bovenaan in het middel aangegeven bepalingen, met uitzondering van artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 12 april 1999). III. BESLISSING VAN HET HOF Eerste onderdeel: Het arrest stelt vast dat de eiser zijn bezwaarschrift tegen de te zijnen name ingekohierde gemeentebelasting had ingediend bij de bestendige deputatie van de provincie Luik in plaats van bij het college van burgemeester en schepenen van de verweerster, en dat de bestendige deputatie dat bezwaarschrift binnen de termijn aan het college had overgezonden. Het college heeft uitspraak gedaan over het bezwaarschrift en het ontvankelijk maar niet gegrond verklaard. Het beroep van de belastingplichtige bij de rechtbank brengt de ontvankelijkheid van het door de administratieve beslissing aangenomen bezwaarschrift niet in het gedrang en legt aan het gerecht uitsluitend de vraag naar de gegrondheid van dat bezwaarschrift voor. Door te beslissen dat "de bezwaarprocedure onregelmatig is gelet op artikel 9 van de wet van 24 december 1996", overschrijdt het hof van beroep de grenzen waarbinnen de zaak aanhangig was, en miskent het hof het in dit onderdeel vermelde algemeen rechtsbeginsel. Het onderdeel is gegrond. De overige grieven: Er is geen grond tot onderzoek van het tweede onderdeel dat niet tot ruimere cassatie kan leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit arrest het hoger beroep ontvankelijk verklaart; Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, afdelingsvoorzitter Philippe Echement, en de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis en Daniel Plas, en in openbare terechtzitting van twintig januari tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem. De griffier, De afdelingsvoorzitter, PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060120.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2016:ARR.20160203.17 ECLI:BE:CALIE:2016:ARR.20160914.10 ECLI:BE:CALIE:2016:ARR.20161130.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170120.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div