← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.1 Rolnummer: S.05.0030.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2006-06-01 Raadplegingen: 880 - laatst gezien 2026-07-04 02:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De lastgever kan aan de lasthebber de toelating verlenen zich voor de uitvoering van het mandaat te laten vertegenwoordigen of bijstaan; deze toelating kan zelfs stilzwijgend zijn. Thesaurus CAS: LASTGEVING Vrije woorden: LASTGEVING Vertegenwoordiging Lasthebber Omvang van mandaat Indeplaatsstelling Stilzwijgend mandaat Wettelijke bepalingen: Wet - 10-11-1967 - Art.1994 Fiche 2 Wanneer een lasthebber van de werkgever in naam en voor rekening van de werkgever de arbeidsovereenkomst ten aanzien van de werknemer schriftelijk beëindigt, heeft de werknemer het recht de overlegging van een volmacht te eisen teneinde zich van het bestaan van de lastgeving te vergewissen, hij is er nochtans niet toe gehouden zulks te doen; wanneer de werknemer dit niet doet en niet meer komt werken, aldus handelend alsof er wel degelijk een ontslag is geweest, is het gevolg daarvan dat hij het bestaan van de lastgeving achteraf, tenzij binnen redelijk korte termijn, niet meer kan ontkennen wanneer noch de lastgever, noch de lasthebber zelf dienaangaande enige betwisting opperen

(1).
(1)Cass., 18 sept. 1964, Pas., 1965, p.
  1. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Algemeen Lastgeving Lasthebber Omvang van mandaat Werknemer Geen overlegging van volmacht geëist Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Artt.35en39 Tekst van de beslissing Nr. S.05.0030.N RADIO ATLANTIS NOORD-LIMBURG, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 3960 Bree, Expodroom, Kanaal-Noord 1432, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen K.P., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 oktober 2004 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1108, 1984, 1985, 1987, 1991 tot en met 1997, 1998, 1236 en 1237 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 32, 3°, 35 en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeids-overeenkomsten; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van verweerder, het hoger beroep van eiseres ontvankelijk doch ongegrond. Het arbeidshof bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 27 november 2003, dat eiseres veroordeelt tot betaling aan verweerder van de door hem gevorderde opzeggingsvergoeding en tot afgifte van de overeenstemmende sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom, en veroordeelt eiseres tot de kosten van de procedure in hoger beroep. Het arbeidshof beslist dat onder meer op grond van de volgende motieven: "
  2. Het (arbeidshof) dient zich in eerste instantie uit te spreken over de vraag of het ontslag al dan niet rechtsgeldig gegeven werd door een daartoe al dan (niet) geldig gemandateerd persoon en over de repercussies ervan in huidig geschil.
  3. Te dezen ging de ontslagbrief, houdende de kennisgeving van het ontslag om dringende redenen aan (verweerder), uit van de heer P. D. van (het sociaal secretariaat) SAP NV. (Verweerder) heeft het eventuele mandaat waarover deze persoon of SAP NV zou beschikken om tot het ontslag over te gaan, ter discussie gesteld. In geval van betwisting over het bestaan van een geldig mandaat daartoe, dient het bewijs daarvan te worden geleverd door degene die zich op het bestaan ervan beroept (vgl. B. Tilleman 'Lastgeving', A.P.R., Deurne, Kluwer 1997, 94, nr. 172). (Eiseres) diende/dient hier derhalve aan te tonen dat zij aan SAP NV, en/of aan diens aangestelde P. D., een geldig mandaat heeft verleend om tot ontslag van (verweerder) over te gaan.
  4. Zodanig bewijs werd naar het oordeel van het (arbeidshof) niet aangebracht. Het (arbeidshof) verwijst hier naar de door de eerste rechters in het bestreden vonnis ontwikkelde motieven, die als correct dienen te worden bestempeld en die het (arbeidshof) zich eigen maakt, aangevuld met de navolgende overwegingen en in zoverre ze hiermee niet in tegenspraak zijn.
  5. In de statuten van (eiseres) wordt op algemene wijze bepaald dat de beheerraad op zijn verantwoordelijkheid de bevoegdheid voor bepaalde handelingen en taken kan overdragen aan het dagelijks bestuur, bestaande uit de voorzitter van de raad van beheer en de voorzitters van de verschillende commissies of aan deze commissies, die binnen haar schoot worden opgericht. Statutair werd dus voorzien in het principe van een overdracht van bevoegdheden door de beheerraad aan de voorzitter van de VZW. In de statuten zelf werd dergelijke eventuele overdracht van bevoegdheden, met inbegrip van een bevoegdheid om personeel te ontslaan, niet concreet uitgewerkt.
