← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060202.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art.24

,eerste Fiche 2 Artikel 13, derde lid van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening bepaalt slechts ten laste van wie de kosten zijn, wanneer de Staat, de provinciën of de gemeenten hun recht tot verwijzing van de leidingen en tot uitvoering van de werken die daarmee verband houden uitoefenen, zodat het niet betalen van de kosten van de verplaatsing geen strafrechtelijk gesanctioneerde "overtreding van de wet" uitmaakt

(1).
(1)Cass., 27 mei 2002, AR C.00.0378.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020527.5, nr 319, met concl. A.-G. DE RAEVE. Thesaurus CAS: ENERGIE Vrije woorden: ENERGIE Elektrische energie Elektriciteitsleidingen Verplaatsing Kostenregeling Beheerder openbaar domein Vergunninghouder Betaling van de kosten tot het verplaatsen Weigering Miskenning van wetsbepalingen Aard Wettelijke bepalingen:

Artt.13,derde Fiche 3 Artikel 13, derde lid van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening bepaalt slechts ten laste van wie de kosten zijn, wanneer de Staat, de provinciën of de gemeenten hun recht tot wijziging van de leidingen en tot uitvoering van de werken die daarmee verband houden uitoefenen, zodat het niet betalen van de kosten van de verplaatsing geen strafrechtelijk gesanctioneerde "overtreding van de wet" uitmaakt

(1).
(1)Cass., 27 mei 2002, AR C.00.0378.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020527.5, nr 319, met concl. A.-G. DE RAEVE. Thesaurus CAS: WEGEN Vrije woorden: WEGEN Elektrische energie Elektriciteitsleidingen Verplaatsing Kostenregeling Beheerder openbaar domein Vergunninghouder Betaling van de kosten tot het verplaatsen Weigering Miskenning van wetsbepalingen Aard Wettelijke bepalingen:

Artt.13,derde Fiches 4 - 5 De burgerlijke rechtsvordering, gegrond op een misdrijf, strekt tot vergoeding van de schade die door dat misdrijf werd veroorzaakt. De vordering van de Staat, de provinciën of de gemeenten op grond van artikel 13 van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening, tot terugbetaling van voorgeschoten kosten voor werken tot wijziging van de schikkingen of het plan van een inrichting, die ten laste zijn van de onderneming die de geleiding heeft aangelegd, is geen op een misdrijf gestoelde burgerlijke rechtsvordering

(1).
(1)Cass., 27 mei 2002, AR C.00.0378.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020527.5, nr 319, met concl. A.-G. DE RAEVE. Thesaurus CAS: ENERGIE Vrije woorden: ENERGIE Elektrische energie Elektriciteitsleidingen Verplaatsing Kostenregeling Betaling van de kosten tot het verplaatsen Weigering van vergunninghouder Vordering van de overheid Aard Wettelijke bepalingen:

Art.13

,derdel Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Begrip Vordering tot betaling van de kosten tot het verplaatsen van elektriciteitsleidingen Aard Wettelijke bepalingen:

Art.13,derdel Tekst van de beslissing Nr.

C.05.0164.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van de minister-president, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse Minister, bevoegd voor Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Graaf de Ferrarisgebouw, Koning Albert II-laan 20, bus 1, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen PROVINCIALE BRABANTSE ENERGIEMAATSCHAPPIJ, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 3210 Linden, Diestsesteenweg 126, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 oktober 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor diens vervanging bij artikel 4 van de wet van 10 juni 1998; - de artikelen 13, derde lid, 24, eerste lid, en 26 van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart eisers hoger beroep ongegrond, bevestigt derhalve het bestreden vonnis, waarbij eisers vordering, strekkende tot de veroordeling van verweerster in terugbetaling van de kosten van verplaatsing van nutsleidingen, verjaard wordt verklaard en dit op volgende gronden: "De rechtspleging in eerste aanleg

