← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.2 Rolnummer: C.05.0186.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-06-01 Raadplegingen: 246 - laatst gezien 2026-07-03 09:23 Versie(s): Vertaling FR Fiche Van betaling van voorschotten met subrogatie kan geen sprake meer zijn nadat tot regelmatige betaling van het pensioen of de sociale uitkering werd beslist en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van die beslissing op de hoogte werd gebracht; het openbaar centrum voor maatschappelijke zekerheid wordt niet in de plaats gesteld indien het betalingen blijft verrichten aan de rechthebbende nadat het op de hoogte werd gebracht van die beslissing. Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Vrije woorden: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Voorschotten op sociale uitkeringen Wettelijke subrogatie Belgische Staat Beslissing tot toekenning van inkomensvervangende en integratietegemoetkoming Kennisgeving aan O.C.M.W. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - Art.99,§2 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0186.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale zaken en Volksgezondheid, bestuursdirectie van de uitkeringen aan de personen met een handicap, met zetel te 1000 Brussel, Zwarte Lievevrouwstraat 3c, eiser, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149 (bus 20), alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ANTWERPEN, gevestigd te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 33, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 november 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Bij beschikking van de eerste voorzitter van 6 december 2005 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. De eiser voert in een verzoekschrift een middel aan. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1235, 1239 en 1249 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 1675/9, ,§1, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 2, ,§2 en ,§3, en 10 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten; - artikel 99, ,§2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn. Bestreden beslissingen Na vastgesteld te hebben dat: - door verweerder vanaf oktober 2000 tot en met 31 juli 2001 aan mevrouw C. voorschotten op sociale uitkeringen ten belope van 2.644,23 euro werden betaald, - mevrouw C. met ingang van 1 oktober 2000 een recht had op uitkeringen vanwege eiser ingevolge een door eiser op 15 maart 2001 getroffen beslissing, - eiser bij fax van 23 april 2001 op de hoogte werd gebracht van de aanstelling van een schuldbemiddelaar voor mevrouw C. die hem verzocht de haar toekomende sommen te storten op de rubriekrekening van de schuldbemiddelaar, verklaart het bestreden arrest het hoger beroep van eiser ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis dat eiser veroordeelde tot betaling aan verweerder van het bedrag van 2.644,23 euro, zijnde de voorschotten op sociale uitkeringen die door verweerder vanaf oktober 2000 tot en met 31 juli 2001 aan mevrouw C. werden betaald, op grond van de volgende overwegingen: "(...) dat indeplaatstelling tot gevolg heeft dat de oorspronkelijke schuldvordering aan de indeplaatsgestelde wordt overgedragen (...); Dat betaling met subrogatie de uitdoving van de verbintenis ten aanzien van de subrogant tot gevolg heeft (...); Dat de subrogant dan ook in beginsel de vordering niet langer kan instellen en de schuldenaar die na subrogatie nog aan de subrogant, c.q. aan de schuldbemiddelaar, betaalt en niet aan de intussen gesubrogeerde, evenmin bevrijdend betaalt ten opzichte van de gesubrogeerde (...); Dat uit de vorenstaande consideransen volgt dat de door (verweerder) uitgeoefende schuldvordering niet in samenloop komt met de andere schuldeisers van mevrouw C. en (eiser) zich ten onrechte beroept op de bepalingen van de artikelen 1675/7, ,§1, en 1675/9, 1, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek; dat het hoger beroep dan ook zo in feite als in rechte faalt". Grieven Eerste onderdeel Krachtens artikel 1235 van het Burgerlijk Wetboek onderstelt iedere betaling een schuld. Die betaling moet krachtens artikel 1239 van het Burgerlijk Wetboek gedaan worden aan de schuldeiser of aan iemand die volmacht van hem heeft, of die door de rechter of door de wet gemachtigd is om voor hem te ontvangen. In het kader van een procedure van collectieve schuldenregeling moeten, overeenkomstig artikel 1675/9, ,§1, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek, de schuldenaars van diegene die een verzoek tot schuldenregeling indient, iedere betaling, vanaf ontvangst van de beschikking tot aanstelling van de schuldbemiddelaar, in handen van die schuldbemiddelaar verrichten. Ingevolge de beslissing van eiser van 15 maart 2001 kende eiser aan mevrouw C. tegemoetkomingen toe met ingang van 1 oktober