  6. De arbeidsrechtbank heeft, alvorens definitief ten gronde te oordelen, een getuigenbewijs toegestaan om (eiseres) in de mogelijkheid te stellen het bewijs te leveren van het feit 'dat het aan (verweerder) gegeven ontslag om dringende redenen van 19 oktober 1998, via het sociaal secretariaat SAP, gebeurde onder uitdrukkelijk mandaat en met volledige instemming van (eiseres) en haar wettelijke organen'. Uit de daaropvolgende getuigenverklaringen blijkt echter niet dat de beheerraad van (eiseres) een mandaat zou hebben verleend aan de heer D. van NV SAP om tot ontslag van (verweerder) over te gaan, integendeel. Uit deze verklaringen blijkt afdoende dat de heer J., voorzitter van (eiseres), degene was die het mandaat bekwam vanwege de beheerraad van (eiseres) om tot ontslag van (verweerder) over te gaan. Uit de verklaringen van getuigen P. en D. blijkt bovendien duidelijk dat SAP NV wel handelde in opdracht van de heer J., maar dat zij geen weet of kennis hadden van een hen door de beheerraad van (eiseres) in die zin verleende lastgeving. Het optreden van een sociaal secretariaat 'in opdracht van' een VZW-voorzitter, impliceert nog niet dat dergelijk handelen voortvloeit uit een eventueel door de beheerraad van de VZW verleende lastgeving. De heer J., lasthebber, heeft in het kader van het hem door de beheerraad van (eiseres) rechtstreeks verleend mandaat een opdracht gegeven aan SAP NV, maar dit impliceert nog niet dat SAP NV daarmee dan zelf indirect een door de beheerraad van (eiseres) verleend mandaat zou hebben verkregen. Een lastgevingsovereenkomst komt slechts tot stand door de aanneming van de lasthebber (artikel 1984 van het Burgerlijk Wetboek). Aangezien de heer D. van SAP NV geen kennis had van enig hem door de beheerraad van (eiseres) verleende lastgeving, kan hij ze evenmin hebben aangenomen, met als logisch gevolg dat dergelijke lastgeving in zijnen hoofde onbestaande was. Zoals door de eerste rechters terecht geoordeeld werd, blijkt uit de beschikbare feitelijke beoordelingselementen ontegensprekelijk dat de lastgeving (voor het geven van een ontslag van (verweerder)) verleend werd aan de VZW -voorzitter, de heer J., doch niet aan de heer D. van SAP NV.
  7. En waar het bij (eiseres) voor ontslag bevoegde orgaan, de beheerraad, deze bevoegdheid mandateerde aan haar voorzitter, de heer J., kan niet worden aangenomen dat diezelfde lastgeving dan door de lasthebber (de heer J.) zelf nog eens rechtsgeldig gemandateerd kon worden aan SAP NV, zoals (eiseres) ten onrechte schijnt te willen voorhouden in beroepsbesluiten.
  8. Het argument van (eiseres) dat zij het optreden van het sociaal secretariaat alleszins heeft bekrachtigd, minstens stilzwijgend, doet geen afbreuk aan het bestaan en de gevolgen van het formele gebrek waardoor het ontslagschrijven is aangetast. Waar in principe de bekrachtiging door de lastgever terugwerkende kracht heeft tot op de datum waarop de betwiste handeling werd gesteld, wordt dit algemeen burgerrechtelijk beginsel doorkruist en beperkt door de bijzondere regel van dwingend recht van artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, hetgeen (onder meer) bepaalt dat het ontslag om dringende reden niet meer zonder opzegging mag worden gegeven wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept (artikel 35, derde lid, Arbeidsovereenkomstenwet). De eerste rechters hebben in die context terecht opgemerkt dat (eiseres) niet aantoont dat de bekrachtiging gebeurde, vóór het verstrijken van de termijn van drie werkdagen sedert de kennisname van de grieven voor het ontslag om dringende reden (met verwijzing naar: Arbh. Antwerpen 15 juni 1998, Soc. Kron. 1998, 510). Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de beheerraad van (eiseres), zijnde het bevoegde orgaan voor het geven van een ontslag, kennis kreeg van de als dringende reden aan (verweerder) verweten tekortkomingen tijdens de door haar voorzitter op 16 oktober 1998 belegde vergadering van de beheerraad. Er is echter geen bewijs terug te vinden van een bekrachtiging van het ontslag door de beheerraad van (eiseres) of door de daartoe effectief gemandateerde, VZW-voorzitter J., binnen de 3 werkdagen te rekenen vanaf de kennisneming op 16 oktober 1998 van de aan (verweerder) verweten tekortkomingen. Een onbevoegd verrichte eenzijdige rechtshandeling die binnen een bij de wet voorgeschreven termijn moet worden gesteld, zoals een ontslag om dringende reden, kan slechts rechtsgeldig worden bekrachtigd wanneer die bekrachtiging zelf ook tijdig, dit wil zeggen vóór het verstrijken van die vervaltermijn, geschiedt (...). Dergelijke tijdige bekrachtiging heeft hier niet plaatsgevonden.
