← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060131.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060131.3 Rolnummer: P.05.1501.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-05-15 Raadplegingen: 803 - laatst gezien 2026-07-04 10:14 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Rechtsgeldig cassatieberoep kan niet worden aangetekend indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om dit rechtsmiddel in te stellen

(1).
(1)Zie Cass., 9 feb. 2000, AR P.99.1495.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000209.17, nr 101; 30 okt. 2002, AR P.02.0975.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021030.6, nr 575. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP CASSATIEBEROEP - ALGEMEEN - CASSATIEBEROEP IN HET BELANG VAN DE WET - Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Algemeen Eiser Belang en hoedanigheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Artt.17en18 Fiches 2 - 3 Behoudens andersluidende bepaling van een bijzondere wet zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake de tussenkomst niet van toepassing op de strafgerechten, aangezien de te volgen rechtspleging bepaald wordt door de aard van het gerecht dat de zaak behandelt en het Wetboek van Strafvordering en de wetten betreffende de strafrechtspleging op limitatieve wijze de personen aanwijzen die als partij voor die gerechten mogen optreden; hieruit volgt dat het optreden van een derde als vrijwillige of gedwongen tussenkomende partij voor het strafgerecht alleen ontvankelijk is op voorwaarde dat een bijzondere wet zulks uitdrukkelijk bepaalt of de strafrechter, krachtens de wet, bij uitzondering gemachtigd is om tegen die derde een veroordeling, een sanctie of een andere maatregel uit te spreken
(1).
(1)Cass., 3 sept. 1998, AR A.94.0001.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9, nr 378; 22 jan. 2003, AR P.03.0081.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030122.18, nr 52. Vrije woorden: TUSSENKOMST Strafzaken Vrijwillige tussenkomst Gerechtelijk Wetboek Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Artt.2,811en Vrije woorden: TUSSENKOMST Strafzaken Vrijwillige of gedwongen tussenkomst Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Artt.2,811en Fiche 4 Behoudens uitzonderingen door de wet bepaald, is krachtens artikel 438 Wetboek van Strafvordering, een tweede cassatieberoep van dezelfde partij tegen dezelfde beslissing onontvankelijk; het volstaat daartoe dat het cassatieberoep, dat tegen dezelfde beslissing is gericht, uitgaat van dezelfde eiser, in dezelfde hoedanigheid en met hetzelfde belang
(1).
(1)Cass., 22 jan. 2003, AR P.03.0047.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030122.15, nr 48; 3 maart 2004, AR P.04.0268.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040303.12, nr 120. Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering Beslissingen waartegen reeds cassatieberoep is ingesteld Tweede cassatieberoep Ontvankelijkheid Voorwaarde Fiche 5 In strafzaken is de vermelding in de memorie van het cassatieberoep waarop de middelen betrekking hebben geen substantiële vormvereiste, waarvan de niet-naleving de onontvankelijkheid van de middelen tot gevolg heeft, op voorwaarde dat deze middelen betrekking hebben op een beslissing die het voorwerp uitmaakt van een ontvankelijk cassatieberoep. Vrije woorden: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Vereiste vermeldingen Meerdere opeenvolgende cassatieberoepen Memorie Vermelding in de memorie van het cassatieberoep waarop de aangevoerde middelen betrekking hebben Middelen die betrekking hebben op een beslissing waartegen een ontvankelijk cassatieberoep werd ingesteld Aard van deze vermelding Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Art.420bis Fiches 6 - 7 De artikelen 793 en volgende Gerechtelijk Wetboek betreffende de rechtspleging inzake uitlegging en verbetering van vonnissen en arresten zijn van toepassing in strafzaken, aangezien het Wetboek van Strafvordering noch enig rechtsbeginsel deze rechtspleging afzonderlijk regelen, zodat artikel 2 Gerechtelijk Wetboek voor die toepassing geen beletsel vormt; de rechter in strafzaken kan aldus wettig, op de vordering van het openbaar ministerie, een klaarblijkelijke verschrijving in, onder meer, een akte van de rechtspleging verbeteren
(1).
(1)Zie Cass., 15 dec. 2004, AR P.04.1590.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041215.11, nr
  1. Vrije woorden: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Allerlei Proces-verbaal van de terechtzitting Klaarblijkelijke verschrijving Vordering tot verbetering Toepasselijke wetsbepalingen VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Allerlei Proces-verbaal van de terechtzitting Klaarblijkelijke verschrijving Vordering tot verbetering Verbetering Wettigheid Tekst van de beslissing Nr. P.05.1501.N I. DEXIA BANK BELGIË nv, met zetel te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, inverdenkinggestelde en burgerlijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie. II. DEXIA BANK BELGIË nv, reeds vermeld, vrijwillig tussengekomen partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie. III. DEXIA BANK BELGIË nv, reeds vermeld, inverdenkinggestelde en burgerlijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie. IV. DEXIA BANK BELGIË nv, reeds vermeld, inverdenkinggestelde, burgerlijke partij en vrijwillig tussengekomen partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep sub I (akte nr. 264 van 25 oktober 2005) is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 oktober 2005, nr.