  1. Aldus werd eiser schuldenaar van mevrouw C. voor alle nog toe te kennen tegemoetkomingen. Voor de achterstallen die door eiser nog verschuldigd waren voor de periode van 1 oktober 2000 tot en met 31 maart 2001 waren door verweerder op grond van artikel 99, ,§2, van de O.C.M.W.-wet voorschotten betaald, waarvoor verweerder in toepassing van die bepaling en artikel 1249 van het Burgerlijk Wetboek gesubrogeerd was in de rechten van mevrouw C. en waarvoor hij, ingevolge die betaling met subrogatie, schuldenaar (lees: schuldeiser) werd van eiser. Hoewel eiser dus voor de achterstallen voor de periode van 1 oktober 2000 tot en met 31 maart 2001 geen schuldenaar (meer) was van mevrouw C. (en eiser zich derhalve niet rechtsgeldig kon bevrijden door betaling aan de voor haar aangestelde schuldbemiddelaar), geldt zulks niet voor de bedragen die door eiser na 31 maart 2001 aan verweerder toekwamen, vermits eiser wel degelijk ingevolge zijn beslissing van 15 maart 2001 voor die bedragen schuldenaar was van mevrouw C. overeenkomstig de artikelen 2, ,§1 en ,§2, en 10 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, en hij zich bijgevolg slechts rechtsgeldig kon bevrijden door betaling van die schuld aan haar, dan wel, nadat hij wist van de aanstelling van de schuldbemiddelaar, aan deze laatste. Het bestreden arrest stelt onverkort dat eiser als schuldenaar van de subrogant niet bevrijdend kon betalen aan de schuldbemiddelaar en maakt geen onderscheid tussen het moment waarop eiser schuldenaar was van verweerder en dat waarop hij schuldenaar werd van mevrouw C.. Door te oordelen dat eiser aan verweerder ook "voorschotten" moet terugbetalen die betrekking hebben op de periode na 31 maart 2001 en tot en met 31 juli 2001, en door aldus te kennen te geven dat eiser zich voor die periode niet rechtsgeldig kon bevrijden van zijn schuld, hoewel het een schuld van eiser opzichtens de begunstigde van de tegemoetkomingen betrof, - schendt het arrest de artikelen 1235 van het Burgerlijk Wetboek, 2, ,§1, en ,§2, en 10 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan de gehandicapten, aangezien de door eiser op 15 maart 2001 getroffen beslissing tot toekenning van een integratietegemoetkoming en een inkomensvervangende tegemoetkoming, eiser tot schuldenaar maakte van alle aan mevrouw C. van dat moment af toekomende tegemoetkomingen (met uitsluiting van in het verleden reeds betaalde voorschotten); - schendt het arrest de artikelen 1239 van het Burgerlijk Wetboek, evenals 1675/9, ,§1, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien eiser zich krachtens deze bepalingen na aanstelling van de schuldbemiddelaar slechts rechtsgeldig kon bevrijden van zijn schuld opzichtens mevrouw C. met betrekking tot de tegemoetkomingen haar verschuldigd na 31 maart 2001 door betaling van deze schuld aan de schuldbemiddeaar; - schendt het arrest de artikelen 99, ,§2, van de O.C.M.W.-wet en 1249 van het Burgerlijk Wetboek, daar de indeplaatsstelling slechts geldt voor door verweerder verrichte betalingen van voorschotten en er vanaf de beslissing tot toekenning van de tegemoetkomingen aan mevrouw C., door eiser aan haar c.q. haar schuldbemiddelaar tegemoetkomingen effectief werden betaald, zodat ingevolge deze betaling de schuld van eiser opzichtens mevrouw C. uitdoofde en hiervoor bijgevolg geen betaling van voorschotten met indeplaatsstelling meer kon geschieden. Tweede onderdeel In zoverre het arrest oordeelt dat eiser als schuldenaar kon beschouwd worden van verweerder voor door die laatste betaalde "voorschotten" die door verweerder betaald werden op een ogenblik dat eiser reeds schuldenaar was geworden van mevrouw C. zelf ingevolge de voor haar gunstige beslissing van eiser van 15 maart 1991, is het niet naar recht verantwoord om de redenen zoals aangegeven in het eerste onderdeel. In zoverre het arrest oordeelt dat de subrogatie wel geldt voor de door eiser op 15 maart 1991 nog verschuldigde