  1. (Eiser) heeft op 21 april 1993 (verweerster), hierna ook 'PBE' genoemd, gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Zij vorderde betaling van 841.515 BEF, meer 'vergoedende intresten sedert de betaaldatum (noot 1: In zijn conclusie die is neergelegd ter griffie op 1 augustus 1995, vordert (eiser) vergoedende intresten vanaf 26 februari 1982), de gerechtelijke intresten en de kosten', en akte `voor alle eventuele kosten en schadeloosstellingen die het gevolg zouden kunnen zijn van iedere schadeloosstellingseis van de aannemer van de werken wegens vertraging opgelopen ingevolge de weigering van (verweerster) haar installaties te verplaatsen'. Deze vordering vond haar oorzaak in de verplaatsing van elektriciteitsleidingen in opdracht van de rechtsvoorganger van (eiser) (eerst de Intercommunale E39 en daarna het Wegenfonds) en de voorgehouden verplichting in hoofde van PBE om de daaraan verbonden kosten te betalen, onder verwijzing naar artikel 13 van de Wet van 20 maart 1925 en artikel 1 van de Wet van 17 januari
  2. ln zijn conclusie, die is neergelegd ter griffie op 12 augustus 1996, vordert (eiser) betaling van 1.196.257 BEF meer de vergoedende intresten sedert 4 april 1975, de gerechtelijke intresten en de kosten.
  3. (Verweerster) stelde, bij conclusie die is neergelegd ter griffie op 21 april 1995, een tegenvordering in en vorderde betaling van een schadevergoeding ad 100.000 BEF wegens het instellen van een 'onbetwistbaar verjaarde, minstens manifest ongegronde' vordering.
  4. De eerste rechter verklaarde, bij vonnis van 9 oktober 1997, de hoofdvordering toelaatbaar en stelde vast dat `zij is vervallen door verjaring'. De tegenvordering verklaarde hij ontvankelijk maar ongegrond. Elke partij werd tot de helft van de begrote gerechtskosten veroordeeld.
  5. Het vonnis werd betekend op 23 februari
  6. Het hoger beroep
  7. (Eiser) heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 9 oktober 1997 bij verzoekschrift dat is neergelegd ter griffie van het hof op 23 februari
  8. Dit hoger beroep strekt ertoe (verweerster) te horen veroordelen om 841.515 BEF te betalen, 'te vermeerderen met de intresten sedert 31mei 1982, de gerechtelijke intresten en de kosten'.
  9. (Verweerster) vordert de bevestiging van het bestreden vonnis inzoverre het de hoofdvordering verjaard verklaarde. Zij vordert ook 'het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en geïntimeerde op incidenteel beroep te veroordelen in betaling van een bedrag van 100.000 BEF meer gerechtelijke intresten en kosten zulks wegens tergend en roekeloos beroep minstens wegens tergend en roekeloze vordering'. Deze laatste vordering is zeer onduidelijk: ofwel wordt een schadevergoeding gevorderd wegens tergend en roekeloos hoger beroep, en dan is de vordering geen incidenteel beroep maar een nieuwe vordering in hoger beroep, ofwel wordt een schadevergoeding gevorderd wegens tergende en roekeloze vordering, en dan is het een incidenteel beroep vermits de eerste rechter deze vordering ongegrond verklaarde. Het hof stelt vast dat geen incidenteel beroep wordt ingesteld tegen de beslissing van de eerste rechter om de kosten bij helften te verdelen. Beoordeling
  10. (Verweerster) houdt voor dat de vordering van het Vlaams Gewest verjaard is. (Verweerster) verwijst hiervoor naar artikel 26 van de wet van 10 maart 1925 betreffende de elektriciteitsvoorziening, waaruit blijkt dat de burgerlijke rechtsvordering, wegens overtreding van bepalingen van die wet, verjaart na één jaar vanaf de datum van het proces-verbaal dat de overtreding vaststelt. Vermits, zo beweert (verweerster), het proces-verbaal dat de overtreding vaststelde - dit is de overtreding van artikel 13 - dateert van 8 april 1977 en pas werd gedagvaard op 21 april 1993, is meer dan één jaar verstreken, zodat de vordering verjaard is. (Eiser) houdt voor dat het proces-verbaal van 8 april 1977 geen proces-verbaal is in de zin van artikel 26 voormeld, maar wel van artikelen 47 en 48 van de Algemene Aannemingsvoorwaarden, zodat enkel de gemeenrechtelijke verjaringstermijn (van dertig jaar) toepasselijk is. Het proces-verbaal, aldus (eiser), stelt geen strafrechtelijk beteugelde misdrijven vast, maar enkel de weigering om de leidingen te verplaatsen.
