id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060123.4 Rolnummer: S.05.0088.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2006-05-15 Raadplegingen: 615 - laatst gezien 2026-07-04 09:14 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Afstand van recht kan slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn. Thesaurus CAS: AFSTAND VAN RECHT Vrije woorden: AFSTAND VAN RECHT Bewijs Fiches 2 - 3 Bij ontstentenis van het verder verrichten van arbeidsprestaties in de door de werkgever éénzijdige gewijzigde voorwaarden die de rechters vaststellen, vermocht het arrest niet af te leiden dat de werknemer afstand had gedaan van zijn recht de éénzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever in te roepen. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Afstand Arbeidsovereenkomst Einde Werknemer Vaststelling van contractbreuk Essentieel bestanddeel Arbeidsprestaties Vrijstelling Afstand van het recht om onrechtmatige beëindiging lastens werkgever in te roepen Onaantastbare beoordeling Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Algemeen Werknemer Vaststelling van contractbreuk door werkgever Afstand van het recht om onrechtmatige beëindiging lastens werkgever in te roepen Onaantastbare beoordeling Tekst van de beslissing Nr. S.05.0088.N V.G., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen JOHNSON CONTROLS INTERNATIONAL, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1831 Diegem, Pegasuspark, De Kleetlaan 3, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 februari 2005 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1134 van het Burgerlijk wetboek; - de artikelen 3, 20, 1°, 32, inzonderheid 3°, en 39, ,§1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; - het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk de afstand van recht slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn. Bestreden beslissing Het Arbeidshof te Antwerpen oordeelt in het bestreden arrest van 9 februari 2005 dat niet verweerster maar eiser de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd door zijn brief van 5 juni 2002 en dat derhalve aan eiser geen opzeggingsvergoeding verschuldigd is evenmin als een pro rata eindejaarspremie. Het arbeidshof verklaart verweersters hoger beroep gegrond en veroordeelt eiser tot de kosten van het hoger beroep. Het arbeidshof stoelt deze beslissing op volgende gronden: "2.1 Opzeggingsvergoeding Om aanspraak te kunnen maken op de betaling van de gevorderde opzeggingsvergoeding is het, overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering, de heer V. die het bewijs moet leveren dat de BVBA eenzijdig en onrechtmatig de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd. Anders dan de eerste rechters is het (arbeids)hof van oordeel dat de heer V. faalt in deze op hem rustende bewijslast. Het (arbeids)hof steunt deze besluitvorming op de volgende overwegingen: De partij die eenzijdig een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst wijzigt, beëindigt die overeenkomst onmiddellijk en op onrechtmatige wijze. (...) Daarbij is niet vereist dat die wijziging de uitdrukking zou zijn van de wil de arbeidsovereenkomst te beëindigen. (...) Het is mogelijk dat deze onmiddellijke beëindiging slechts gevolgen sorteert na verloop van de termijn die de werknemer nodig heeft om stelling te nemen in verband met het eventueel sluiten van een nieuwe overeenkomst. (...) Wordt daarentegen de arbeidsovereenkomst verder uitgevoerd gedurende een langere periode dan nodig om standpunt in te nemen t.a.v. het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst, kan hieruit worden afgeleid dat afstand werd gedaan van het recht zich op de eenzijdige beëindiging te beroepen, zelfs wanneer het verderzetten van de arbeidsrelatie gepaard ging met het formuleren van een voorbehoud. Daarentegen doet de tekortkoming van een partij aan haar, zelfs essentiële verplichtingen, op zichzelf de arbeidsovereenkomst niet eindigen. De tekortkoming van een partij aan haar verplichtingen kan evenwel een aanwijzing of een bewijs zijn van de wil van die partij om de overeenkomst eenzijdig te wijzigen en aldus te beëindigen, indien het om een belangrijke wijziging van een essentieel bestanddeel gaat. Alsdan ligt de oorzaak van de beëindiging niet in de tekortkoming als zodanig, maar in de (wijziging), waarvan deze doet blijken. Uiteraard kan ook in laatstgenoemde hypothese uit de verdere uitvoering van de arbeidsovereenkomst gedurende een langere periode dan nodig om standpunt in te nemen t.a.v. het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst, worden afgeleid dat afstand werd gedaan van het recht zich op de eenzijdige beëindiging te beroepen, zelfs wanneer het