  2. Het cassatieberoep sub II (akte nr. 266 van 26 oktober 2005) is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 oktober 2005, nr.
  3. Het cassatieberoep sub III (akte nr. 265 van 25 oktober 2005) is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 oktober 2005, nr.
  4. Het cassatieberoep sub IV (akte nr. 267 van 26 oktober 2005) is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 oktober 2005, nr.
  5. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. FEITEN
  6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, volgt dat de procureur-generaal te Gent, op 31 oktober 2002 het Hof van Beroep te Gent, kamer van in-beschuldigingstelling, op grond van artikel 136bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, heeft gevorderd.
  7. Die vordering in het belang "van het goede verloop van het onderzoek", had als voorwerp de aanwijzing van een raadsheer-onderzoeksrechter, in vervanging van de onderzoeksrechter te Ieper, die sedert 22 december 2000 geadieerd was van een onderzoek, gekend onder notitienummer 71.B.98.464.00 bij het parket van de procureur des Konings te Ieper, ten laste van onder meer, Jozef Lernout, Pol Hauspie en anderen, verder genoemd "dossier LHSP".
  8. Het verzoek werd behandeld ter terechtzitting van 19 november
  9. Het proces-verbaal van die terechtzitting vermeldt dat het openbaar ministerie wordt gehoord en stukken neerlegt en dat aanwezig waren voorzitter P. Boudolf en de raadsheren A. Van de Putte en P. Brad.
  10. Bij arrest van 26 november 2002 ontvangt de kamer van inbeschul-digingstelling het verzoek en gaat er in de volgende mate op in: - trekt het onderzoek tot zich; - zegt dat de onderzoeksrechter ontheven wordt; - wijst een raadsheer-onderzoeksrechter aan om het onderzoek verder te zetten; - houdt de beslissing over de kosten aan; - stelt vast dat de rechtspleging zonder debat en met gesloten deuren is verlopen; - waren aanwezig: P. Boudolf, voorzitter en T. Denys en A. Van de Putte, raadsheren.
  11. Op de datum van het vermelde arrest was de eiseres niet bij dat onderzoek betrokken, noch als inverdenkinggestelde, noch als burgerlijke partij en zij was daarin evenmin tussengekomen.
  12. Bij vordering van 26 september 2005 vraagt de procureur-generaal te Gent, op grond van de artikelen 793 en volgende Gerechtelijk Wetboek, de verbetering van het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 november 2002 in zoverre dit, ingevolge een "klaarblijkelijke verschrijving", de samenstelling van de zetel bij de behandeling van de zaak vermeldt als "P. Boudolf, voorzitter, en A. Van de Putte en P. Brad raadsheren", daar waar, volgens de vordering, in werkelijkheid aanwezig waren: "P. Boudolf, voorzitter, en T. Denys en A. Van de Putte, raadsheren".
  13. Ter terechtzitting van de kamer van inbeschuldigingstelling van 11 oktober 2005 waarop het verzoek tot verbetering wordt behandeld, verschijnt de eiseres als vrijwillig tussenkomende partij, als inverdenkinggestelde en als burgerlijke partij. Zij legt in dat verband een conclusie neer.
  14. Het arrest alvorens recht te doen van 11 oktober 2005 (nr. 1496) zegt dat de eiseres belang noch hoedanigheid bezit om vrijwillig tussen te komen en verklaart haar verzoek niet ontvankelijk.
  15. Ten gronde verbetert de kamer van inbeschuldigingstelling, bij arrest van 11 oktober 2005 (nr. 1497), het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 november 2002 zoals gevraagd en zegt voor recht dat de vermelding van de zetelsamenstelling in die akte, dient te worden gelezen als: "P. Boudolf, voorzitter en T. Denys en A. Van de Putte, raadsheren". III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstand
  16. De eiseres doet zonder berusting afstand van haar cassatieberoepen sub II en IV omdat de "bestreden arresten geen voor onmiddellijk cassatieberoep vatbare beslissingen in de zin van artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering inhouden en de cassatieberoepen dienvolgens voorbarig zijn".