  11. (Verweerster) onderbouwt haar vordering tot betaling van een schadevergoeding van 100.000 BEF, door voor te houden dat (eiser) 'na consultatie van de wet en de toepassing ervan door verschillende rechtbanken ervan op de hoogte was dat haar vordering duidelijk verjaard is en zij zodoende een tergende en roekeloze vordering instelde'. (Verweerster) steunt haar vordering op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.
  12. Luidens artikel 13, derde lid van de wet van 25 maart 1925 op de elektriciteitsvoorzieningen heeft onder meer de Staat het recht 'de schikkingen of het plan eener inrichting' te laten wijzigen. Met die 'schikkingen of plan' worden bedoeld, zoals blijkt uit artikel 13, eerste lid van dezelfde wet, de werken die zijn uitgevoerd onder meer door 'verenigingen van gemeenten' 'voor het aanleggen en behoorlijk onderhouden der boven en ondergrondse lijnen'. Artikel 13, derde lid, van dezelfde wet vervolgt dat, indien de wijzigingen noodzakelijk zijn, 'hetzij om reden van openbare veiligheid, hetzij om de schoonheid van een landschap te vrijwaren, hetzij in het belang van de wegen, waterlopen, kanalen of van een openbaren dienst, hetzij ingevolge wijzigingen door de belendende eigenaars toegebracht aan den toegang der eigendommen langs de gevolgde wegen, dan vallen de kosten der werken ten laste van de onderneming die de geleiding heeft aangelegd'. Een gelijkaardige bepaling is opgenomen in het enig artikel 1 van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhoud van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen.
  13. Luidens artikel 24, eerste lid, van dezelfde wet van 10 maart 1925 worden 'de overtredingen van deze wet en van de ter uitvoering daarvan genomen verordeningen gestraft met een gevangenisstraf van een tot acht dagen en met een geldboete van 25 tot 1.000 BEF of met enkel een dezer straffen', en luidens artikel 26 verjaren 'de openbare rechtsvordering en de burgerlijke rechtsvordering wegens overtreding van hogerstaande bepalingen dezer wet of van de ter uitvoering daarvan genomen verordeningen, na één jaar vanaf den datum van het proces-verbaal dat de overtreding vaststelt.'
  14. Uit deze wettelijke bepalingen volgt dat de burgerlijke vordering van de rechtsvoorganger van (eiser), dit is in dit geval de Staat in de persoon van de S.V. Intercommunale E39, om de kosten voor de verplaatsing van leidingen ten laste te leggen van de intercommunale of vereniging van gemeenten (verweerster), verjaart na één jaar vanaf de datum van het proces-verbaal dat de overtreding van de wet vaststelt, met name vaststelt dat de intercommunale of vereniging van gemeenten (verweerster) de verplaatsing van de leidingen niet ten laste neemt, hetgeen noodzakelijkerwijze impliceert dat zij de kosten ervan niet wil ten laste nemen.
  15. In dit geval heeft de rechtsvoorganger van (eiser) op 8 april 1977 een aangetekende brief gestuurd aan (verweerster), met volgende inhoud: 'Met mijn schrijven nr. (..) dd. 11.2.77, werd opdracht gegeven tot het verplaatsen van uw leidingen naar de grens van het Staatsdomein. Gezien echter uw weigering voor verplaatsing (uw schrijven dd. 23.2.77 ...) werd P. V. van vaststelling opgemaakt. Het Bestuur heeft thans beslist de uitvoering van hogervernoemde verplaatsingswerken op te dragen aan uw maatschappij, in het kader van ambtshalve maatregelen (.. )'.
  16. Vermits (eiser) slechts dagvaardde op 21 april 1993, dit is meer dan één jaar na 8 april 1977, en er geen oorzaken van schorsing of stuiting worden ingeroepen, was de vordering op dat ogenblik ontegenzeggelijk verjaard.
  17. De formulering van de wet van 10 maart 1925 laat geen andere interpretatie toe en maakt met name geen onderscheid tussen processen-verbaal in het kader van de Algemene Aannemingsvoorwaarden of anderszins: elk proces-verbaal dat een overtreding van de wet vaststelt, komt in aanmerking; het niet ten laste nemen van de verplaatsing c. q. de kosten van die verplaatsing is één van de 'overtredingen' bedoeld in artikel 24 ; met 'overtredingen' worden alle inbreuken op de wet bedoeld, zodat het door (eiser) ingeroepen legaliteitsbeginsel niet is geschonden.