verderzetten van de arbeidsrelatie gepaard ging met het formuleren van een voorbehoud. Door de heer V. in april 2001 zijn functie te ontnemen in de sub 1 geschetste omstandigheden en door hem tegelijkertijd op non actief te stellen en te blijven stellen, niettegenstaande diverse ingebrekestellingen, is de BVBA niet alleen tekortgekomen aan haar essentiële contractuele verplichtingen, maar heeft zij tegelijkertijd de wil geuit en doorgevoerd om essentiële bestanddelen van de bestaande arbeidsovereenkomst in belangrijke mate te wijzingen en aldus de bestaande overeenkomst te beëindigen. Dat de heer V. sedert april 2001 niet meer werd vermeld in de organogrammen van de BVBA en geen bedrijfsinformatie meer ontving, zijn elementen die samengaan met en deel uitmaken van de beslissing om hem zijn functie te ontnemen en hem op non actief te plaatsen. Deze elementen worden bij de verdere beoordeling van dit geschil dan ook niet afzonderlijk behandeld. Samen met de BVBA moet het (arbeids)hof vaststellen dat de heer V. niet binnen een redelijke bedenktijd de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de BVBA omwille van de hiervoor vermelde wijzigingen heeft ingeroepen, integendeel. Uit de neergelegde briefwisseling tussen partijen en/of hun raadslieden blijkt immers dat het, zo niet ab initio, dan toch alleszins in september 2001 voor de heer V. duidelijk moet zijn geweest dat de BVBA hem niet in zijn vroegere functie wilde herstellen én dat zij ook geen pogingen (meer) deed, noch wilde doen om hem in een andere functie tewerk te stellen. De heer V. erkent overigens in beroepsconclusies dat hem reeds in mei 2001 werd duidelijk gemaakt dat er voor hem geen plaats meer was binnen de organisatie. Aldus was de heer V. perfect op de hoogte van de draagwijdte van de door de BVBA genomen beslissingen en de weerslag daarvan op zijn eigen situatie en kon hij perfect standpunt innemen met betrekking tot het al dan niet verderzetten van de gewijzigde arbeidsovereenkomst. Dat de heer V. reeds in september 2001 de hoop had laten varen om nog te worden tewerkgesteld in dezelfde of een andere gelijkwaardige functie, wordt overigens bevestigd door de inhoud van de brief van zijn raadsman van 14 september 2001 waarin sprake is van een gegeven opdracht om over te gaan tot dagvaarding in ontbinding van de arbeidsovereenkomst met schadevergoeding, voornemen dat evenwel niet werd uitgevoerd. Samen met de BVBA is het (arbeids)hof van oordeel dat uit het verder verloop van de gebeurtenissen blijkt dat de heer V. heeft afgezien van zijn recht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de BVBA in te roepen omwille van het ontnemen van zijn functie en de vrijstelling van prestaties. Niet alleen is er het bijzonder lange tijdsverloop tussen het tijdstip waarop de wijziging effectief werden doorgevoerd en het tijdstip waarop de heer V. overging tot vaststelling van de beweerde contractbreuk, doch bovendien stelde de heer V. na september 2001 een aantal handelingen, waaruit blijkt dat hij het verderzetten van de arbeidsovereenkomst in de gewijzigde voorwaarden nastreefde. De dagvaardingen die de heer V. respectievelijk op 15 november 2001, 17 januari 2002 en 15 maart 2002 liet betekenen aan de BVBA bevestigen en illustreren immers dat de heer V. deze vorderingen steunde op een nog bestaande arbeidsovereenkomst tussen partijen én dat hij vanwege de BVBA de uitvoering vorderde van de ook voor haar gewijzigde contractuele verbintenissen, inzonderheid de betaling van loon voor periodes dat geen arbeid werd gepresteerd. De heer V. kon in die omstandigheden op 5 juni 2002 het ontnemen van zijn functie en de eenzijdige vrijstelling van prestaties niet meer inroepen als een eenzijdige en onrechtmatige beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst door de BVBA. Zoals aangegeven door de heer V. heeft de BVBA na april 2001 meermaals nagelaten het hem verschuldigde maandloon te betalen. Nog afgezien van de vraag of ook deze tekortkomingen kunnen gezien worden als een bewijs of een aanwijzing van de wil om de arbeidsovereenkomst niet verder uit te voeren, moet opnieuw worden vastgesteld dat de heer V. niet binnen een redelijke bedenktijd de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de BVBA heeft ingeroepen, maar zich ertoe beperkt heeft de uitvoering door de BVBA van haar contractuele verbintenissen na te streven, inzonderheid door de reeds vermelde dagvaardingen in betaling van achterstallig loon. Daarbij dient tevens opgemerkt dat de contractuele tekortkomingen die de BVBA in dit kader onmiskenbaar heeft begaan, werden geregulariseerd door middel van de effectieve betaling van de gevorderde achterstallige lonen in februari en maart 2002 en dat de BVBA de normale loonbetalingen heeft hervat vanaf maart 2002. Nu de BVBA aldus gevolg heeft gegeven aan de ingebrekestellingen van de heer V. kon laatstgenoemde diezelfde contractuele tekortkomingen op 5 juni 2002 niet meer inroepen als de uiting van de wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Gelet op het voorgaande moet noodzakelijk besloten worden dat niet de BVBA maar de heer V. de arbeidsovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd, inzonderheid door zijn brief van 5 juni 2002. Bijgevolg is aan de heer V. geen opzeggingsvergoeding verschuldigd. Het hoger beroep is wat dit punt betreft gegrond. 