id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.3 Rolnummer: S.04.0089.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-11-28 Raadplegingen: 180 - laatst gezien 2026-07-03 09:23 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De aanvraag van de instelling tot het verkrijgen van een tegemoetkoming in mindering te brengen van de werkgeversbijdragen voor de rijksdienst voor sociale zekerheid, welke aanvraag moet vergezeld zijn van een getuigschrift van de minister van Tewerkstelling en Arbeid waaruit blijkt dat de werkgever de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in art. 2, K.B. van 22 sept. 1989 het hele jaar heeft nageleefd of in voorkomend geval voor welke maanden en in welke mate de collectieve arbeidsovereenkomst niet werd nageleefd, moet in beginsel worden ingediend binnen het jaar na verloop van het jaar waarin de bedoelde arbeidsovereenkomst werd nageleefd. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Tewerkstelling non-profitsector Werkgever Vermindering bijdragen Toekenningsvoorwaarden Algemeen Termijn Aanvang Wettelijke bepalingen: Ministerieel Besluit - 08-11-1990 - Art.1,eerstee Fiche 2 De omstandigheid dat de aanvraag tot tegemoetkoming door de instelling vergezeld moet zijn van een getuigschrift afgeleverd door de minister van Tewerkstelling en Arbeid brengt mede dat de loop van de termijn van een jaar, na verloop van het jaar waarin de collectieve arbeidsovereenkomst werd nageleefd, slechts zal aanvangen wanneer de bedoelde werkgever in de mogelijkheid is een aanvraag in te dienen, derhalve wanneer hij in het bezit is gesteld van dit getuigschrift, in zoverre de werkgever hierbij geen verzuim kan worden aangerekend, gelet op de verplichting, bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 sept. 1989, elk jaar nadat de bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst is nageleefd een verslag daaromtrent aan de minister van Tewerkstelling en Arbeid over te maken. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Tewerkstelling non-profitsector Werkgever Vermindering bijdragen Toekenningsvoorwaarden Afgifte attest Termijn Aanvang Wettelijke bepalingen: Ministerieel Besluit - 08-11-1990 - Art.1,eerstee Tekst van de beslissing Nr. S.04.0089.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel gevestigd te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen DE VIERKLAVER, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel gevestigd te 9850 Nevele - Landegem, Haarkensstraat 32 (A). verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 oktober 2003 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1 van het ministerieel besluit van 8 november 1990 tot uitvoering van artikel 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 22 september 1989 tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector; - de artikelen 2, 4 en 6 van het koninklijk besluit van 22 september 1989 tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector; - artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 149 van de Grondwet. Bestreden beslissing Het bestreden arrest bevestigt het beroepen vonnis dat eiser veroordeelde tot betaling aan verweerster van de som van 41.131,39 euro, meer de interest, in al zijn beschikkingen, zulks om reden dat: "Artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de verjaring niet loopt ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang de voorwaarde niet is vervuld; Zolang de werkgevers bedoeld bij artikel 1 van voormeld koninklijk besluit geen attest hebben van de minister van Tewerkstelling en Arbeid, waaruit blijkt dat de werkgever de collectieve arbeidsovereenkomst heeft nageleefd, kan hij geen aanvraag indienen bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, die de berekening van de tegemoetkoming doet en het bedrag ervan binnen de twee maanden na de ontvangst van de aanvraag mededeelt; Het recht op de tegemoetkoming bestaat slechts op het ogenblik dat het attest waaruit blijkt dat de werkgever de collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2 van voormeld koninklijk besluit heeft nageleefd, door het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid wordt afgeleverd; op dat ogenblik kan de werkgever zijn vordering tegen (eiser) instellen en niet vroeger, ook al heeft hij op 31 december van het betrokken dienstjaar de collectieve arbeidsovereenkomst nageleefd; Zolang deze naleving, die blijkt uit het attest