← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060123.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060123.4 Rolnummer: S.05.0088.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2006-05-15 Raadplegingen: 615 - laatst gezien 2026-07-04 09:14 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Afstand van recht kan slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn. Thesaurus CAS: AFSTAND VAN RECHT Vrije woorden: AFSTAND VAN RECHT Bewijs Fiches 2 - 3 Bij ontstentenis van het verder verrichten van arbeidsprestaties in de door de werkgever éénzijdige gewijzigde voorwaarden die de rechters vaststellen, vermocht het arrest niet af te leiden dat de werknemer afstand had gedaan van zijn recht de éénzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever in te roepen. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Afstand Arbeidsovereenkomst Einde Werknemer Vaststelling van contractbreuk Essentieel bestanddeel Arbeidsprestaties Vrijstelling Afstand van het recht om onrechtmatige beëindiging lastens werkgever in te roepen Onaantastbare beoordeling Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Algemeen Werknemer Vaststelling van contractbreuk door werkgever Afstand van het recht om onrechtmatige beëindiging lastens werkgever in te roepen Onaantastbare beoordeling Tekst van de beslissing Nr. S.05.0088.N V.G., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen JOHNSON CONTROLS INTERNATIONAL, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1831 Diegem, Pegasuspark, De Kleetlaan 3, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 februari 2005 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1134 van het Burgerlijk wetboek; - de artikelen 3, 20, 1°, 32, inzonderheid 3°, en 39, ,§1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; - het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk de afstand van recht slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn. Bestreden beslissing Het Arbeidshof te Antwerpen oordeelt in het bestreden arrest van 9 februari 2005 dat niet verweerster maar eiser de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd door zijn brief van 5 juni 2002 en dat derhalve aan eiser geen opzeggingsvergoeding verschuldigd is evenmin als een pro rata eindejaarspremie. Het arbeidshof verklaart verweersters hoger beroep gegrond en veroordeelt eiser tot de kosten van het hoger beroep. Het arbeidshof stoelt deze beslissing op volgende gronden: "2.1 Opzeggingsvergoeding Om aanspraak te kunnen maken op de betaling van de gevorderde opzeggingsvergoeding is het, overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering, de heer V. die het bewijs moet leveren dat de BVBA eenzijdig en onrechtmatig de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd. Anders dan de eerste rechters is het (arbeids)hof van oordeel dat de heer V. faalt in deze op hem rustende bewijslast. Het (arbeids)hof steunt deze besluitvorming op de volgende overwegingen: De partij die eenzijdig een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst wijzigt, beëindigt die overeenkomst onmiddellijk en op onrechtmatige wijze. (...) Daarbij is niet vereist dat die wijziging de uitdrukking zou zijn van de wil de arbeidsovereenkomst te beëindigen. (...) Het is mogelijk dat deze onmiddellijke beëindiging slechts gevolgen sorteert na verloop van de termijn die de werknemer nodig heeft om stelling te nemen in verband met het eventueel sluiten van een nieuwe overeenkomst. (...) Wordt daarentegen de arbeidsovereenkomst verder uitgevoerd gedurende een langere periode dan nodig om standpunt in te nemen t.a.v. het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst, kan hieruit worden afgeleid dat afstand werd gedaan van het recht zich op de eenzijdige beëindiging te beroepen, zelfs wanneer het verderzetten van de arbeidsrelatie gepaard ging met het formuleren van een voorbehoud. Daarentegen doet de tekortkoming van een partij aan haar, zelfs essentiële verplichtingen, op zichzelf de arbeidsovereenkomst niet eindigen. De tekortkoming van een partij aan haar verplichtingen kan evenwel een aanwijzing of een bewijs zijn van de wil van die partij om de overeenkomst eenzijdig te wijzigen en aldus te beëindigen, indien het om een belangrijke wijziging van een essentieel bestanddeel gaat. Alsdan ligt de oorzaak van de beëindiging niet in de tekortkoming als zodanig, maar in de (wijziging), waarvan deze doet blijken. Uiteraard