  18. In die omstandigheden dienen de andere verweermiddelen van (verweerster) niet te worden onderzocht, gelet op de hiervoor vastgestelde verjaring van de vordering van (eiser). De vordering van (eiser) blijft verjaard, zoals ook al vastgesteld door de eerste rechter. Het hoger beroep is ongegrond.
  19. Dit betekent niet per se dat de vordering c.q. het hoger beroep van (eiser) foutief zijn. Hoewel de wetgeving, volgens het hof, duidelijk is in de hiervoor aangehaalde zin, en de vordering op grond daarvan verjaard is, moet worden vastgesteld dat de rechtspraak ter zake verdeeld is, zodat het zich beroepen op deze andersluidende rechtspraak niet onzorgvuldig of foutief is. De vordering van (verweerster) is ongegrond". Grieven Naar luid van artikel 13, derde lid, van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening hebben de Staat, de provinciën en de gemeenten in alle geval, het recht de schikkingen of het plan van een inrichting naderhand te wijzigen, alsmede de werken daarmede in verband. Indien de wijzigingen noodzakelijk zijn, hetzij om reden van openbare veiligheid, hetzij om de schoonheid van een landschap te vrijwaren, hetzij in het belang van de wegen, waterlopen, kanalen of van een openbare dienst, hetzij ingevolge wijzigingen door de belendende eigenaars toegebracht aan de toegang der eigendommen langs de gevolgde wegen, dan vallen de kosten van werken ten laste van de onderneming die de geleiding heeft aangelegd, in de overige gevallen, komen zij ten bezware van de overheid die de wijzigingen gelast. Krachtens artikel 24, eerste lid, van dezelfde wet, worden de overtredingen van deze wet en van de ter uitvoering daarvan genomen verordeningen gestraft met een gevangenisstraf van een tot acht dagen en met een geldboete van 25 tot 1.000 BEF of met enkel een dezer straffen. Overeenkomstig artikel 26 van dezelfde wet verjaren de openbare rechtsvordering en de burgerlijke rechtsvordering wegens overtreding van de bepalingen van de wet of van de ter uitvoering daarvan genomen verordeningen, na één jaar vanaf de datum van het proces-verbaal dat de overtreding vaststelt. Het derde lid van voormeld artikel 13 van de wet van 10 maart 1925 bepaalt met betrekking tot de kosten van de werken slechts ten laste van wie die kosten zijn, wanneer de Staat, de provinciën of de gemeenten hun recht tot wijziging van de leidingen (schikkingen of het plan van een inrichting) en tot uitvoering van de werken die daarmee verband houden uitoefenen. Deze wetsbepaling omschrijft de niet-betaling van de bedoelde kosten niet als een overtreding van de wet zodat voormelde niet-betaling niet op grond van voornoemd artikel 24 als misdrijf kan worden aangemerkt. De burgerlijke rechtsvordering gegrond op een misdrijf strekt tot vergoeding van de schade die door dat misdrijf werd veroorzaakt. Te dezen betwistte eiser de door verweerster op grond van artikel 26 van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening ingeroepen verjaring, omdat noch de weigering de leidingen te verplaatsen, noch het niet-betalen van de verplaatsingskosten, als een strafrechtelijke overtreding van de genoemde wet kunnen beschouwd worden, derwijze dat de vordering onderworpen is aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 30 jaar (beroepsbesluiten eiser, neergelegd 8 februari 2000, p. 5, tweede en zevende alinea), laatstgenoemde verjaringstermijn voorzien in artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de vervanging bij artikel 4 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring. Het bestreden arrest beschouwt evenwel de door eiser op grond van artikel 13 van de wet van 10 maart 1925 tegen verweerster ingestelde vordering tot terugbetaling van voorgeschoten kosten voor werken tot wijziging van de schikkingen of het plan van een inrichting, die ten laste waren van verweerster als "onderneming die de geleiding heeft aangelegd", (met toepassing van de artikelen 13, derde lid, 24 en 26 van dezelfde wet) als een op een misdrijf gestoelde burgerlijke rechtsvordering, die op grond van artikel 26 verjaard is omdat zij meer dan één jaar na het proces-verbaal van 8 april 1977 werd ingeleid. Door aldus te oordelen miskent het bestreden arrest de artikelen 13, derde lid, 24, eerste lid, en 26 van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening, en kon het dienvolgens niet wettig eisers vordering onderwerpen aan de korte verjaringstermijn, neergelegd in artikel 26 van de wet van 10 maart 1925, en, impliciet doch zeker, de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van dertig jaar, neergelegd in artikel 2262 (oud) van het Burgerlijk Wetboek, uitsluiten (schending van artikelen 26 van de wet van 10 maart 1925 en 2262 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór diens vervanging bij artikel 4 van de wet van 10 juni 1998). