← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060202.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art.1135

Thesaurus CAS: HUUR VAN DIENSTEN Vrije woorden: HUUR VAN DIENSTEN Aannemer Verplichtingen Wettelijke bepalingen:

Art.1135

Fiche 3 De uitvoeringsagent die door een contractant in zijn plaats wordt gesteld om het contract geheel of gedeeltelijk uit te voeren mag ten aanzien van de uitvoering van het contract en ten overstaan van de medecontractant van de opdrachtgever niet als een derde in de contractuele verhouding worden beschouwd. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen Vrije woorden: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen Uitvoeringsagent Verhouding tot de medecontractant Wettelijke bepalingen:

Art.1135Tekst van de beslissing Nr.

C.04.0527.N D.W. eiser, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Berderodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.W. verweerder, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 12 mei 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1101, 1134, 1135, 1142, 1143, 1144, 1145, 1147, 1148, 1149, 1150, 1151, 1382, 1383, 1779, 1787, 1789, 1797 en 1799 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechter verklaart het hoger beroep van verweerder, dat ertoe strekt om bij hervorming van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 5 april 2000 zijn oorspronkelijke vordering tegen eiser gegrond te horen verklaren en eiser dientengevolge te horen veroordelen tot betaling van de som van 19.010,88 euro als schadevergoeding, meer de vergoedende interesten vanaf 19 februari 1998 en meer de gerechtelijke interesten vanaf 5 januari 1999, gegrond op basis van de volgende overwegingen: "Aangenomen blijft dus, zoals reeds gesteld in het tussenarrest van 18 december 2002, dat (eiser) dient te worden beschouwd als een uitvoeringsagent van Flam Discount. (Eiser) sluit zich verder aan bij het oordeel van het hof, zoals gesteld in voormeld tussenarrest, dat hij in casu buitencontractueel aansprakelijk kan gesteld worden onder de voorwaarden van het 'Stuwadoorsarrest', met name dat hij aansprakelijk kan gesteld worden wanneer hij een fout heeft begaan die een tekortkoming uitmaakt van een algemene zorgvuldigheidsplicht en dat deze fout andere dan aan de slechte uitvoering van het contract te wijten schade heeft veroorzaakt. Volgens (eiser) is dit niet het geval. Volgens hem is de fout die hem wordt verweten van puur contractuele aard, met name een fout ter gelegenheid van de plaatsing van de verwarmingsketel en is de vordering, nu deze gesteund is op een inbreuk op artikel 1382 e.v. B.W., ongegrond, zoals de eerste rechter beoordeelde. Zoals reeds aangehaald, blijkt uit het deskundigenverslag dat de aan (eiser) ten laste gelegde fout bestaat in het feit dat hij de ketel niet geplaatst heeft op een brandvrije sokkel. Welnu, deze fout maakt wel degelijk een tekortkoming uit op de algemene voorzichtigheidsplicht en deze fout heeft overigens een andere dan aan de slechte uitvoering van het contract te wijten schade veroorzaakt. Volgens de offerte van Flam Discount diende (eiser) een K.V.B.G.-gekeurde verwarmingsketel te plaatsen van het merk Vaillant type VK 25, zijnde een gietijzeren hoogrendementsketel met atmosferische gasbrander uit inox, werkend met piëzo-ontsteking en thermo-elektrische waakvlambeveiliging. De ketel diende tevens te worden voorzien van een ingebouwd regelbord met de nodige beveiligingen en te worden geleverd met ingebouwde circulatiepomp met instelbaar debiet. Uit het deskundigenverslag in voorlezing blijft dat de circulatiepomp, die normaal een geheel vormt met de geleverde gasketel, uitgenomen werd en opnieuw gemonteerd werd in de aanvoerleiding naar de warmwaterboiler. De deskundige stelt in dit verband op bladzijde 9 van zijn verslag in voorlezing dat de geplaatste ketel K.V.B.G.