  9. Het (arbeidshof) treedt het standpunt van (eiseres) niet bij waar deze voorhoudt dat (verweerder) de regelmatigheid van het ontslag door een persoon zonder mandaat niet meer zou kunnen betwisten omdat hij daartegen niet onmiddellijk na zijn ontslag heeft geprotesteerd en er pas bij het inleiden van de procedure bij de arbeidsrechtbank gewag van heeft gemaakt. Indien de werkgever tot de zwaarste sanctie wenst over te gaan - het ontslag van een werknemer om dringende reden - dan komt het hem toe om de nodige voorzichtigheid en nauwkeurigheid aan de dag te leggen en om zelf toe te zien op (onder meer) de formele regelmatigheid van het door hem gegeven ontslag. De werknemer is er op generlei wijze toe verplicht om de werkgever ten tijde van het ontslag te wijzen op mogelijke onregelmatigheden waardoor het ontslag om dringende reden zou zijn aangetast (dit in de hypothese dat hij de mogelijke consequenties op dat ogenblik al geheel of ten dele zou hebben ingeschat), en om alsdan de werkgever toe te laten toch nog tot eventuele regularisatie van de onregelmatigheid over te gaan. De tegengestelde visie plaatst de wereld op zijn kop. Naar het oordeel van het (arbeidshof) is het de werknemer steeds toegelaten om de regelmatigheid van het hem gegeven ontslag te betwisten en om de middelen die hij ter ondersteuning hiervan wenst aan te wenden - met inbegrip van de betwisting over het al dan niet bestaan van een rechtsgeldig mandaat van de ontslagverlenende persoon - pas naar voren te brengen op het ogenblik van de tegen de werkgever bij de arbeidsrechtbank ingeleide procedure. Het achterwege blijven van een eerder en onmiddellijk protest van de ontslagen werknemer ten tijde van het ontslag zelf, maakt als zodanig de onregelmatigheid niet ongedaan waardoor het ontslag zelf is aangetast.
  10. Voor zoveel als nodig merkt het (arbeidshof) op dat (verweerder), toen hij de ontslagbrief van 19 oktober 1998 vanwege de heer D. van SAP NV ontving, er redelijkerwijze kon van uitgaan dat (eiseres) daarmee de wil heeft geuit een einde te willen stellen aan de arbeidsovereenkomst. Dit vermag overigens eveneens te worden afgeleid uit de daaropvolgende gebeurtenissen. Na de ontvangst van de ontslagbrief op 20 oktober 1998 heeft (verweerder) - die normalerwijze nog met vakantie was tot 22 oktober 1998 - nog diezelfde dag via een aangetekende brief rechtstreeks bij (eiseres) zelf ('Radio Atlantis. t.a. v. de Heer W. J.' + adres) geprotesteerd tegen de inhoud van de ontslagbrief, met de bijkomende vermelding dat er verdere juridische stappen zouden worden ondernomen (stuk 9 (verweerder)). Het antwoord hierop kwam er in de vorm van de toezending van een op 26 oktober 1998 gedateerd formulier C4 waarop melding werd gemaakt van een beëindiging van de tewerkstelling om dringende redenen per 19 oktober 1998 (stuk 10 (verweerder)). Op die wijze bekwam (verweerder) duidelijkheid en zekerheid over de bij (eiseres) bestaande wil om de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen.
  11. Verwijzend naar de voorgaande overwegingen is het (arbeidshof) van oordeel dat het ontslag om dringende reden van 19 oktober 1998 door een daartoe niet gemandateerd en dus onbevoegd persoon werd gegeven. Op die wijze is de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst onregelmatig gebeurd. De aan (eiseres) toe te schrijven onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst doet in hoofde van (verweerder) een recht op een beëindigingsvergoeding ontstaan. (Verweerder) kan aanspraak maken op de door hem gevorderde (en op cijfermatig vlak niet betwiste) opzeggingsvergoeding.