kan ook in laatstgenoemde hypothese uit de verdere uitvoering van de arbeidsovereenkomst gedurende een langere periode dan nodig om standpunt in te nemen t.a.v. het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst, worden afgeleid dat afstand werd gedaan van het recht zich op de eenzijdige beëindiging te beroepen, zelfs wanneer het verderzetten van de arbeidsrelatie gepaard ging met het formuleren van een voorbehoud. Door de heer V. in april 2001 zijn functie te ontnemen in de sub 1 geschetste omstandigheden en door hem tegelijkertijd op non actief te stellen en te blijven stellen, niettegenstaande diverse ingebrekestellingen, is de BVBA niet alleen tekortgekomen aan haar essentiële contractuele verplichtingen, maar heeft zij tegelijkertijd de wil geuit en doorgevoerd om essentiële bestanddelen van de bestaande arbeidsovereenkomst in belangrijke mate te wijzingen en aldus de bestaande overeenkomst te beëindigen. Dat de heer V. sedert april 2001 niet meer werd vermeld in de organogrammen van de BVBA en geen bedrijfsinformatie meer ontving, zijn elementen die samengaan met en deel uitmaken van de beslissing om hem zijn functie te ontnemen en hem op non actief te plaatsen. Deze elementen worden bij de verdere beoordeling van dit geschil dan ook niet afzonderlijk behandeld. Samen met de BVBA moet het (arbeids)hof vaststellen dat de heer V. niet binnen een redelijke bedenktijd de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de BVBA omwille van de hiervoor vermelde wijzigingen heeft ingeroepen, integendeel. Uit de neergelegde briefwisseling tussen partijen en/of hun raadslieden blijkt immers dat het, zo niet ab initio, dan toch alleszins in september 2001 voor de heer V. duidelijk moet zijn geweest dat de BVBA hem niet in zijn vroegere functie wilde herstellen én dat zij ook geen pogingen (meer) deed, noch wilde doen om hem in een andere functie tewerk te stellen. De heer V. erkent overigens in beroepsconclusies dat hem reeds in mei 2001 werd duidelijk gemaakt dat er voor hem geen plaats meer was binnen de organisatie. Aldus was de heer V. perfect op de hoogte van de draagwijdte van de door de BVBA genomen beslissingen en de weerslag daarvan op zijn eigen situatie en kon hij perfect standpunt innemen met betrekking tot het al dan niet verderzetten van de gewijzigde arbeidsovereenkomst. Dat de heer V. reeds in september 2001 de hoop had laten varen om nog te worden tewerkgesteld in dezelfde of een andere gelijkwaardige functie, wordt overigens bevestigd door de inhoud van de brief van zijn raadsman van 14 september 2001 waarin sprake is van een gegeven opdracht om over te gaan tot dagvaarding in ontbinding van de arbeidsovereenkomst met schadevergoeding, voornemen dat evenwel niet werd uitgevoerd. Samen met de BVBA is het (arbeids)hof van oordeel dat uit het verder verloop van de gebeurtenissen blijkt dat de heer V. heeft afgezien van zijn recht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de BVBA in te roepen omwille van het ontnemen van zijn functie en de vrijstelling van prestaties. Niet alleen is er het bijzonder lange tijdsverloop tussen het tijdstip waarop de wijziging effectief werden doorgevoerd en het tijdstip waarop de heer V. overging tot vaststelling van de beweerde contractbreuk, doch bovendien stelde de heer V. na september 2001 een aantal handelingen, waaruit blijkt dat hij het verderzetten van de arbeidsovereenkomst in de gewijzigde voorwaarden nastreefde. De dagvaardingen die de heer V. respectievelijk op 15 november 2001, 17 januari 2002 en 15 maart 2002 liet betekenen aan de BVBA bevestigen en illustreren immers dat de heer V. deze vorderingen steunde op een nog bestaande arbeidsovereenkomst tussen partijen én dat hij vanwege de BVBA de uitvoering vorderde van de ook voor haar gewijzigde contractuele verbintenissen, inzonderheid de betaling van loon voor periodes dat geen arbeid werd gepresteerd. De heer V. kon in die omstandigheden op 5 juni 2002 het ontnemen van zijn functie en de eenzijdige vrijstelling van prestaties niet meer inroepen als een eenzijdige en onrechtmatige beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst door de BVBA. Zoals aangegeven door de heer V. heeft de BVBA na april 2001 meermaals nagelaten het hem verschuldigde maandloon te betalen. Nog afgezien van de vraag of ook deze tekortkomingen kunnen gezien worden als een bewijs of een aanwijzing van de wil om de arbeidsovereenkomst