-gekeurd is en dat derhalve hieraan geen veiligheidstoestellen mogen worden gewijzigd of uitgebouwd. Door de 3-toerenpomp te hebben uitgebouwd en het pompdraaisysteem te hebben uitgeschakeld, heeft (eiser) volgens de deskundige de normale fabriekswaarborg van de constructeur weggenomen. Waar het uitbouwen van de ingebouwde circulatie- of 3-toerenpomp niet contractueel werd voorzien, beging (eiser) een contractuele fout door dit toch niet te doen. Evenwel blijkt uit het deskundigenverslag dat de loutere afwezigheid van het pompdraaisysteem en van een Thermische Terugslag Beveiliging niet volstond om een brand teweeg te brengen en werd dit als oorzaak van de brand door de deskundige in zijn eindverslag uitgesloten. De brand in kwestie is volgens de deskundige - het weze herhaald - enkel veroorzaakt doordat de ketel niet geplaatst werd op een geïsoleerde sokkel. Zoals reeds aangehaald, was het plaatsen van een dergelijke sokkel niet voorzien in de overeenkomst van (verweerder) met Flam Discount. Door in de woning van (verweerder) een verwarmingsketel zonder brandvrije sokkel rechtstreeks te plaatsen op een houten lattenvloer, heeft (eiser) zijn verplichtingen uit overeenkomst met de BVBA Flam Discount niet miskend (aangezien dit in de overeenkomst met Flam Discount niet was voorzien), doch heeft (eiser) jegens (verweerder) wél zijn algemene zorgvuldigheidsplicht verzuimd, zoals (verweerder) terecht stelt. Uit het deskundigenverslag op bladzijde 5 blijkt dat de ketel in kwestie door (eiser) geplaatst is op de houten vloer van de zolderverdieping van (verweerder), mits tussenplaatsing van een houten plaat van circa 1,5 cm dikte, die werd bedekt met een gestabiliseerde vinyl vloerbedekking. De aanwezigheid van een compacte vinylbekleding onder de ketel was volgens de gerechtsdeskundige echter niet voldoende om brand te voorkomen. Nazicht van de brandattesten van de compacte vinyl vloerbedekking toonde aan dat deze geklasseerd zijn onder klasse A2 materialen die matig bijdragen tot vlamoverslag doch deze klasse 2 enkel toepasselijk is indien het vinyl gekleefd of bevestigd is op een ondergrond van beton of dergelijk onbrandbaar materiaal. Indien dit geplaatst werd op een ondergrond dewelke brandbaar is, heeft dit geen klasse A meer (bladzijde 4 en 5 eindverslag deskundige). Volgens de deskundige diende (eiser) als vakman te weten dat hij de ketel in kwestie op een brandvrije sokkel diende te plaatsen. Hij diende met andere woorden te weten dat, door dit niet te doen, hij een gevaarlijke toestand creëerde voor het doen ontstaan van brand in de woning van (verweerder), wat overigens ook twee jaar later gebeurde. Indien volgens zijn gezegde, (eiser) navraag heeft gedaan bij zijn opdrachtgever, Flam Discount voor een geventileerde sokkel en deze geantwoord zou hebben, dat dit niet voorzien was in de offerte, had hij aldus de gerechtsdeskundige - als installateur en vakman de ketel niet mogen monteren. Door dit wél te doen, minstens door (verweerder) als gebruiker van het pand niet te hebben gewezen op de brandonveilige toestand op de zolderverdieping, heeft (eiser) dan ook een fout begaan - fout welke duidelijk los staat van het contract tussen (verweerder) met Flam Discount, aangezien hierin de plaatsing van een brandvrije sokkel niet was voorzien. Het feit dat de brandverzekeraar van (verweerder) van oordeel was dat dit een contractueel geschil tussen haar verzekerde (verweerder) en Flam Discount betreft (cf. schrijven Argenta van 2 mei 2000 - stuk 18 bundel (verweerder), ontneemt aan (verweerder) niet het recht om een ander standpunt in te nemen en vergoeding te vorderen van (eiser) voor zijn schade op grond van artikel 1382 e.v. B.W. (Eiser) beging een fout bij de rechtstreekse plaatsing van de ketel in kwestie op de houten vloer en handelde aldus niet zoals van een gemiddeld normaal voorzichtig installateur van centrale verwarming mag verwacht worden. Met andere woorden is de brand in kwestie veroorzaakt door een fout, andere dan aan de slechte uitvoering van het contract te wijten. Het verloop van twee jaar tijd tussen de plaatsing van de ketel en het ontstaan van de brand is volgens de gerechtsdeskundige perfect verklaarbaar en is niet van aard om het oorzakelijk verband tussen de afwezigheid van een brandvrije sokkel en het ontstaan van de brand te doorbreken. Daar de brand zich bevond onder de ketel, was het smeulen insgelijks voorheen niet zichtbaar en heeft dit lang geduurd vooraleer het uitgebroken is. Als erkend installateur centrale verwarming wist of moest (eiser) weten dat de stralingswarmte onder het branderbed van de Vaillant ketel type VK 25 in normale omstandigheden kan oplopen tot 17é C en neemt het hout de vorm aan van