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  20. Krachtens artikel 24, eerste lid, van de wet van 10 maart 1925 op de electriciteitsvoorziening, worden de overtredingen van deze wet en van de ter uitvoering daarvan genomen verordeningen gestraft met een gevangenisstraf van een tot acht dagen en met een geldboete van 0,62 euro tot 24,79 euro of met enkel een van die straffen. De delictsomschrijving "overtreding van deze wet" heeft uitsluitend betrekking op een handelen, dat getoetst aan een in de wet voorkomend gebod of verbod, wederrechtelijk is.
  21. Krachtens artikel 26 van de wet van 10 maart 1925 op de electriciteitsvoorziening, verjaren de openbare rechtsvordering en de burgerlijke rechtsvordering wegens overtreding van hogerstaande bepalingen van deze wet of van de ter uitvoering daarvan genomen verordeningen, na één jaar vanaf de datum van het proces-verbaal dat de overtreding vaststelt. De burgerlijke rechtsvordering gegrond op een misdrijf strekt tot vergoeding van de schade die door dat misdrijf werd veroorzaakt.
  22. Krachtens artikel 13, derde lid, van de wet van 10 maart 1925 op de electriciteitsvoorziening, hebben de Staat, de provinciën en de gemeenten in alle geval, het recht de schikkingen of het plan van een inrichting naderhand te wijzigen, alsmede de werken daarmede in verband. Indien de wijzigingen noodzakelijk zijn, hetzij om reden van openbare veiligheid, hetzij om de schoonheid van een landschap te vrijwaren, hetzij in het belang van de wegen, waterlopen, kanalen of van een openbare dienst, hetzij ingevolge wijzigingen door de belendende eigenaars toegebracht aan de toegang der eigendommen langs de gevolgde wegen, vallen de kosten van de werken ten laste van de onderneming die de geleiding heeft aangelegd. In de overige gevallen, komen de kosten ten laste van de overheid die de wijzigingen gelast.
  23. Aldus bepaalt het derde lid van voormeld artikel 13 slechts ten laste van wie die kosten zijn, wanneer de Staat, de provinciën of de gemeenten hun recht tot wijziging van de leidingen en tot uitvoering van de werken die daarmee verband houden uitoefenen. Hieruit volgt dat het niet betalen van de kosten van de verplaatsing geen strafrechtelijk gesanctioneerde "overtreding van de wet" uitgemaakt. De vordering tot terugbetaling van de door de overheid voorgeschoten kosten voor werken tot verplaatsing van een electriciteitsleiding is derhalve geen burgerlijke rechtsvordering, gegrond op een misdrijf, waarop de korte verjaringstermijn van artikel 26 van de wet van 10 maart 1925 toepasselijk is.
  24. Het arrest oordeelt dat "het niet ten laste nemen van de verplaatsing c.q. de kosten van die verplaatsing (door verweerster) een van de overtredingen is bedoeld in artikel 24 (van de wet van 10 maart 1925 op de electriciteitsvoorziening)" en beschouwt de door eiser op grond van artikel 13 van de wet van 10 maart 1925 tegen verweerster ingestelde vordering tot terugbetaling van voorgeschoten kosten voor werken tot wijziging van de schikkingen of het plan van een inrichting, die ten laste waren van verweerster als "onderneming die de geleiding heeft aangelegd", als een op een misdrijf gestoelde burgerlijke rechtsvordering, die op grond van artikel 26 verjaard is.
  25. Het arrest schendt aldus de vermelde wetsbepalingen.
  26. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Greta Bourgeois, Jean-Pierre Frère en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van 2 februari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060202.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020527.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.