niet verder uit te voeren, moet opnieuw worden vastgesteld dat de heer V. niet binnen een redelijke bedenktijd de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de BVBA heeft ingeroepen, maar zich ertoe beperkt heeft de uitvoering door de BVBA van haar contractuele verbintenissen na te streven, inzonderheid door de reeds vermelde dagvaardingen in betaling van achterstallig loon. Daarbij dient tevens opgemerkt dat de contractuele tekortkomingen die de BVBA in dit kader onmiskenbaar heeft begaan, werden geregulariseerd door middel van de effectieve betaling van de gevorderde achterstallige lonen in februari en maart 2002 en dat de BVBA de normale loonbetalingen heeft hervat vanaf maart 2002. Nu de BVBA aldus gevolg heeft gegeven aan de ingebrekestellingen van de heer V. kon laatstgenoemde diezelfde contractuele tekortkomingen op 5 juni 2002 niet meer inroepen als de uiting van de wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Gelet op het voorgaande moet noodzakelijk besloten worden dat niet de BVBA maar de heer V. de arbeidsovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd, inzonderheid door zijn brief van 5 juni 2002. Bijgevolg is aan de heer V. geen opzeggingsvergoeding verschuldigd. Het hoger beroep is wat dit punt betreft gegrond. 2.2 Pro rata eindejaarspremie Het staat kennelijk niet ter discussie dat de heer V. geen recht heeft op de gevorderde en door de eerste rechter toegekende pro rata eindejaarspremie in de door het (arbeids)hof aanvaarde hypothese dat hij zelf de arbeidsovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd. Het hoger beroep is bijgevolg ook wat dit punt betreft gegrond". Grieven Luidens artikel 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is de arbeidsovereenkomst voor bedienden de overeenkomst waarbij een werknemer, de bediende, zich verbindt, tegen loon, onder gezag van een werkgever in hoofdzaak hoofdarbeid te verrichten. Het leveren van arbeidsprestaties behoort dienvolgens tot de essentie van de arbeidsovereenkomst. Overeenkomstig artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek strekken alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degenen die deze hebben aangegaan, tot wet (eerste lid), kunnen zij niet worden herroepen dan met hun wederzijdse toestemming of op de gronden door de wet erkend (tweede lid) en moeten zij te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht (derde lid). Artikel 20, 1°, van de genoemde wet van 3 juli 1978 verplicht de werkgever de werknemer te doen arbeiden op de wijze, tijd en plaats zoals is overeengekomen, inzonderheid, zo de omstandigheden dit vereisen en behoudens strijdige bepaling, door de voor de uitvoering van het werk nodige hulp, hulpmiddelen en materialen ter beschikking te stellen. Naar luid van artikel 32, inzonderheid 3°, van de genoemde wet van 3 juli 1978 nemen de verbintenissen voortspruitend uit de door deze wet geregelde overeenkomsten, behoudens de algemene wijzen waarop de verbintenissen tenietgaan, onder meer een einde door de wil van één der partijen, wanneer de overeenkomst voor onbepaalde tijd werd gesloten. Naar luid van artikel 39,,§1, van de genoemde wet van 3 juli 1978 is de partij die een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur beëindigt zonder dringende reden noch naleving van de wettelijk bepaalde opzegtermijn, gehouden de ontslagen partij een opzeggingsvergoeding te betalen. De partij die eenzijdig een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst wijzigt, beëindigt deze overeenkomst onmiddellijk en op onrechtmatige wijze. Aangenomen wordt evenwel dat de voortzetting van de (gewijzigde) arbeidsovereenkomst door de werknemer nadat de werkgever eenzijdig een essentiële arbeidsvoorwaarde heeft gewijzigd, en dit langer dan nodig is om, volgens de omstandigheden eigen aan iedere zaak, redelijkerwijze stelling te kunnen nemen ten aanzien van het eventueel sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst, kan impliceren dat afstand wordt gedaan van het aanvoeren van de aan de werkgever te wijten verbreking. Aldus zal de werknemer na verloop van deze redelijke bedenktijd niet meer gerechtigd zijn zich te beroepen op de onrechtmatige beëindiging van de voorheen bestaande arbeidsovereenkomst, nu hij zal geacht worden in te stemmen met de vervanging van de oude door de nieuwe arbeidsvoorwaarde. De afstand van recht, die luidens een algemeen rechtsbeginsel slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn en die bovendien strikt moet worden geïnterpreteerd, wordt alsdan afgeleid uit de verdere uitvoering van de gewijzigde arbeidsovereenkomst gedurende een periode die langer is dan deze die, gelet op de omstandigheden van de zaak, redelijkerwijze vereist is om met kennis van zaken te oordelen over het eventueel sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Daarentegen beëindigt de tekortkoming van een partij aan een, zelfs essentiële, arbeidsrechtelijke verplichting, op zichzelf de arbeidsovereenkomst niet. Wanneer deze tekortkoming aan een essentiële arbeidsrechtelijke verplichting evenwel gepaard gaat met, of doet blijken van de wil om eenzijdig de overeenkomst te wijzigen en derhalve de bestaande overeenkomst te beëindigen, wordt de overeenkomst eenzijdig en onrechtmatig beëindigd. Het arbeidshof stelde vast in feiten dat

(1)eiser op 1 oktober 1992 met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst trad,
(2)hij achtereenvolgens de functies van "plant manager", "general manager" en "operations director Ford business unit" (directeur operaties Ford bedrijfeenheid) uitoefende,
(3)in februari 2001 verweerster eenzijdig besliste om eiser niet langer tewerk te stellen in de functie van "operations director Ford business unit",
(4)deze beslissing aan het personeel en aan eiser ter kennis werd gebracht op 12 april 2001 en
(5)sedertdien eiser niet meer werd tewerkgesteld, noch in zijn vroegere functie noch in een andere functie. Het arbeidshof oordeelt (arrest p. 8, onderaan), zonder op dit vlak te worden aangevochten, dat door eiser in april 2001, in de genoemde omstandigheden zijn functie te ontnemen en door hem tegelijkertijd op non-actief te stellen en te blijven stellen, niettegenstaande diverse ingebrekestellingen, de vennootschap niet alleen tekortgekomen is aan haar essentiële contractuele verplichtingen maar tegelijkertijd de wil geuit en doorgevoerd heeft om essentiële bestanddelen van de arbeidsovereenkomst in belangrijke mate te wijzigen en (aldus) de bestaande overeenkomst te beëindigen. Aldus aanvaardde het arbeidshof, minstens impliciet, dat verweerster door eiser zijn functie te ontnemen en hem verder op non-actief te stellen, de bestaande arbeidsovereenkomst eenzijdig en onrechtmatig beëindigde. Wanneer een werkgever, zoals te dezen, een werknemer zijn functie ontneemt en hem op non-actief stelt, aldus tekortkomend aan een essentiële arbeidsrechtelijke verplichting, en hierbij doet blijken van de wil om de bestaande arbeidsovereenkomst te wijzigen, kan er, zoals door eiser in conclusie aangevoerd (zie bv. eerste appelconclusie p. 7, zevende alinea) geen sprake zijn van het verderzetten van de (gewijzigde) arbeidsovereenkomst door de werknemer. Wegens zijn op non-actief stellen kan de werknemer geen arbeidsprestaties leveren en kan hij derhalve de gewijzigde arbeidsovereenkomst niet uitvoeren. Het bestaan van een arbeidsovereenkomst, inzonderheid de arbeidsovereenkomst voor bedienden, vereist immers het (onder gezagsverband) leveren van arbeidsprestaties (tegen betaling van loon). Bij afwezigheid van verdere arbeidsprestaties ingevolge een beslissing van de werkgever zelf, kan dienvolgens uit het louter stilzitten van de werknemer, ook al zou dit zich voordoen over een langere tijd dan "een redelijke bedenktijd", geen afstand van het recht om de onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst lastens de werkgever in te roepen, worden afgeleid. Het louter tijdsverloop tijdens hetwelk de werknemer de niet-nakoming van een essentiële arbeidsrechtelijke verbintenis door de werkgever ondergaat, moet immers niet noodzakelijk worden opgevat als een afstand van het recht om zich op deze contractuele tekortkoming en de beëindiging van de overeenkomst die er kan uit worden afgeleid, te beroepen. Hieraan doet geen afbreuk de omstandigheid dat de werknemer in eerste instantie zelf de uitvoering van een andere essentiële arbeidsrechtelijke verbintenis nastreeft, zoals te dezen de betaling van loon. De omstandigheid dat een werknemer op een bepaald ogenblik de uitvoering nastreeft van de tot een arbeidsovereenkomst behorende essentiële verbintenis tot betaling van loon die door de werkgever niet langer werd nagekomen, neemt niet weg dat deze werknemer zich later lastens de werkgever nog kan beroepen op een andere nog steeds voortdurende tekortkoming aan een andere essentiële