pyrolyse t.t.z. een scheikundige werking en afbraak, ontleding door blootstelling aan grote hitte en begint langzaam te smeulen of branden zonder vlam met als gevolg een brandlucht en nadien bij voortzetting van de blootstelling aan de grote hitte een werkelijke brand (bladzijde 10 deskundigenverslag in voorlezing). Door de ketel te plaatsen rechtstreeks op de houten vloer van de zolder, heeft (eiser) dan ook een buitencontractuele fout begaan in de zin van artikel 1382 e.v. B.W., zodat hij gehouden is tot vergoeding van de door (verweerder) geleden schade". Grieven De uitvoeringsagent die door een contractant in zijn plaats wordt gesteld om het contract geheel of gedeeltelijk uit te voeren is ten aanzien van de uitvoering van het contract en ten overstaan van de medecontractant van de opdrachtgever geen derde. Hij kan enkel extra-contractueel aansprakelijk worden gesteld indien de hem verweten fout de schending uitmaakt, niet van de contractueel aangegane verbintenis doch van algemene zorgvuldigheidsplicht die voor eenieder geldt en indien die fout een andere dan uit louter uit de gebrekkige uitvoering van het contract ontstane schade heeft veroorzaakt. Luidens artikel 1135 van het Burgerlijk Wetboek verbinden overeenkomsten niet alleen tot hetgeen daarin uitdrukkelijk bepaald is, maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend. Daaruit volgt dat de aannemer niet enkel gehouden is tot hetgeen uitdrukkelijk in de overeenkomst met de opdrachtgever is bedongen, maar ook tot de uitvoering van de opdracht volgens de regels van de kunst. Na te hebben vastgesteld dat eiser dient te worden beschouwd worden als de uitvoeringsagent van de medecontractant van verweerder, met name Flam Discount en hij aldus volgens de offerte een K.V.B.G.-gekeurde verwarmingsketel diende te plaatsen, beslist de appelrechter dat eiser blijkens de vaststellingen van de deskundige een fout heeft begaan welke bestaat uit het rechtstreeks plaatsen van de ketel op de houten vloer van de zolder in plaats van op een brandvrije sokkel en dat eiser minstens verweerder had moeten wijzen op de brandonveilige toestand op de zolderverdieping. Met deze vaststellingen en overwegingen oordeelt de appelrechter in wezen dat eiser, als vakman, de hem toevertrouwde opdracht niet overeenkomstig de regels van de kunst heeft uitgevoerd. Uit deze overwegingen kon de appèlrechter derhalve niet naar recht afleiden dat de fout van eiser los staat van het contract tussen verweerder en Flam Discount op grond van de enkele vaststelling dat de plaatsing van een brandvrije sokkel niet uitdrukkelijk in de overeenkomst was voorzien. Door op deze enkele grond te oordelen dat eiser een fout heeft begaan die een tekortkoming op de algemene voorzichtigheidsplicht uitmaakt en eiser op extra-contractuele grondslag jegens verweerder tot schadeloosstelling te veroordelen, schendt het arrest derhalve de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek, de wettelijke bepalingen betreffende de contractuele aansprakelijkheid (schending van de artikelen 1101, 1134, 1142 tot 1145, 1147 tot 1151 van het Burgerlijk Wetboek), inzonderheid in zoverre zij toepassing vinden op aannemers jegens hun opdrachtgevers (schending van de artikelen 1779, 1787, 1789, 1797 en 1799 van het Burgerlijk Wetboek) en de wettelijke bepalingen betreffende buitencontractuele aansprakelijkheid (schending van de artikelen 1382 en 1383 van hetzelfde wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechter verklaart het hoger beroep van verweerder, dat ertoe strekt om bij hervorming van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 5 april 2000 zijn oorspronkelijke vordering tegen eiser gegrond te horen verklaren en eiser dienvolgens te horen veroordelen tot betaling van 19.010,88 euro als schadevergoeding, meer de vergoedende interesten vanaf 19 februari 1998 en de gerechtelijke interesten vanaf 5 januari 1999, gegrond op basis van de volgende overwegingen: "(Verweerder) kan in het kader van artikel 1382 e.v. B.W. aanspraak maken op integrale vergoeding van het geheel van zijn schade. (Verweerder) vordert een vergoeding van 11.930,60 euro, zijnde het bedrag, zoals begroot door de deskundige in zijn eindverslag (6.860 euro + 3.000 euro), verhoogd met de BTW. De schadebegroting door de gerechtsdeskundige wordt ten onrechte betwist door (eiser). De argumenten die (eiser) thans aanvoert zijn dezelfde als de opmerkingen die hij ten aanzien van de deskundige heeft gemaakt op diens verslag in voorlezing en waarop de deskundige op gemotiveerde en correcte wijze heeft geantwoord in zijn eindverslag op bladzijde 2, 3 en