  12. De overige door de partijen ontwikkelde argumenten en het door (eiseres) geformuleerde bewijsaanbod, zijn in het licht van de voorgaande overwegingen en beoordeling niet verder relevant of dienend, en ze worden bijgevolg om die reden door het (arbeidshof) buiten beschouwing gelaten". Het arbeidshof overweegt aldus dat uit de verklaringen van de getuigen tot het verhoor van wie de arbeidsrechtbank heeft beslist, niet blijkt dat de beheerraad van eiseres een mandaat zou hebben verleend aan de heer D. van de NV SAP om tot ontslag van verweerder over te gaan (blz. 13, laatste alinea, van het arrest), maar afdoende blijkt dat de heer J., voorzitter van eiseres degene was die het mandaat bekwam vanwege de beheerraad van eiseres om tot ontslag van verweerder over te gaan. Het arbeidshof overweegt voorts dat uit de verklaringen van de getuigen P. en D. duidelijk blijkt dat de NV SAP handelde in opdracht van de heer J. (blz. 14, derde laatste alinea, van het arrest) en stelt vast dat de heer Jansen, lasthebber, in het kader van het hem door de beheerraad van eiseres rechtstreeks verleende mandaat "een opdracht heeft gegeven aan SAP NV". Het arbeidshof beslist vervolgens dat het laatstgenoemde rechtstreeks mandaat dat door de heer J. aan de NV SAP werd gegeven, nog niet impliceert dat de NV SAP daarmee dan zelf indirect een door de beheerraad van eiseres verleend mandaat zou hebben verkregen, aangezien een lastgevingsovereenkomst maar tot stand komt door de aanneming van de lasthebber en (de heer D. van) de NV SAP geen kennis had van enige hem door de beheerraad van eiseres verleende lastgeving en die dan ook niet kan hebben aangenomen, zodat zij "in zijnen hoofde onbestaande" was. Na nog eens te hebben vastgesteld dat het voor ontslag bevoegde orgaan van eiseres, de beheerraad, die bevoegdheid mandateerde aan haar voorzitter, de heer J., beslist het arbeidshof dat niet kan worden aangenomen dat diezelfde lastgeving dan door de lasthebber, de heer J., zelf nog eens rechtsgeldig gemandateerd kon worden aan de NV SAP. Het arbeidshof overweegt ook nog dat geen tijdige bekrachtiging van het ontslag heeft plaatsgevonden, door de beheerraad van eiseres of door haar voorzitter, de heer J., die effectief was gemandateerd om het ontslag te geven, zijnde een bekrachtiging binnen drie werkdagen te rekenen vanaf de kennisneming, op 16 oktober 1998, door de beheerraad van eiseres van de aan verweerder verweten tekortkomingen, zodat de door eiseres aangevoerde, minstens stilzwijgende bekrachtiging van het optreden van het sociaal secretariaat, geen afbreuk doet aan het bestaan en de gevolgen van het formele gebrek waardoor het ontslagschrijven is aangetast. Het arbeidshof wijst ook nog het standpunt van eiseres van de hand dat verweerder de regelmatigheid van zijn ontslag door een persoon zonder mandaat niet meer kon betwisten omdat hij daartegen niet onmiddellijk na zijn ontslag had geprotesteerd en daarvan pas bij het inleiden van de procedure voor de arbeidsrechtbank gewag had gemaakt. Ten slotte overweegt het arbeidshof dat verweerder, toen hij de ontslagbrief van 19 oktober 1998 vanwege de heer D. van de NV SAP ontving, er redelijkerwijze kon van uitgaan dat eiseres daarmee de wil heeft geuit een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst en dat verweerder door de toezending van een op 26 oktober gedagtekend formulier C4 waarop melding werd gemaakt van een beëindiging van de tewerkstelling om dringende reden per 19 oktober 1998, duidelijkheid en zekerheid bekwam over de bij eiseres bestaande wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Grieven
  13. Eerste onderdeel 1.
  14. Krachtens artikel 1236 kan een verbintenis voldaan worden door ieder die daarbij belang heeft en zelfs door een derde die daarbij geen belang heeft, mits die derde in naam en tot kwijting van de schuldenaar handelt of mits hij, handelend in eigen naam, niet in de rechten van de schuldeiser wordt gesteld. Artikel 1237 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een verbintenis om iets te doen door een derde niet voldaan kan worden tegen de zin van de schuldeiser wanneer deze laatste er belang bij heeft dat zij door de schuldenaar zelf voldaan wordt. Uit de voornoemde bepalingen volgt dat een verbintenis om iets te doen in beginsel door een derde kan worden voldaan, tenzij in de gevallen waarin die bepalingen dat uitsluiten. Lastgeving of volmacht is, luidens de artikelen 1, eerste lid, en 1984 van het Burgerlijk Wetboek, een handeling waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen. De regels die de artikelen 1236 en 1237 van het Burgerlijk Wetboek vooropstellen, zijn ook van toepassing op de verbintenis iets te doen die het voorwerp uitmaakt van een lastgeving. Noch de artikelen 1984, 1985 en 1987 van het Burgerlijk Wetboek, noch de artikelen 1991 tot en met 1997 van het Burgerlijk Wetboek, welke laatste de verplichtingen van de lasthebber bepalen, houden afzonderlijk of samen genomen een verbod in voor de lasthebber om zijn opdracht aan een derde op te dragen. In het bijzonder artikel 1994, 1°, van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat de lasthebber aansprakelijk is voor hem die hij bij de uitvoering van zijn opdracht in zijn plaats heeft gesteld wanneer hij de macht om iemand in zijn plaats te stellen niet heeft bekomen, heeft enkel betrekking op de aansprakelijkheid van de lasthebber en doet geen afbreuk aan het recht van de lasthebber om, met toepassing van de artikelen 1236 en 1237 van het Burgerlijk Wetboek, een derde in zijn plaats te stellen om de verbintenissen uit te voeren die voor hem uit de lastgeving voortvloeien. 1.