achterstallen, (en dat eiser zich voor deze sommen slechts rechtsgeldig kon bevrijden door betaling aan verweerder) is het wel naar recht verantwoord. Bijgevolg is het arrest minstens niet regelmatig met redenen omkleed, in zoverre het geen onderscheid maakt tussen de periode waarvoor eiser schuldenaar was van verweerder (de vóór de door eiser getroffen beslissing door verweerder betaalde voorschotten waarvoor verweerder in de rechten van mevrouw C. gesubrogeerd werd) enerzijds en de periode waarin eiser schuldenaar werd van mevrouw C. zelf, nl. vanaf de door eiser getroffen beslissing, en waarin hij zich, ingevolge de aanstelling van een schuldbemiddelaar, slechts rechtsgeldig van die schuld kon bevrijden door betaling aan die schuldbemiddelaar. In de mate het arrest de vordering van verweerder ten belope van het geheel van de door hem gevorderde sommen toekent, zonder het hiervoor weergegeven onderscheid te maken, en aldus de wettigheidscontrole van het Hof nopens de grondslag van die terugvordering niet toelaat, is het niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Ontvankelijkheid
  2. De verweerder werpt op dat het eerste onderdeel niet ontvankelijk is omdat het feit en recht vermengt daar het onderzoek van de erin vervatte grief vereist na te gaan of en wanneer eiser na 31 maart 2001 betalingen zou hebben verricht.
  3. Het bestreden arrest stelt vast dat de eiser bij schrijven van 11 april 2001 aan verweerder meedeelde dat ten gevolge van de beslissing van 15 maart 2001, er achterstallen te betalen bleven, ten bedrage van 1703,92 euro (68.763 BEF) voor de periode van 1 oktober 2000 tot 31 maart
  4. Die vaststelling sluit in dat de toekenningen voor de periode na 31 maart 2001 niet als achterstallen werden betaald.
  5. Het onderzoek van de grief vereist niet dat wordt nagegaan of en wanneer eiser na 31 maart 2001 betalingen zou hebben verricht.
  6. Het middel van niet ontvankelijkheid moet worden verworpen. Het onderdeel zelf
  7. Artikel 99, ,§2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bepaalt dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, dat een voorschot toekent op een pensioen of op enige andere sociale uitkering, van rechtswege en tot het bedrag van dat voorschot in de rechten treedt op de achterstallen die de gerechtigde kan doen gelden.
  8. Uit die bepaling volgt dat van betaling van voorschotten met subrogatie geen sprake meer kan zijn nadat tot de regelmatige betaling van het pensioen of de sociale uitkering werd beslist en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van die beslissing op de hoogte werd gebracht. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt door die bepaling niet in de plaats gesteld indien het betalingen blijft verrichten aan de rechthebbende nadat het op de hoogte werd gebracht van die beslissing.
  9. Het bestreden arrest stelt vast dat: - de eiser op 15 maart 2001 een beslissing nam over de toekenning van een inkomensvervangende tegemoetkoming en een integratievergoeding aan de rechthebbende met ingang van 1 oktober 2000; - de eiser bij schrijven van 11 april 2001 aan de verweerder die beslissing meedeelde en de verweerder op de hoogte bracht dat ingevolge de beslissing er achterstallen te betalen bleven ten bedrage van 1703,92 euro (68.736 BEF) voor de periode van 1 oktober 2000 tot 31 maart 2001, en dat de eerste betaling zou worden uitgevoerd op 24 april 2001; - de verweerder op 20 april 2001 aan de eiser antwoordde dat voor hetzelfde bedrag voorschotten werden verleend over de periode van 1 oktober 2000 tot en met 31 maart
  10. Het bestreden arrest bevestigt in strijd met die vaststellingen het beroepen vonnis dat eiser veroordeelt tot terugbetaling van 2.644,23 euro (106.668 BEF), zijnde het totale bedrag dat door verweerder aan de rechthebbende werd betaald vanaf oktober 2000 tot en met 31 juli 2001, te vermeerderen met de verwijlinterest, de gerechtelijke interest en de kosten van het geding.
  11. Het bestreden arrest schendt aldus de in het onderdeel aangewezen bepalingen.
  12. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  13. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de terugvordering van de verweerder toekent voor bedragen die betrekking hebben op de periode na 31 maart 2001 en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van zes februari tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.