  1. Het hof verwijst dan ook maar deze antwoorden van de deskundige ter beantwoording van de thans in conclusies herhaalde opmerkingen op het deskundigenverslag". Grieven Eerste onderdeel De feitenrechter dient op straffe van schending van de motiveringsverplichting ex artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet te antwoorden op een nauwkeurig en regelmatig bij conclusie voorgedragen verweer. Wanneer een partij bijgevolg in haar conclusie bepaalde grieven tegen de inhoud van een deskundigenverslag aanvoert, behoort de feitenrechter dergelijk verweer te beantwoorden en de specifieke gronden op te geven op basis waarvan het hij het omstandig verweer van de betrokken partij afwijst, dan wel aanvaardt. Eiser formuleerde in zijn conclusies na expertise een aantal bijkomende opmerkingen bij de inhoud van het deskundig eindverslag ter aanvulling van tijdens de expertise reeds geformuleerde opmerkingen, alsook geheel nieuwe kritieken op de inhoud van het onderzoek, welke tijdens de expertise niet aan de beoordeling van de deskundige waren voorgelegd. Eiser uitte in het kader van zijn conclusies na deskundig verslag achtereenvolgens kritiek op de door de deskundige op bladzijde 5 van het eindverslag becijferde schadevergoeding van 372 euro voor de duur van het herstel van de verwarmingsketel, (bladzijde 7 conclusie na deskundig verslag van eiser en bladzijde 7 syntheseconclusie na deskundig verslag van eiser), de begrote vergoeding van 2.500 euro voor schade door bluswater (bladzijde 7-8 syntheseconclusie na deskundig verslag van eiser) en de vergoeding voor genotsderving (bladzijde 8 syntheseconclusie na deskundig verslag van eiser). Eiser herhaalde in zijn conclusies na deskundig verslag tevens een aantal opmerkingen welke reeds tijdens het deskundigenonderzoek werden geformuleerd, maar toen niet werden beantwoord door de deskundige. De deskundige nummerde op de bladzijden 1 en 2 van zijn eindverslag de opmerkingen van eiser bij het verslag in voorlezing, waaronder tevens de door eiser gevraagde toelichting bij de geraamde vergoeding van 372 euro per maand dat het pand onbewoonbaar was en het oordeel van de deskundige dat het pand gedurende 8 maanden onbewoonbaar was (punt 2.6, bladzijde 2 deskundig eindverslag). De deskundige besprak in een volgend onderdeel van zijn eindverslag de afzonderlijke opmerkingen van eiser, met uitzondering van deze sub punt 2.6 samengevatte bemerking van eiser. Eiser uitte in zijn conclusies na expertise kritiek op het niet-beantwoorden van deze opmerkingen door de deskundige en formuleerde tevens aanvullende opmerkingen bij deze schadepost uit het deskundig eindverslag (bladzijde 6 conclusie na deskundig verslag van eiser en bladzijde 7 syntheseconclusie na deskundig verslag van eiser). Na te hebben geoordeeld dat alle argumenten van eiser met betrekking tot de schadebegroting reeds op gemotiveerde en correcte wijze door de deskundige werden beantwoord op de bladzijden 2, 3 en 4 van het eindverslag, beperkt de appelrechter zich tot de verwijzing naar en overname van deze antwoorden op de bladzijden 2, 3 en 4 van het eindverslag ter beantwoording van de in de conclusies van eiser aangevoerde opmerkingen op de schadebegroting door de deskundige. De hierboven toegelichte en door eiser in zijn conclusies aangevoerde opmerkingen bij schadebegroting werden evenwel niet beantwoord door de deskundige, hetzij omdat zij pas in het kader van de conclusies na deskundig verslag van eiser voor het eerst werden geformuleerd, hetzij omdat de deskundige verzuimd had zulks te doen. De appelrechter beantwoordt dit regelmatig bij conclusie voorgedragen verweer van eiser inzake de schadebegroting door de deskundige dan ook niet door de loutere verwijzing naar en overname van de antwoorden van de deskundige op de bladzijden 2, 3 en 4 van het deskundig eindverslag en motiveert daardoor zijn beslissing tot veroordeling van eiser tot betaling van een schadevergoeding aan verweerder van 