  15. In haar regelmatig ter griffie van het arbeidshof neergelegde conclusie voerde eiseres aan dat het sociaal secretariaat SAP, dat al de personeelszaken van eiseres behartigde, door de heer J., die daarvoor zelf volmacht had gekregen van de beheerraad, gemandateerd was om "de redactie van de ontslagbrief om dringende reden" te betekenen. Na te hebben vastgesteld dat het bij eiseres voor ontslag bevoegde orgaan, de beheerraad, die bevoegdheid mandateerde aan haar voorzitter, de heer J., beslist het arbeidshof dat niet kan worden aangenomen dat diezelfde lastgeving door de lasthebber, de heer J., zelf nog eens rechtsgeldig gemandateerd kon worden aan de NV SAP. Met die beslissing, die het neemt zonder vast te stellen dat de verbintenis van de heer J. als lasthebber van (de beheerraad van) eiseres beantwoordt aan een van de gevallen waarin een verbintenis iets te doen niet door een derde kan worden voldaan (schending van de artikelen 1236 en 1237 van het Burgerlijk Wetboek), schendt het arbeidshof de artikelen 1984, 1985, 1987, 1991 tot en met 1997 van het Burgerlijk Wetboek, die geen van alle een verbod inhouden voor de lasthebber om zijn opdracht aan een derde op te dragen, en met zijn daarop steunende beslissing dat het ontslag om dringende reden van 19 oktober 1998 door een daartoe niet gemandateerd en dus onbevoegd persoon werd gegeven en de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst op die wijze onregelmatig is gebeurd en aan eiseres is toe te schrijven, zodat zij voor verweerder recht doet ontstaan op een beëindigingsvergoeding, eveneens de artikelen 35 en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiseres niet wettig ongegrond en bevestigt niet wettig het in eerste aanleg gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank (schending van de artikelen 1236, 1237, 1984, 1985, 1987, 1991 tot en met 1997 van het Burgerlijk Wetboek en 35 en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten).
  16. Tweede onderdeel 2.
  17. Alvorens met een lasthebber te onderhandelen, heeft een derde het recht de overlegging van een volmacht te eisen teneinde zich van het bestaan van de lastgeving te vergewissen, evenwel zonder dat hij daartoe verplicht is. Maar indien de derde dat niet doet, namelijk omdat hij voldoende zekerheid heeft omtrent het bestaan en de omvang van de lastgeving, is het gevolg daarvan dat in geval van latere ontkenning ervan door de lastgever, de derde ertoe gehouden is met wettige middelen het bewijs van de lastgeving te leveren en niet dat hijzelf het bestaan van de lastgeving achteraf kan ontkennen indien noch de lastgever noch de lasthebber dienaangaande enige betwisting opperen.
  18. Uit het op 24 december 2003 regelmatig ter griffie van het arbeidshof neergelegde verzoekschrift tot hoger beroep van eiseres en de op 1 juli 2004 eveneens door eiseres regelmatig ter griffie van het arbeidshof neergelegde conclusie blijkt dat eiseres voor het arbeidshof niet alleen nooit heeft betwist, maar altijd heeft aangevoerd dat "het sociaal secretariaat SAP" van eiseres volmacht kreeg om verweerder te ontslaan en derhalve dat "het sociaal secretariaat SAP" bij het ontslag van verweerder is opgetreden als haar lasthebber. Ook het arbeidshof stelt in het bestreden arrest die door eiseres als grief tegen het vonnis van de eerste rechter aangevoerde argumentatie vast. Uit de vaststelling van het arbeidshof blijkt niet dat "het sociaal secretariaat SAP" enige betwisting zou hebben geopperd over de door eiseres ingeroepen lastgeving aan haar. Het arbeidshof overweegt dat uit de beschikbare beoordelingselementen blijkt dat de lastgeving voor het geven van een ontslag aan verweerder werd gegeven aan "de VZW-voorzitter (d.i. de voorzitter van de vereniging zonder winstoogmerk die eiseres is), de heer J., doch niet aan de heer D. van SAP NV", dat "niet (kan) worden aangenomen dat diezelfde lastgeving dan door de lasthebber (de heer J.) zelf nog eens rechtsgeldig gemandateerd kon worden aan SAP NV" en dat de aldus "onbevoegd verrichtte eenzijdige rechtshandeling" die het ontslag wegens dringende reden van verweerder was, niet tijdig werd bekrachtigd, dit wil zeggen vóór het verstrijken van de vervaltermijn van drie werkdagen te rekenen vanaf de kennisneming van de aan verweerder verweten tekortkomingen. Het arbeidshof overweegt vervolgens dat het het standpunt van eiseres niet bijtreedt waar die voorhoudt dat verweerder de regelmatigheid van het ontslag door een persoon zonder mandaat niet meer zou kunnen betwisten omdat hij daartegen niet onmiddellijk na zijn ontslag heeft geprotesteerd en er pas bij het inleiden van de procedure bij de arbeidsrechtbank gewag van heeft gemaakt. Op die overwegingen en zonder in deze zaak vast te stellen dat