  17. De cassatieberoepen sub I en III zijn tegen dezelfde arresten gericht. De afstand, zonder berusting, van die cassatieberoepen wordt dus klaarblijkelijk ook gedaan om dezelfde reden.
  18. De bestreden arresten zijn gewezen op de vordering van het openbaar ministerie tot verbetering van het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 november
  19. Het arrest nr. 1497 is een eindbeslissing. Tegen dat arrest staat onmiddellijk cassatieberoep open. Tegen het arrest alvorens recht te doen nr. 1496 kan tezelfdertijd als tegen het eindarrest nr. 1497 cassatieberoep worden ingesteld.
  20. De afstanden die op een dwaling berusten, kunnen dus niet worden verleend. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen sub II en IV
  21. Rechtsgeldig cassatieberoep kan niet worden aangetekend indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om dit rechtsmiddel in te stellen.
  22. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres op het ogenblik van haar verzoek tot vrijwillige tussenkomst in de rechtspleging tot verbetering, in het strafdossier zowel de hoedanigheid van inverdenkinggestelde als van burgerlijke partij had.
  23. De eiseres stelde cassatieberoep in zowel in haar hoedanigheid van burgerlijke partij en van inverdenkinggestelde, als in haar hoedanigheid van vrijwillig tussenkomende partij.
  24. Behoudens andersluidende bepaling van een bijzondere wet zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake de tussenkomst niet van toepassing op de strafgerechten, aangezien de te volgen rechtspleging bepaald wordt door de aard van het gerecht dat de zaak behandelt en het Wetboek van Strafvordering en de wetten betreffende de strafrechtspleging op limitatieve wijze de personen aanwijzen die als partij voor die gerechten mogen optreden. Hieruit volgt dat het optreden van een derde als vrijwillig tussenkomende partij voor het strafgerecht alleen ontvankelijk is op voorwaarde dat een bijzondere wet zulks uitdrukkelijk bepaalt of de strafrechter, krachtens de wet, bij uitzondering gemachtigd is tegen die derde een veroordeling, een sanctie of een andere maatregel uit te spreken. Dat is hier niet het geval.
  25. Ook waar de eiseres in de verklaringen met betrekking tot de cassatieberoepen sub II en IV de hoedanigheid van vrijwillig tussenkomende partij aanneemt, kan zij, evenwel geen ander belang doen gelden dan het belang dat zij heeft in haar hoedanigheid van hetzij burgerlijke partij, hetzij inverdenkinggestelde. Hieruit volgt dat de door de eiseres aangenomen hoedanigheid van vrijwillig tussenkomende partij samenvalt met haar hoedanigheid van hetzij burgerlijke partij, hetzij inverdenkinggestelde.
  26. De cassatieberoepen die de eiseres op 26 oktober 2005 in haar hoedanigheid van vrijwillig tussenkomende partij heeft ingesteld tegen de arresten nrs. 1496 en 1497 van 11 oktober 2005, kunnen bijgevolg geen andere belangen tot voorwerp hebben dan de cassatieberoepen die zij tegen dezelfde arresten heeft ingesteld in haar hoedanigheid van hetzij burgerlijke partij, hetzij inverdenkinggestelde.
  27. Behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald, is krachtens artikel 438 Wetboek van Strafvordering, een tweede cassatieberoep van dezelfde partij tegen dezelfde beslissing niet ontvankelijk. Het volstaat daartoe dat het cassatieberoep dat tegen dezelfde beslissing gericht is, uitgaat van dezelfde eiser, in dezelfde hoedanigheid en met hetzelfde belang.
  28. Het cassatieberoep sub II dat de eiseres op 26 oktober 2005 heeft ingesteld in haar hoedanigheid van vrijwillig tussenkomende partij tegen het arrest nr. 1496 van 11 oktober 2005, is een tweede cassatieberoep ten aanzien van het cassatieberoep dat de eiseres op 25 oktober 2005 heeft ingesteld tegen hetzelfde arrest in haar hoedanigheid van burgerlijke partij en van inverdenkinggestelde.
  29. Het cassatieberoep sub IV dat de eiseres op 26 oktober 2005 heeft ingesteld in haar hoedanigheid van vrijwillig tussenkomende partij, van burgerlijke partij en van inverdenkinggestelde tegen het arrest nr. 1497 van 11 oktober 2005, is een tweede cassatieberoep ten aanzien van het cassatieberoep dat de eiseres op 25 oktober 2005 heeft ingesteld tegen hetzelfde arrest in haar hoedanigheid van burgerlijke partij en van inverdenkinggestelde.
