id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060202.5 Rolnummer: C.04.0529.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-06-01 Raadplegingen: 598 - laatst gezien 2026-07-04 08:55 Versie(s): Vertaling FR Fiche De regel dat de aansprakelijkheidsvordering tegen de aannemer en de architect binnen de tienjarige termijn kan worden ingesteld, ingeval een gebouw geheel of gedeeltelijk tenietgaat door een gebrek in de bouw, zelfs door de ongeschiktheid van de grond, geldt ook wanneer dergelijk gebrek verborgen is
(1), zonder dat dan vereist is dat de vordering tevens binnen een redelijke termijn wordt ingesteld.
(1)Cass., 4 april 2003, AR C.02.0206.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030404.14, nr
- Thesaurus CAS: HUUR VAN DIENSTEN Vrije woorden: HUUR VAN DIENSTEN Aannemingsovereenkomst Aansprakelijkheid Verborgen gebrek Vordering Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.1792en22 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0529.N ALGEMEEN AFWERKINGSBEDRIJF CONINGS, met zetel te 3630 Maasmechtelen, Breitwaterstraat 6, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen APOTEEK MERTENS, naamloze vennootschap, met zetel te 3600 Genk, Zaveldriesstraat 14, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 oktober 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1134, derde lid, 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek. - het algemeen rechtsbeginsel van de goede trouw. Aangevochten beslissingen De vijfde ter kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen verklaart in het bestreden arrest van 10 oktober 2003 verweersters hoger beroep gegrond, vernietigt het aangevochten vonnis en, opnieuw rechtdoende, verklaart verweersters vordering tijdig ingesteld en dienvolgens ontvankelijk en veroordeelt eiseres tot betaling aan verweerster van het bedrag van 3.347,78 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf 2 juni 1999 tot de datum van de algehele betaling, wegens slecht uitgevoerde werken. Tevens veroordeelt het hof van beroep eiseres tot de kosten van beide aanleggen. Het hof van beroep grondt deze beslissing op de volgende motieven: "In november 1990 worden er werken, namelijk gevelbepleistering, uitgevoerd aan een huis, toebehorend aan (verweerster) door (eiseres). Daarvoor is een bedrag van 541.250 BEF gefactureerd op 16 januari 1991, en ook betaald. Begin februari 1995 diende (verweerster) vast te stellen dat er zich scheurtjes voordeden in die buitenbepleistering, (...), wat er uiteindelijk toe heeft geleid dat een provisionele schadevergoeding werd gevorderd van 550.000 BEF, in een dagvaarding van 2 juni
- Die dagvaarding volgde dus meer dan vier jaar na het vaststellen van de gebreken in kwestie; (verweerster) had reeds in februari 1995 (eiseres) van de gebreken in kwestie op de hoogte gebracht, waarop was gereageerd met de belofte dat een technicus van de firma Knauf ter plaatse zou komen; wanneer na enkele maanden daaraan werd herinnerd bleek dat niet Knauf de producten in kwestie had geleverd, maar wel Cantilana, en op initiatief van Cantilana en (eiseres) werd een onderzoek gedaan door het WTCB, dat verslag opstelde op 31 januari
- Op basis van dat verslag wijst (eiseres) alle verantwoordelijkheid voor de vastgestelde gebreken af. Op 31 december 1998 brengt (verweerster) de zaak terug in herinnering en verzoekt zij (eiseres) om voorstellen te doen tot herstelling, waarop in januari 1999 door (eiseres) wordt gereageerd met een afwijzing van verantwoordelijkheid, waarbij er ook op wordt gewezen dat er intussen reeds meer dan drie jaar was verstreken sinds het vaststellen van de gebreken, maar waarbij ook, met voorbehoud van alle rechten, wordt medegedeeld dat men nog altijd wil meewerken aan een aangepaste oplossing. Uiteindelijk wordt dan gedagvaard op 2 juni 1999, en bij tussenvonnis van 12 juli 1999 wordt dhr. V.als deskundige aangesteld; deze deskundige komt in zijn verslag tot de bevinding dat (eiseres) verantwoordelijk kan worden gesteld voor schade ten bedrage van 135.049 BEF plus BTW op 120.049 BEF welke afrekening door (verweerster) wordt aanvaard, die haar vordering tot dat bedrag beperkt. In het bestreden vonnis overweegt de eerste rechter dat de termijn van meer dan drie jaar die (verweerster) had laten verstrijken tussen de mededeling van (eiseres) dat zij op basis van het WTCB in januari 1996 geen verantwoordelijkheid kon dragen, en de dagvaarding, dermate lang was dat zulke termijn 'niet meer als redelijk kan worden aanzien tussen twee handelaars'. De oorspronkelijke vordering van (verweerster) vindt echter haar oorsprong in werken uitgevoerd op grond van een aannemingsovereenkomst, zodat art. 1648 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is, ook niet bij analogie; bij toepassing van artikel 2270 van het Burgerlijk Wetboek zijn aannemers immers slechts ontslagen van hun aansprakelijkheid met betrekking tot de door hen uitgevoerde werken, ook wat de verborgen gebreken betreft, na verloop van een termijn van tien jaar; dat is een vervaltermijn die niet voor inkorting vatbaar is. De vordering is dan ook tijdig ingesteld, en dus ontvankelijk". Grieven Artikel 1792 van het Burgerlijk Wetboek stelt aannemers en architecten gedurende tien jaar aansprakelijk voor het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een gebouw wegens een gebrek in de bouw. Luidens artikel 2270 van hetzelfde wetboek zijn architecten en aannemers ontslagen van hun aansprakelijkheid met betrekking tot de grote werken die zij hebben uitgevoerd of geleid