verweerder van (de heer D. van) de NV SAP een volmacht heeft geëist om zich van het al dan niet bestaan van een lastgeving te vergewissen en zonder zelfs maar te onderzoeken of verweerder het bestaan van een volmacht aan (de heer D. van) de NV SAP binnen een redelijke, korte termijn heeft betwist, beslist het arbeidshof niet wettig dat het achterwege blijven van een eerder en onmiddellijk protest van de ontslagen werknemer ten tijde van het ontslag zelf, als zodanig de onregelmatigheid niet ongedaan maakt waardoor het ontslag zelf is aangetast (schending van de artikelen 1984, 1985 en 1987 van het Burgerlijk Wetboek) en oordeelt het niet wettig dat het ontslag om dringende reden van 19 oktober 1998 door een daartoe niet gemandateerd en dus onbevoegd persoon werd gegeven en de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst op die wijze onregelmatig is gebeurd en aan eiseres is toe te schrijven, zodat zij voor verweerder recht doet ontstaan op een beëindigingsvergoeding (schending van de artikelen 35 en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiseres niet wettig ongegrond en bevestigt niet wettig het in eerste aanleg gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank (schending van de artikelen 1984, 1985, 1987 van het Burgerlijk Wetboek en 35 en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten).
  19. Derde onderdeel 3.
  20. Krachtens artikel 1998 van het Burgerlijk Wetboek is de lastgever gehouden de verbintenissen na te komen die de lasthebber overeenkomstig de hem verleende macht heeft aangegaan. Hij is niet gehouden tot hetgeen daarbuiten mocht zijn gedaan, dan voor zover hij zulks uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft bekrachtigd. Een bekrachtiging door de lastgever van een rechtshandeling die een daartoe niet gemachtigde persoon heeft gesteld, heeft in beginsel terugwerkende kracht tot op de datum waarop de rechtshandeling werd gesteld tussen de partijen, dit wil zeggen tussen de lastgever en de ingevolge de bekrachtiging bevoegd gemaakte lasthebber, alsook ten aanzien van derden op voorwaarde dat de door derden verworven rechten daardoor niet worden gekrenkt. Een ontslag waartoe werd overgegaan door een daartoe onbevoegde persoon, dat achteraf door de tot ontslag bevoegde persoon of instantie wordt bekrachtigd, heeft zijn volledige uitwerking en brengt al zijn gevolgen teweeg vanaf het ogenblik waarop het werd gegeven. Krachtens artikel 35, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsover-eenkomsten kan ontslag wegens dringende reden niet meer zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept. De bekrachtiging van een ontslag wegens dringende reden waartoe een onbevoegde persoon of instantie is overgegaan, bindt de lastgever die tot bekrachtiging overgaat met volledige uitwerking als zodanig op het ogenblik waarop het ontslag plaatshad. De omstandigheid dat de bekrachtiging gebeurt meer dan drie werkdagen sedert het feit ter rechtvaardiging ervan bekend is aan de bekrachtigende partij, ontneemt op zich aan dat ontslag niet de tijdigheid vereist door artikel 35, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. 3.
  21. Het arbeidshof beslist dat het ontslag wegens dringende reden van verweerder, dat volgens het arbeidshof werd gegeven door een daartoe niet bevoegde persoon, niet tijdig werd bekrachtigd door de beheerraad van eiseres of door de daartoe effectief gemandateerde voorzitter van eiseres, de heer J., met name niet binnen drie werkdagen te rekenen vanaf de kennisneming, door eiseres, van de aan verweerder verweten tekortkomingen. (Ook) op die basis beslist het arbeidshof dat het ontslag om dringende reden door een daartoe niet gemandateerde en dus onbevoegde persoon werd gegeven en dat de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst op die wijze onregelmatig is gebeurd. Met zijn voornoemde overwegingen schendt het arbeidshof de artikelen 1984, 1985, 1987 en, inzonderheid, 1998 van het Burgerlijk Wetboek en met zijn daarop steunende beslissing dat het ontslag om dringende reden van 19 oktober 1998 door een daartoe niet gemandateerd en dus onbevoegd persoon werd gegeven en de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst op die wijze onregelmatig is gebeurd en aan eiseres is toe te schrijven, zodat zij voor verweerder recht doet ontstaan op een beëindigingsvergoeding, eveneens de artikelen 35 en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiseres niet wettig ongegrond en bevestigt niet wettig het in eerste aanleg gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank (schending van de artikelen 1984, 1985, 1987 en, inzonderheid, 1998 van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 35 en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten).
