id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060124.5 Rolnummer: P.06.0082.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2006-06-16 Raadplegingen: 634 - laatst gezien 2026-06-18 12:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de bepalingen van artikel 235bis, § 1 en 2 Wetboek van Strafvordering volgt dat het onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling, ambtshalve of op verzoek van één der partijen, onder meer naar aanleiding van een bij haar ingesteld hoger beroep inzake voorlopige hechtenis, in beginsel beperkt blijft tot de stukken van het strafdossier; dit geldt evenzeer voor de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden van observatie en infiltratie. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging - Onderzoek naar aanleiding van hoger beroep inzake voorlopige hechtenis - Artikel 235bis, Wetboek van Strafvordering - Stukken die het voorwerp uitmaken van dit onderzoek - Principe - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Toepassing Fiches 2 - 5 Artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, dat de kamer van inbeschuldigingstelling, op vordering van het openbaar ministerie, alleen tot de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie aan de hand van het vertrouwelijk dossier verplicht bij het afsluiten van het opsporingsonderzoek, alvorens het openbaar ministerie tot rechtstreekse dagvaarding overgaat, en op het ogenblik dat de onderzoeksrechter zijn dossier aan de procureur des Konings overzendt krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, van dit wetboek, is in overeenstemming met artikel 6 E.V.R.M., dat alleen vereist dat op enig ogenblik in de loop van de rechtspleging een onafhankelijke en onpartijdige rechter mede aan de hand van het vertrouwelijke dossier de wettigheid van de observatie of infiltratie zou onderzoeken; uit voormelde verdragsbepaling volgt niet dat dit nazicht moet geschieden telkens wanneer de inverdenkinggestelde daarom verzoekt
(1).
(1)Zie Arbitragehof, arrest nr 202/2004 van 21 dec. 2004, B. 28 en B.
- Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging - Controle van de regelmatigheid van de observatie en infiltratie bij het afsluiten van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek - Controle aan de hand van het vertrouwelijk dossier - Artikel 235ter, Wetboek van Strafvordering - Artikel 6, EVRM - Verzoenbaarheid Kamer van inbeschuldigingstelling - Onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging - Controle van de regelmatigheid van de observatie en infiltratie bij het afsluiten van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek - Controle aan de hand van het vertrouwelijk dossier - Artikel 6, EVRM - Draagwijdte Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Onderzoek in strafzaken - Kamer van inbeschuldigingstelling - Onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging - Controle van de regelmatigheid van de observatie en infiltratie bij het afsluiten van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek - Controle aan de hand van het vertrouwelijk dossier - Artikel 235ter, Wetboek van Strafvordering - Verzoenbaarheid Onderzoek in strafzaken - Kamer van inbeschuldigingstelling - Onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging - Controle van de regelmatigheid van de observatie en infiltratie bij het afsluiten van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek - Controle aan de hand van het vertrouwelijk dossier - Draagwijdte Fiche 6 Het onderzoek bedoeld in artikel 235quater Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve, op verzoek van de onderzoeksrechter of op vordering van het openbaar ministerie, tijdens het gerechtelijk onderzoek mede aan de hand van het vertrouwelijk dossier voorlopig de regelmatigheid van de toegepaste observatie of infiltratie onderzoekt, is een voorlopig onderzoek teneinde eventuele onregelmatigheden vroegtijdig op te sporen, waarbij de andere partijen niet worden betrokken; de kamer van inbeschuldigingstelling is derhalve niet verplicht om dit onderzoek te verrichten op de enkele vordering van de inverdenkinggestelde. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Voorlopig onderzoek van de regelmatigheid van de observatie en infiltratie tijdens het gerechtelijk onderzoek - Controle aan de hand van het vertrouwelijk dossier - Voorlopig onderzoek enkel ambtshalve, op verzoek van de onderzoeksrechter of op verzoek van het openbaar ministerie - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.06.0082.N F F, verdachte, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sven Mary, advocaat bij de balie te Brussel, ter zitting bijgestaan door mr. Nicolas Van Der Smissen, advocaat bij de balie te Brussel, voor mr. Sven Mary. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 12 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, één middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Met verwijzing naar het arrest nr. 202/2004 van 21 december 2004 van het Arbitragehof, dat inzake de bijzondere opsporingsmethode van de observatie de vroegere bepaling van artikel 47septies, ,§ 1, tweede lid, en ,§ 2 Wetboek van Strafvordering, met betrekking tot het vertrouwelijke dossier vernietigt, voert de eiser aan dat de appelrechters niet zonder schending van artikel 6 EVRM alleen aan de hand van stukken uit het strafdossier en zonder de stukken van het vertrouwelijke dossier zelf in te zien, tot een regelmatige uitvoering van de observatie konden besluiten.