na het verloop van tien jaren. Aldus geldt een vervaltermijn binnen dewelke aannemers en architecten kunnen worden aangesproken voor de door de wet bedoelde gebreken in de bouwwerken. Luidens artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek moeten wettig aangegane overeenkomsten te goeder trouw worden uitgevoerd. De goede trouw vereist dat de vordering in schadevergoeding wegens gebreken in een bouwwerk wordt gesteld binnen een redelijke termijn nadat deze gebreken aan het licht zijn gekomen, onverminderd de gelding van bovengenoemde vervaltermijn van tien jaar. Eiseres voerde in haar beroepsconclusies aan dat verweersters vordering laattijdig en dienvolgens niet ontvankelijk was, nu verweerster haar vordering niet binnen een redelijke termijn had ingesteld. Eiseres ondersteunde haar verweer in concreto door te stellen dat reeds begin 1996 bleek dat een minnelijke schikking uitgesloten was en dat er meer dan drie jaar geen briefwisseling tussen partijen werd gevoerd. Het hof van beroep oordeelde dat de vordering van verweerster haar oorsprong vond in een aannemingsovereenkomst, zodat artikel 1648 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing was, ook niet bij analogie. Vervolgens stelde het hof dat bij toepassing van artikel 2270 van het Burgerlijk Wetboek de vordering tijdig werd ingesteld aangezien aannemers slechts ontslagen zijn van hun aansprakelijkheid voor de door hen uitgevoerde werken na verloop van een vervaltermijn van tien jaar. Waar kan worden aangenomen dat artikel 1648 van het Burgerlijk Wetboek dat inzake koop bepaalt dat de rechtsvordering op grond van koopvernietigende gebreken "binnen een korte tijd" moet worden ingesteld, niet van toepassing is op aannemingsovereenkomsten, komt het in dergelijke gevallen de rechter evenwel toe om in feite te oordelen of de vordering op grond van verborgen gebreken tijdig is ingesteld. Dergelijke vordering is tijdig ingesteld wanneer dit binnen een redelijke termijn na de ontdekking van het verborgen gebrek is geschied. Bij toepassing van het principe van de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten, kan van de opdrachtgever worden vereist dat hij geen gedrag aan de dag legt dat volledig zou indruisen tegen zijn bedoeling een vordering tegen de aannemer in te stellen. De rechter is bijgevolg bevoegd om na te gaan of de opdrachtgever de gebreken heeft aanvaard, en zoniet, of hij, gelet op de omstandigheden van de zaak, zijn vordering in schadevergoeding binnen een redelijke termijn heeft ingesteld. Het louter toepassen van de algemene garantietermijn van tien jaar, neergelegd in de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek, om de termijn te bepalen waarin de rechtsvordering kan worden ingesteld, volstaat dienvolgens niet. Het hof van beroep heeft derhalve in het bestreden arrest zijn beslissing betreffende de ontvankelijkheid van de vordering niet wettig verantwoord door eenvoudigweg toepassing te maken van de in artikel 2270 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde termijn van tien jaar en op grond hiervan te besluiten tot de "tijdigheid" van door verweerster ingestelde vordering. Het hof van beroep diende in feite vast te stellen dat de vordering door verweerster tijdig, dat wil zeggen binnen een redelijke termijn, was ingesteld, doch liet na dit te doen. Het hof van beroep paste louter de waarborgtermijn van artikel 2270 van het Burgerlijk Wetboek toe, waarvan partijen niet betwistten dat die nog niet verstreken was. Het hof van beroep kon dienvolgens op grond van de in het middel aangehaalde overwegingen niet wettig beslissen dat verweersters vordering tijdig was ingesteld (schending van de artikelen 1134, derde lid, 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van de goede trouw). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 1792 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat, indien een gebouw dat tegen vaste prijs is opgericht, geheel of gedeeltelijk teniet gaat door een gebrek in de bouw, zelfs door de ongeschiktheid van de grond, de architect en de aannemer daarvoor aansprakelijk zijn gedurende tien jaren. Artikel 2270 van hetzelfde wetboek bepaalt dat na verloop van tien jaren de architecten en aannemers ontslagen zijn van hun aansprakelijkheid met betrekking tot de grote werken die zij hebben uitgevoerd of geleid.
- Krachtens die bepalingen kan de vordering tegen de aannemer en de architect binnen de tienjarige termijn worden ingesteld in geval een gebouw geheel of gedeeltelijk tenietgaat door een gebrek in de bouw, zelfs door de ongeschiktheid van de grond. Die regel geldt ook wanneer dergelijk gebrek verborgen is. In dat geval is niet vereist dat de vordering tevens binnen een redelijke termijn wordt ingesteld.
- Het middel gaat ervan uit dat de vordering op grond van de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek, wanneer het gebrek verborgen is, "onverminderd de gelding van bovengenoemde vervaltermijn van tien jaar", moet worden ingesteld binnen een redelijke termijn.
- Het middel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 502,94 euro jegens de eisende partij en op de som van 121,23 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Greta Bourgeois, Jean-Pierre Frère en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van 2 februari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060202.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220210.1N.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030404.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div