  22. Vierde onderdeel Eerste subonderdeel Enerzijds oordeelt het arbeidshof zoals hierboven wordt uiteengezet in het tweede onderdeel en hier uitdrukkelijk wordt hernomen, - met de overwegingen die het maakt onder de nummers 4 tot en met 9, op de bladzijden 11 tot en met 15 van het bestreden arrest, dat de (heer D. van de) NV SAP niet door eiseres gemandateerd was om over te gaan tot ontslag van verweerder, - met de overwegingen die het maakt onder nummer 10, op de bladzijden 15 en 16 van het bestreden arrest, dat het door een onbevoegde persoon aan verweerder gegeven ontslag niet tijdig werd bekrachtigd, - en met de overwegingen die het maakt onder nummer 11, op de bladzijden 16 en 17 van het bestreden arrest, dat het de werknemer toegelaten is de betwisting over het al dan niet bestaan van een rechtsgeldig mandaat van de ontslaggevende persoon pas naar voren te brengen op het ogenblik van de tegen de werkgever bij de arbeidsrechtbank ingeleide procedure. Anderzijds overweegt het arbeidshof dat verweerder, toen hij de ontslagbrief van 19 oktober 1998 vanwege de heer D. van de NV SAP ontving, redelijkerwijze ervan mocht uitgaan dat eiseres daarmee de wil heeft geuit een einde te willen stellen aan de arbeidsovereenkomst. Dat kan, volgens het arbeidshof, eveneens afgeleid worden uit de daarop volgende gebeurtenissen, meer bepaald de aangetekende brief die verweerder de dag van de ontvangst van de ontslagbrief, op 20 oktober 1998, aan eiseres richtte, en waarin hij onder meer protesteerde tegen de inhoud van de ontslagbrief van 19 oktober 1998 en de toezending, als antwoord daarop, van een op 26 oktober 1998 gedagtekend formulier C4 waarop melding werd gemaakt van een beëindiging van de tewerkstelling om dringende reden per 19 oktober
  23. Volgens het arbeidshof kreeg verweerder op die wijze "duidelijkheid en zekerheid over de bij (eiseres) bestaande wil om de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen". Uit de vaststellingen van het arbeidshof blijkt bovendien dat het voornoemde formulier C4 aan verweerder werd afgeleverd "via SAP-Personeelsdiensten". De hierboven onderscheiden overwegingen zijn tegenstrijdig en stellen het Hof niet in de mogelijkheid zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen: zij impliceren dat het arbeidshof enerzijds overweegt dat de persoon die verweerder ontsloeg, daartoe door eiseres niet gemachtigd was en verweerder zich terecht daarop beriep, anderzijds dat datzelfde ontslag verweerder duidelijkheid en zekerheid verschafte over de wil tot beëindiging uitgaande van eiseres en verweerder zich terecht daarop beriep. Tegenstrijdigheid van motieven staat gelijk met de ontstentenis van motivering. Het arbeidshof schendt artikel 149 van de Grondwet door zijn beslissing te steunen enerzijds op overwegingen die inhouden dat het ontslag dat aan verweerder werd gegeven, uitging van een persoon die onbevoegd was eiseres te binden, op wiens onbevoegdheid verweerder zich beriep (en wettig kon beroepen), anderzijds op overwegingen die inhouden dat dat ontslag verweerder duidelijkheid en zekerheid verstrekt van de bij eiseres bestaande wil de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Tweede subonderdeel Ontslag is de rechtshandeling waarbij een partij bij de arbeidsovereenkomst te kennen geeft dat zij de arbeidsovereenkomst wil beëindigd zien. Zoals voor de geldigheid van een overeenkomst, overeenkomstig artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek, is voor de geldigheid van een eenzijdige rechtshandeling een volwaardige wilsuiting en bekwaamheid vereist van de partij van wie de rechtshandeling uitgaat. Een ontslag is derhalve maar rechtsgeldig en bestaand indien het uitgaat van een tot ontslag bevoegde partij bij de arbeidsovereenkomst. Het ontslag uitgaande van een daartoe onbevoegde persoon is geen geldige wilsuiting van een partij en als zodanig onbestaande. Het arbeidshof oordeelt, zoals hierboven wordt uiteengezet in het tweede onderdeel en hier uitdrukkelijk wordt hernomen, - met de overwegingen die het maakt onder de nummers 4 tot en met 9, op de bladzijden 11 tot en met 15 van het bestreden arrest, dat de (heer D. van de) NV SAP niet door eiseres gemandateerd was om over te gaan tot ontslag van verweerder, - met de overwegingen die het maakt onder nummer 10, op de bladzijden 15 en 16 van het bestreden arrest, dat het door een onbevoegde persoon aan verweerder gegeven ontslag niet tijdig werd bekrachtigd, - en met de overwegingen die het maakt onder nummer 11, op de bladzijden 16 en 17 van het