2.2 Pro rata eindejaarspremie Het staat kennelijk niet ter discussie dat de heer V. geen recht heeft op de gevorderde en door de eerste rechter toegekende pro rata eindejaarspremie in de door het (arbeids)hof aanvaarde hypothese dat hij zelf de arbeidsovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd. Het hoger beroep is bijgevolg ook wat dit punt betreft gegrond". Grieven Luidens artikel 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is de arbeidsovereenkomst voor bedienden de overeenkomst waarbij een werknemer, de bediende, zich verbindt, tegen loon, onder gezag van een werkgever in hoofdzaak hoofdarbeid te verrichten. Het leveren van arbeidsprestaties behoort dienvolgens tot de essentie van de arbeidsovereenkomst. Overeenkomstig artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek strekken alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degenen die deze hebben aangegaan, tot wet (eerste lid), kunnen zij niet worden herroepen dan met hun wederzijdse toestemming of op de gronden door de wet erkend (tweede lid) en moeten zij te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht (derde lid). Artikel 20, 1°, van de genoemde wet van 3 juli 1978 verplicht de werkgever de werknemer te doen arbeiden op de wijze, tijd en plaats zoals is overeengekomen, inzonderheid, zo de omstandigheden dit vereisen en behoudens strijdige bepaling, door de voor de uitvoering van het werk nodige hulp, hulpmiddelen en materialen ter beschikking te stellen. Naar luid van artikel 32, inzonderheid 3°, van de genoemde wet van 3 juli 1978 nemen de verbintenissen voortspruitend uit de door deze wet geregelde overeenkomsten, behoudens de algemene wijzen waarop de verbintenissen tenietgaan, onder meer een einde door de wil van één der partijen, wanneer de overeenkomst voor onbepaalde tijd werd gesloten. Naar luid van artikel 39,,§1, van de genoemde wet van 3 juli 1978 is de partij die een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur beëindigt zonder dringende reden noch naleving van de wettelijk bepaalde opzegtermijn, gehouden de ontslagen partij een opzeggingsvergoeding te betalen. De partij die eenzijdig een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst wijzigt, beëindigt deze overeenkomst onmiddellijk en op onrechtmatige wijze. Aangenomen wordt evenwel dat de voortzetting van de (gewijzigde) arbeidsovereenkomst door de werknemer nadat de werkgever eenzijdig een essentiële arbeidsvoorwaarde heeft gewijzigd, en dit langer dan nodig is om, volgens de omstandigheden eigen aan iedere zaak, redelijkerwijze stelling te kunnen nemen ten aanzien van het eventueel sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst, kan impliceren dat afstand wordt gedaan van het aanvoeren van de aan de werkgever te wijten verbreking. Aldus zal de werknemer na verloop van deze redelijke bedenktijd niet meer gerechtigd zijn zich te beroepen op de onrechtmatige beëindiging van de voorheen bestaande arbeidsovereenkomst, nu hij zal geacht worden in te stemmen met de vervanging van de oude door de nieuwe arbeidsvoorwaarde. De afstand van recht, die luidens een algemeen rechtsbeginsel slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn en die bovendien strikt moet worden geïnterpreteerd, wordt alsdan afgeleid uit de verdere uitvoering van de gewijzigde arbeidsovereenkomst gedurende een periode die langer is dan deze die, gelet op de omstandigheden van de zaak, redelijkerwijze vereist is om met kennis van zaken te oordelen over het eventueel sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Daarentegen beëindigt de tekortkoming van een partij aan een, zelfs essentiële, arbeidsrechtelijke verplichting, op zichzelf de arbeidsovereenkomst niet. Wanneer deze tekortkoming aan een essentiële arbeidsrechtelijke verplichting evenwel gepaard gaat met, of doet blijken van de wil om eenzijdig de overeenkomst te wijzigen en derhalve de bestaande overeenkomst te beëindigen, wordt de overeenkomst eenzijdig en onrechtmatig beëindigd. Het arbeidshof stelde vast in feiten dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.