dat moet gevoegd worden bij de aanvraag niet vaststaat, kan de verjaring t.a.v. de RSZ niet lopen; De brief van 17 oktober 1997 van het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van personen met handicap vermeldt trouwens dat deze attesten dienen te worden overgemaakt aan de RSZ 'teneinde de terugbetalingsprocedure mogelijk te maken'; De verjaringstermijn van een vordering kan immers slechts aanvangen vanaf het ogenblik dat de uitoefeningsvoorwaarden van bedoelde vordering verwezenlijkt zijn; de verjaringstermijn van de terugvordering van een onverschuldigde betaling kan geen aanvang nemen zolang het wettelijk onmogelijk is het onverschuldigd karakter van de betaling te bewijzen (Raad van State, 27 juni 1972, J.T.T., 1973, p. 72); De verjaring vangt aan op 17 oktober 1997, datum van het attest van de minister van Tewerkstelling en Arbeid en waaruit blijkt dat (verweerster) gedurende het jaar 1993 (en 1994) de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst heeft nageleefd, zodat de aanvraag om de tegemoetkoming op 1 april 1999 geenszins is verjaard; De aard van deze tegemoetkoming en de gebonden bevoegdheid van de overheid die deze attesten aflevert, zijn bijgevolg ter zake irrelevant". Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig het koninklijk besluit van 22 september 1989 tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, kunnen instellingen uit de non-profitsector van een tegemoetkoming genieten indien ze een collectieve arbeidsovereenkomst afsluiten en naleven waarin tewerkstellingsbevorderende maatregelen zijn opgenomen. Deze collectieve arbeidsovereenkomst moet onder meer een inspanning omvatten van minstens 0,18 pct. van de bij eiser aangegeven loonmassa voor initiatieven tot bevordering van de tewerkstelling van de in artikel 139 van de programmawet van 30 december 1988 bedoelde groepen. Ook de mogelijkheid om de beroepsloopbaan te onderbreken overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 100 en 101 van de wet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen moet in de collectieve arbeidsovereenkomst zijn voorzien (zie artikel 2, ,§2, van het koninklijk besluit van 22 september 1989). De tegemoetkoming bedraagt 2 pct. van de loonmassa van elk jaar waarin de overeenkomst wordt toegepast, verhoogd met de patronale bijdragen. Ze wordt proportioneel verminderd voor de maanden en in de mate waarop de collectieve arbeidsovereenkomst niet werd nageleefd. Het bedrag van de tegemoetkoming mag door de werkgever in mindering worden gebracht van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bij zijn eerstvolgende storting van sociale zekerheidsbijdragen aan eiser (zie de artikelen 4 van het koninklijk besluit van 22 september 1989 en 3 van het ministerieel besluit van 8 november 1990). De instellingen zijn verplicht om elk jaar nadat ze de collectieve arbeidsovereenkomst hebben nageleefd een verslag daaromtrent aan de minister van Tewerkstelling en Arbeid over te maken (artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 september 1989). Om aanspraak te kunnen maken op de tegemoetkoming moet de instelling voor elk jaar een aanvraag indienen bij eiser, welke aanvraag vergezeld moet zijn van een getuigschrift, afgeleverd door de minister van Tewerkstelling en Arbeid, waaruit blijkt dat de werkgever de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 september 1989 het hele jaar heeft nageleefd en in voorkomend geval voor welke maanden en in welke mate de collectieve arbeidsovereenkomst niet werd nageleefd (artikel 1 van het ministerieel besluit van 8 november 1990). Uit wat voorafgaat kan worden afgeleid dat het recht op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 september 1989, op het einde van elk dienstjaar ontstaat, met name op 31 december. Op dat ogenblik kan immers definitief worden vastgesteld of de collectieve arbeidsovereenkomst het voorbije dienstjaar door de instelling werd nageleefd, wat de enige wettelijke voorwaarde is waaraan de instelling moet voldoen om van de verminderingen van sociale zekerheidsbijdragen voor het betrokken dienstjaar te kunnen genieten. Geheel ten onrechte situeert het bestreden arrest het bestaan van het recht op de tegemoetkoming pas op het ogenblik van de afgifte door de minister van Tewerkstelling en Arbeid van het getuigschrift bedoeld in artikel 1 van het ministerieel besluit van 8 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.