bestreden arrest, dat het de werknemer toegelaten is de betwisting over het al dan niet bestaan van een rechtsgeldig mandaat van de ontslag gevende persoon pas naar voren te brengen op het ogenblik van de tegen de werkgever bij de arbeidsrechtbank ingeleide procedure. Aldus beslist het arbeidshof dat het aan verweerder gegeven ontslag niet uitging van een persoon die gemachtigd en bekwaam was om namens eiseres ontslag te geven en dat verweerder zich wettig op die onbevoegdheid beroept. Met die overwegingen en zonder vast te stellen dat eiseres op een andere wijze, al dan niet op een ander tijdstip, dan met de ontslagbrief uitgaande van (de heer D. van) de NV SAP overging tot ontslag van verweerder, beslist het arbeidshof niet wettig dat het aan verweerder gegeven ontslag door een daartoe niet gemandateerde en onbevoegde persoon neerkomt op de onmiddellijke en onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst toe te schrijven aan eiseres (schending van artikel 32, 5°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en van de artikelen 1108, 1984, 1985 en 1987 van het Burgerlijk Wetboek), die voor verweerder een recht op een opzeggingsvergoeding doet ontstaan (schending van de artikelen 35 en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiseres niet wettig ongegrond en bevestigt niet wettig het in eerste aanleg gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank (schending van artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek en 35 en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  24. Uit artikel 1994 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat de lasthebber aansprakelijk is voor hem die hij bij de uitvoering van zijn opdracht in zijn plaats heeft gesteld, volgt dat de lastgever aan de lasthebber de toelating kan verlenen zich voor de uitvoering van het mandaat te laten vertegenwoordigen of bijstaan. Deze toelating kan zelfs stilzwijgend zijn.
  25. Zonder vast te stellen dat de voorzitter van de VZW die door de raad van bestuur van eiseres gemandateerd werd om tot het ontslag van verweerder over te gaan, geen toelating tot plaatsvervanging had, vermocht het arrest niet wettig te oordelen dat de lasthebber zich voor de uitvoering van dit mandaat niet kon laten vertegenwoordigen door het sociaal secretariaat.
  26. Door te beslissen dat het sociaal secretariaat geen mandaat had om verweerder te ontslaan, zodat het ontslag onregelmatig was, schendt het arrest de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen.
  27. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
  28. Wanneer een lasthebber van de werkgever in naam en voor rekening van de werkgever de arbeidsovereenkomst ten aanzien van de werknemer schriftelijk beëindigt, heeft de werknemer het recht de overlegging van een volmacht te eisen teneinde zich van het bestaan van de lastgeving te vergewissen. Hij is er nochtans niet toe gehouden zulks te doen. Wanneer hij dit niet doet en niet meer komt werken, aldus handelend alsof er wel degelijk een ontslag is geweest, is het gevolg daarvan dat hij het bestaan van de lastgeving achteraf, tenzij binnen redelijk korte termijn, niet meer kan ontkennen wanneer noch de lastgever, noch de lasthebber zelf dienaangaande enige betwisting opperen.
  29. Het arrest beslist dat verweerder het mandaat van het sociaal secretariaat om tot zijn ontslag over te gaan nog kon betwisten op het ogenblik dat verweerder de procedure tegen eiseres aanvatte, dit is meer dan zes maanden nadat de ontslagbrief door het sociaal secretariaat namens eiseres aan verweerder werd toegezonden. Het arrest oordeelt dat het achterwege blijven van een eerder en onmiddellijk protest van verweerder ten tijde van het ontslag niet tot gevolg heeft dat dient aanvaard te worden dat het sociaal secretariaat wel een mandaat had tot ontslaan, dit ongeacht het feit dat de lastgever en de lasthebber zelf daaromtrent geen betwisting voerden.
  30. Door te beslissen dat het sociaal secretariaat geen mandaat had om verweerder te ontslaan, zodat het ontslag onregelmatig was, schendt het arrest de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen.
  31. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest; Beveelt dat van dit arrest zal melding worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van zes februari tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160324.17 ECLI:BE:CTMON:2011:ARR.20110208.12 ECLI:BE:CTMON:2011:ARR.20110322.8 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.726 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.