19.010,88 euro, meer de vergoedende en de gerechtelijke interesten, niet regelmatig (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede onderdeel De rechter miskent de bewijskracht van een geschrift indien hij daarvan een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is. De appelrechter besluit in het bestreden arrest dat de argumenten inzake de schadebegroting door de deskundige welke eiser in zijn conclusie na expertise aanvoerde, dezelfde zijn als deze welke hij reeds aan de deskundige had overgemaakt in antwoord op diens verslag in voorlezing en dat deze opmerkingen door de deskundige tevens op gemotiveerde en correcte wijze werden beantwoord in het eindverslag. Uit het eerste onderdeel van het tweede middel volgt dat eiser in zijn conclusies na expertise een aantal opmerkingen op het deskundigenonderzoek welke de deskundige ten onrechte niet had beantwoord, herhaalde en bovendien een aantal bijkomende opmerkingen en geheel nieuwe argumenten inzake de schadebegroting formuleerde welke tijdens de expertise niet aan de deskundige werden voorgelegd. De appelrechter kon uit de conclusies na deskundig verslag van eiser alsook uit de beide deskundigenverslagen niet naar recht afleiden dat de door eiser bij conclusies aangevoerde argumenten inzake de schadebegroting dezelfde zijn als de opmerkingen welke eiser aan de deskundige had overgemaakt en de deskundige deze opmerkingen op correcte en gemotiveerde wijze had beantwoord, nu deze conclusies tevens een omstandig verweer bevatten welke eiser niet aan de beoordeling van de deskundige had voorgelegd en uit de samenlezing van het deskundig eindverslag en de conclusies na deskundigenverslag van eiser blijkt dat de deskundige de opmerkingen van eiser bij het deskundig voorverslag deels onbeantwoord liet. Het arrest schendt hierdoor de bewijskracht van zowel de conclusies na deskundig verslag van eiser als het deskundig voor- en eindverslag (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Krachtens artikel 1135 van het Burgerlijk Wetboek verbinden de overeenkomsten niet alleen tot hetgeen daarin uitdrukkelijk is bepaald, maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend.
  3. Hieruit volgt dat de aannemer niet alleen gehouden is tot hetgeen uitdrukkelijk in de overeenkomst met de opdrachtgever is bedongen, maar ook tot de uitvoering van de opdracht volgens de regels van de kunst.
  4. De uitvoeringsagent die door een contractant in zijn plaats wordt gesteld om het contract geheel of gedeeltelijk uit te voeren mag ten aanzien van de uitvoering van het contract en ten overstaan van de medecontractant van de opdrachtgever niet als een derde in die contractuele verhouding worden beschouwd.
  5. Het arrest stelt vast dat: - eiser, als uitvoeringsagent van Flam Discount bij wie verweerder de levering en plaatsing van een verwarmingsinstallatie had besteld, in de woning van verweerder een verwarmingsketel op een houten vloer heeft geplaatst zonder brandvrije sokkel; - het niet monteren van de ketel op een brandvrije sokkel de oorzaak was van de brand in de woning van verweerder; - volgens de deskundige eiser als vakman diende te weten dat hij de ketel op een brandvrije sokkel diende te plaatsen, zelfs al was dit niet voorzien in de offerte, en hij als installateur en vakman de ketel niet had mogen monteren.
  6. Het arrest veroordeelt vervolgens eiser op grond van artikel 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek tot het betalen van schadevergoeding op grond dat eiser, door de brandketel in de gegeven omstandigheden te plaatsen, minstens door verweerder als gebruiker van het pand niet te hebben gewezen op de brandonveilige toestand op de zolderverdieping, uitsluitend een tekortkoming heeft begaan op de algemene zorgvuldigheidsplicht, zijnde een fout welke duidelijk los staat van het contract tussen verweerder en Flam Discount, aangezien hierin de plaatsing van een sokkel niet was voorzien.
  7. Het arrest schendt aldus de artikelen 1135, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.
  8. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Jean-Pierre Frère en Ghislain Londers, en op de openbare terechtzitting van 2 februari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060202.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.