arbeidsrechtelijke verbintenis, zoals de verplichting tot het verstrekken van het overeengekomen werk. Dienvolgens kon het arbeidshof niet wettig oordelen, uitgaande van de vaststelling dat het voor eiser alleszins in september 2001 duidelijk moest zijn dat de vennootschap hem niet in zijn vroegere functie wilde herstellen én dat zij ook geen pogingen meer deed noch wilde doen om hem in een andere functie tewerk te stellen, dat het lange tijdsverloop vooraleer eiser, in juni 2002, overging tot de vaststelling van de beweerde contractbreuk en de dagvaardingen van 15 november 2001, 17 januari en 15 maart 2002 waarin hij betaling van loon vorderde, hem verhinderden zich op 5 juni 2002 alsnog te beroepen op het ontnemen van zijn functie en de eenzijdige vrijstelling van prestaties, als eenzijdige en onrechtmatige beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst door verweerster. Het arbeidshof schendt aldus alle in het middel aangehaalde wetsbepalingen en algemeen rechtsbeginsel en kon dienvolgens eisers aanspraak op een opzeggingsvergoeding en pro rata eindejaarspremie niet wettig afwijzen en hem tot de kosten in hoger beroep veroordelen (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk wetboek, de artikelen 3, 20, 1°, 32, inzonderheid 3° en 39, ,§1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk de afstand van recht slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  1. Het arrest stelt vast dat: - verweerster vanaf februari 2001 eiser eenzijdig vrijstelde van arbeidsprestaties met doorbetaling van het loon en met de mededeling dat een andere passende functie zal gezocht worden; - sedertdien eiser niet meer werd tewerkgesteld, noch in zijn vroegere functie, noch in een andere functie; - verweerster op 27 maart 2002 aan eiser een aangetekende brief verzond waarin hem medegedeeld werd dat een einde werd gesteld aan zijn arbeidsovereenkomst met inachtneming van een opzeggingstermijn van 19 maanden, ingaande op 1 april 2002; - eiser op 5 juni 2002 de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door verweerster vaststelde.
  2. Het arrest neemt aan dat, wanneer de werkgever eenzijdig de arbeidsvoorwaarden wijzigt die essentiële bestanddelen van de arbeidsovereen-komst uitmaken, de voortzetting van de arbeidsprestaties door de bediende, na het verstrijken van de termijn die vereist is om stelling te nemen ten aanzien van het eventueel sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst aan de gewijzigde arbeidsvoorwaarden, kan impliceren dat afstand wordt gedaan van het inroepen van de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever.
  3. Afstand van recht kan slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn.
  4. Bij ontstentenis van het verder verrichten van arbeidsprestaties door eiser in door de werkgever eenzijdig gewijzigde arbeidsvoorwaarden, vermocht het arrest uit de voormelde vastgestelde feitelijke gegevens niet af te leiden dat eiser afstand heeft gedaan van zijn recht de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door verweerster in te roepen. Uit de voormelde feiten kon even goed afgeleid worden dat het om een verder zetten van de arbeidsovereenkomst ging, maar met een tijdelijke schorsing van de verplichting werk te verschaffen en het werk uit te voeren totdat in het bedrijf een andere passende functie zou zijn gevonden.
  5. Het arrest oordeelt dat het definitief ontnemen aan eiser van enige functie en de eenzijdige vrijstelling van prestaties tijdens de opzeggingstermijn van 19 maanden bij brief van 27 maart 2002 door eiser niet meer kon worden ingeroepen als een eenzijdige en onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door verweerster omdat hij hiervan afstand had gedaan.
  6. Het arrest schendt aldus de in het middel aangewezen wetsbepalingen en het algemeen rechtsbeginsel dat afstand slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn.
  7. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de gevorderde opzeggingsvergoeding, de eindejaarspremie pro rata en de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van drieëntwintig januari tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060123.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CAMON:2015:ARR.20150121.1 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121207.2 ECLI:BE:CTBRL:2012:ARR.20120628.19 ECLI:BE:TTBRL:2008:JUG.20080206.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.