  30. De cassatieberoepen sub II en IV zijn bijgevolg niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de middelen
  31. Volgens de memorie voert de eiseres de middelen enkel aan "ter staving van de op 26 oktober 2005 door Mr. Jan Kerkhofs loco Mr. Hans Rieder en Mr. René Verstringhe aangetekende cassatieberoepen". Dit zijn de cassatieberoepen sub II en IV.
  32. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is uiteengezet zijn de beide cassatieberoepen waarop de memorie en de middelen betrekking hebben, niet ontvankelijk.
  33. In strafzaken is de vermelding in de memorie van het cassatieberoep waarop de middelen betrekking hebben, geen substantiële vormvereiste waarvan de niet-naleving de niet-ontvankelijkheid van de middelen tot gevolg heeft. Voor de ontvankelijkheid van de middelen is wel vereist dat zij betrekking hebben op de beslissing die het voorwerp uitmaakt van een ontvankelijk cassatieberoep. Bijgevolg kan het Hof, ongeacht de verwijzing in de memorie naar een niet-ontvankelijk cassatieberoep, na weigering van de afstand zonder berusting wegens dwaling over de ontvankelijkheid van een vorig cassatieberoep, de middelen ontvangen die dezelfde, door de beide achtereenvolgende cassatieberoepen bestreden beslissing betreffen. Deze middelen hebben immers, na de weigering van de afstand, betrekking op een regelmatig aangevochten beslissing, zonder dat daaromtrent enige onduidelijkheid blijft voortbestaan.
  34. Gelet op de weigering van de afstand zijn de cassatieberoepen sub I en III ontvankelijk. Bijgevolg worden de middelen geacht betrekking te hebben op de cassatieberoepen van 25 oktober 2005, die dezelfde beslissingen als de niet-ontvankelijke cassatieberoepen van 26 oktober 2005 tot voorwerp hebben. Tweede middel
  35. De artikelen 793 en volgende Gerechtelijk Wetboek betreffende de rechtspleging inzake uitlegging en verbetering van vonnissen en arresten zijn van toepassing in strafzaken. Het Wetboek van Strafvordering noch enig rechtsbeginsel regelen deze rechtspleging afzonderlijk, zodat artikel 2 Gerechtelijk Wetboek voor die toepassing geen beletsel vormt. De rechter in strafzaken kan aldus wettig, op de vordering van het openbaar ministerie, een klaarblijkelijke verschrijving in, onder meer, een akte van de rechtspleging, verbeteren. De rechtspleging tot verbetering van een dergelijke verschrijving heeft geen uitstaans met het authentieke karakter van de te verbeteren akte en doet daaraan geen afbreuk.
  36. Het middel gaat aldus onterecht ervan uit dat het arrest, door op de vordering van het openbaar ministerie een klaarblijkelijke verschrijving in een proces-verbaal van de terechtzitting te verbeteren, "hoe dan ook" de artikelen 2 en 793 tot en met 801 Gerechtelijk Wetboek schendt.
  37. In zoverre faalt het middel naar recht.
  38. Voor het overige beslist de kamer van inbeschuldigingstelling tot de verbetering van een door haar als "klaarblijkelijke verschrijving" beoordeelde vermelding in het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 november 2002, dit op grond dat "uit de uitdrukkelijke vermeldingen van het arrest (van) 26 november 2002 volgt duidelijk dat de kamer van inbeschuldigingstelling de zaak op 19 november 2002 heeft behandeld in de samenstelling, die het arrest (van) 26 november heeft gewezen, onder meer door het horen van het lid van het openbaar ministerie". De kamer van inbeschuldigingstelling neemt ook de redenen van de vordering van het openbaar ministerie over, behoudens de verklaringen die bij die vordering waren gevoegd.
  39. Op grond van die redenen hebben de rechters wettig kunnen oordelen dat de rechters die het arrest van 26 november 2002 hebben gewezen, dezelfde zijn als deze die de zaak hebben behandeld en beoordeeld.
  40. Het arrest beslist aldus wettig tot de verbetering van het proces-verbaal van die terechtzitting van 19 november
  41. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel
  42. Daar uit het antwoord op het tweede middel volgt dat de rechters hoe dan ook wettig hebben geoordeeld over de verbetering van het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 november 2002, kan het eerste middel, ook al was het gegrond, bij gebrek aan belang niet leiden tot cassatie.
  43. Het middel is dan ook niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseres in de kosten van al haar cassatieberoepen. Begroot de kosten op 187, 48 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, en Dirk Debruyne, en op de openbare terechtzitting van 31 januari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060131.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151125.5 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210203.2F.4 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230405.2F.14 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250430.2F.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000209.17 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021030.6 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030122.15 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030122.18 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040303.12 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041215.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.