- Artikel 235bis, ,§ 1, Wetboek van Strafvordering, bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling bij de regeling van de rechtspleging, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een van de partijen, de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure onderzoekt. Zij kan dit zelfs ambtshalve doen. Overeenkomstig ,§ 2 van voormeld artikel handelt de kamer van inbeschuldigingstelling op dezelfde wijze in de andere gevallen waarin ze kennisneemt van de zaak. Uit deze bepalingen volgt dat het onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling, ambtshalve of op verzoek van een der partijen, onder meer naar aanleiding van een bij haar ingesteld hoger beroep inzake voorlopige hechtenis, in beginsel beperkt blijft tot de stukken van het strafdossier.
- Voor de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode van observatie is het niet anders. Artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, is ingevoegd bij artikel 23 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit. Dit artikel verplicht de kamer van inbeschuldigingstelling, op vordering van het openbaar ministerie, alleen tot controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie aan de hand van het vertrouwelijke dossier bij het afsluiten van het opsporingsonderzoek, alvorens het openbaar ministerie tot rechtstreekse dagvaarding overgaat, en op het ogenblik dat de onderzoeksrechter zijn dossier aan de procureur des Konings overzendt krachtens artikel 127, ,§ 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering.
- Deze bepaling is in overeenstemming met artikel 6 EVRM dat alleen vereist dat op enig ogenblik in de loop van de rechtspleging een onafhankelijke en onpartijdige rechter mede aan de hand van het vertrouwelijke dossier de wettigheid van de observatie zou onderzoeken. Uit voormelde verdragsbepaling volgt niet dat dit nazicht moet geschieden telkens wanneer de verdachte daarom verzoekt.
- Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de kamer van inbeschuldigingstelling, door de door de eiser opgeworpen onregelmatigheid van de uitgevoerde observaties alleen te toetsen aan het strafdossier en niet aan het vertrouwelijke dossier, artikel 235quater Wetboek van Strafvordering heeft geschonden.
- Artikel 235quater Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 24 van de voornoemde wet van 27 december 2005, bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve, op verzoek van de onderzoeksrechter of op vordering van het openbaar ministerie, tijdens het gerechtelijk onderzoek mede aan de hand van het vertrouwelijke dossier voorlopig de regelmatigheid van de toegepaste observatie onderzoekt. Het betreft een voorlopig onderzoek teneinde eventuele onregelmatigheden vroegtijdig op te sporen, en waarbij de andere partijen niet worden betrokken. De kamer van inbeschuldigingstelling is aldus niet verplicht dit onderzoek te verrichten op de enkele vordering van de inverdenkinggestelde.
- Het onderdeel faalt naar recht. Derde onderdeel
- Zoals blijkt uit het antwoord op de vorige onderdelen, hebben de appelrechters, anders dan in het onderdeel wordt gesteld, wettig geoordeeld dat er geen reden was, uitsluitend op verzoek van de verdachte, reeds tijdens het gerechtelijk onderzoek aan de hand van het vertrouwelijke dossier de regelmatigheid van de observatie te onderzoeken, en dat een onderzoek van deze regelmatigheid op grond van het strafdossier met toepassing van de artikelen 136 en 235bis, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering volstond. Bijgevolg hebben de appelrechters even terecht geoordeeld dat zij de prejudiciële vragen, die allen betrekking hebben op het artikel 235quater Wetboek van Strafvordering die zij niet toepassen, niet hoefden te stellen.
- Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
- Het bestreden arrest is verleend in een procedure ter beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis. Krachtens artikel 26, ,§ 3, Bijzondere Wet Arbitragehof, is het Hof in dergelijke zaken niet gehouden de voorgestelde prejudiciële vragen te stellen. Te dezen zijn de uitzonderingen op die regel niet vervuld. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 57,12 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en op de openbare terechtzitting van 24 januari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060124.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110215.8 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121113.1 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130514.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070925.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.12 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div